HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[Klager],
wonend in Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee,
gericht tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).
INLEIDING
Bij landsbesluit van 7 februari 2025 no. 18 (bestreden landsbesluit), door klager ontvangen op 21 februari 2025, heeft verweerder besloten om aan klager de disciplinaire straf op te leggen van schriftelijke berisping.
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klager gericht tegen dit landsbesluit, ingediend bij het gerecht op 20 maart 2025.
Verweerder heeft op 18 augustus 2025 een contramemorie met stukken bij het gerecht ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 20 oktober 2025, alwaar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij de gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is hierna nader bepaald op vandaag.
BEOORDELING
Het gerecht komt tot het oordeel dat klager zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Het bezwaar van klager dient ongegrond te worden verklaard.
Het gerecht legt hierna dit oordeel uit.
Wat is relevant om te weten?
Klager is als ambtenaar werkzaam in de functie van bewakingsmedewerker bij Cuerpo Especial Arubano (CEA).
Bij brief van 25 mei 2023 heeft het hoofd van het CEA het Departamento Recurso Humano (DRH) bericht dat klager op 18 mei 2023 ongeoorloofd afwezig is geweest, en verzocht om aan klager de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van het inkomen ter hoogte van Afl. 850,- op te leggen.
Bij brief van 4 juli 2023 heeft verweerder klager in de gelegenheid gesteld om zich schriftelijk tegenover verweerder te verantwoorden ter zake het vermoedelijk gepleegd plichtsverzuim van ongeoorloofd verzuim op 18 mei 2023.
Bij brief van 17 juli 2023 heeft klager zich daarover schriftelijk verantwoord.
Bij advies van het DRH van 25 maart 2024 is verweerder geadviseerd om aan klager de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van het inkomen ter grootte van Afl. 750,- op te leggen.
Bij landsbesluit van 10 juni 2024 heeft verweerder, conform het advies van het DRH, besloten. Bij advies van het DRH van 19 december 2024 is verweerder wederom geadviseerd omtrent het opleggen van een disciplinaire straf aan klager. Omdat in de rapporten van het CEA enkele onduidelijkheden zijn geconstateerd, heeft het DRH geadviseerd het landsbesluit van 10 juni 2024 in te trekken en aan klager de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping op te leggen.
Bij het bestreden landsbesluit heeft verweerder overeenkomstig het laatste advies van het DRH besloten.
Wat wordt klager verweten?
4. In het bestreden landsbesluit wordt klager verweten – kort samengevat – dat hij op 18 mei 2023 ongeoorloofd afwezig is geweest, zich niet heeft gemeld bij de dienst noch bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb), zich niet heeft gehouden aan het voor hem geldende dienstrooster en evenmin aan de regels van het CEA. Voorts wordt klager verweten dat hij zich in het verleden (vanaf 2012) meermalen schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, waarvoor hem diverse disciplinaire straffen zijn opgelegd, en dat hij zijn gedragingen desondanks heeft voortgezet en geen lering heeft getrokken uit de eerder opgelegde disciplinaire maatregelen. Volgens verweerder is klager goed op de hoogte van het voor hem geldende dienstrooster en van de wijze waarop dit moet worden gelezen dan wel geïnterpreteerd. In zijn verantwoording, waarin klager stelt dat hij zich had vergist en meende dat hij van 18 op 19 mei 2023 nachtdienst had in plaats van 17 op 18 mei 2023, ziet verweerder dan ook geen geloofwaardige verklaring. Verweerder ziet daarom geen aanleiding om af te zien van het opleggen van een disciplinaire straf. Klager heeft zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim door op 18 mei 2023 ongeoorloofd afwezig te zijn, zodat aanleiding bestaat hem disciplinair te straffen. Vanwege enkele onduidelijkheden in de rapporten van het CEA heeft verweerder besloten de op te leggen disciplinaire straf te matigen en deze te bepalen op een schriftelijke berisping.
Wat is het standpunt van klager?
5. Klager betwist dat sprake is van plichtsverzuim dat een disciplinaire straf rechtvaardigt. Hij voert daartoe aan dat in zijn agenda stond genoteerd dat zijn nachtdienst op 18 mei 2023 om 23:00 uur zou aanvangen. Volgens klager wordt hij zelden ingeroosterd voor het verrichten van nachtdiensten. Bovendien had hij daaraan voorafgaand vijf rustdagen en was hij naar het buitenland gereisd, waarna hij eerst op 17 mei 2023 naar Aruba is teruggekeerd.
Van bewust en opzettelijk niet op het werk verschijnen is volgens klager geen sprake, zodat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en derhalve niet voor deze gedraging disciplinair kan worden gestraft. Zijn bezwaar dient dan ook gegrond te worden verklaard en het bestreden landsbesluit te worden vernietigd.
Wat zegt de wet?
Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.
Artikel 50, eerste lid, van de Lma bepaalt dat indien de ambtenaar door ziekte of anderszins verhinderd is zijn dienst te verrichten, hij verplicht is daarvan, onder opgave van redenen, zo tijdig mogelijk mededeling te doen aan het hoofd van dienst of aan een door deze aangewezen ambtenaar, teneinde vertraging of hinder in de dienst zoveel doenlijk te voorkomen.
Ingevolge artikel 82, eerste lid van de Lma, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.
Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, van de Lma, is de disciplinaire straf, welke kan worden toegepast, schriftelijke berisping.
Wat vindt het gerecht?
7. In geschil is de vraag of verweerder heeft mogen besluiten klager wegens plichtsverzuim disciplinair te straffen met een schriftelijke berisping. Bij de beoordeling neemt het gerecht het volgende in aanmerking.
8. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedraging heeft begaan. Voor het kunnen opleggen van een disciplinaire staf wegens plichtsverzuim is voorts vereist dat het plichtsverzuim aan de betrokken ambtenaar kan worden toegerekend.
9. Niet in geschil is dat klager was ingeroosterd voor de nachtdienst van 18 mei 2023 en zich derhalve op 17 mei 2023 om 23:00 uur diende te melden voor het verrichten van die nachtdienst. Evenmin is in geschil dat klager, zonder zich ziek te melden bij de Svb en zonder opgave van reden bij het CEA, niet op het werk is verschenen om die nachtdienst te verrichten.
Klager heeft ter verklaring van zijn afwezigheid aangevoerd dat hij zich heeft vergist, omdat hij meende te zijn ingeroosterd voor de nachtdienst van 18 op 19 mei 2023, en niet voor die van 17 op 18 mei 2023. Omdat hij niet bewust of opzettelijk is weggebleven van werk, is volgens klager geen sprake van plichtsverzuim.
Het gerecht volgt klager niet in zijn betoog. Klager verricht reeds jarenlang (nacht)diensten voor het CEA en moet worden geacht goed bekend te zijn met het inroosteringssysteem van het CEA. Van klager mocht dan ook worden verwacht dat hij zich houdt aan zijn werkrooster en aan de voor hem geldende regels. Voorts is van belang dat klager in het verleden reeds meermalen is aangesproken op ongeoorloofde afwezigheid en dat hem daarvoor herhaaldelijk disciplinaire maatregelen zijn opgelegd. Gelet hierop acht het gerecht de stelling van klager dat sprake zou zijn geweest van een vergissing niet aannemelijk.
Gelet op het vorenstaande mocht verweerder de afwezigheid van klager tijdens de nachtdienst van 18 mei 2023 dan ook aanmerken als ongeoorloofd verzuim. Klager heeft daarmee in strijd gehandeld met de artikelen 47, eerste lid, en 50, eerste lid, van de Lma, en zich aldus schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Nu bovendien niet is gebleken dat dit plichtsverzuim klager niet kan worden toegerekend, was verweerder in beginsel bevoegd om een disciplinaire straf op te leggen.
10. De vraag die nog moet worden beantwoord, is of het rechtszekerheidsbeginsel met zich brengt dat verweerder in dit geval wegens tijdsverloop had moeten afzien van het opleggen van een disciplinaire straf. Het gerecht overweegt als volgt.
Uit het bestreden landsbesluit en het advies van het DRH van 19 december 2024, is het gerecht gebleken dat verweerder bij het bepalen van de strafmaat reeds rekening heeft gehouden met strafverminderende omstandigheden. Om die reden heeft verweerder de bij landsbesluit van 10 juni 2024 opgelegde disciplinaire straf van inhouding op het inkomen van klager ten bedrage van Afl. 750,- ingetrokken en een nieuw besluit genomen waarbij een gematigder disciplinaire maatregel is opgelegd, te weten een schriftelijke berisping, zoals neergelegd in het bestreden landsbesluit. Het gerecht acht de thans bestreden opgelegde disciplinaire straf, gelet op het vorenstaande, ook niet disproportioneel.
CONCLUSIE
11. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar van klager ongegrond dient te worden verklaard.
DE UITSPRAAK
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. drs. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.