GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
[Klager],
DE DIRECTEUR VAN HET DEPARTAMENTO RECURSO HUMANO,
Uitspraak van 12 januari 2026
Zaaknummer AUA202402046 GAZA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
wonende in Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: mr. R.P. Lee
gericht tegen:
zetelend in Aruba,
VERWEERDER, hierna ook te noemen: het DRH,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ)
PROCESVERLOOP
1. In deze uitspraak beslist het gerecht op het bezwaar van klager van 20 juni 2024, gericht tegen de beslissing van verweerder, om het inkomen van klager vanaf april 2024 aan te passen naar 90% en het over april 2024 te veel ontvangen loon terug te vorderen.
Deze beslissing is door verweerder genomen bij brief van 22 april 2024 (hierna: de bestreden beslissing), en door klager ontvangen op 23 mei 2024.
Verweerder heeft op 13 maart 2025 een contramemorie en de op de zaak betrekking hebbende stukken, ingediend.
Het gerecht heeft de zaak mondeling behandeld ter zitting van 16 juni 2025, alwaar klager bij zijn voornoemde gemachtigde is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.
OVERWEGINGEN
Inleiding
2. Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder heeft mogen beslissen om het inkomen van klager aan te passen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Het gerecht komt tot het oordeel dat het bezwaar gegrond is. Hierna legt het gerecht uit hoe het tot dit oordeel komt.
Waar gaat deze zaak over?
Klager, ambtenaar in vaste dienst en tewerkgesteld bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba (DGWA), was vanaf april 2022 tot en met april 2024 langdurig arbeidsongeschikt.
Bij de bestreden beslissing heeft verweerder klager bericht dat zijn inkomen op grond van het bepaalde in artikel 31, lid 4 van de Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (VVDA) met ingang van 4 april 2024 naar 90% zal worden aangepast. Tevens is klager bericht dat het te veel ontvangen salaris over de periode van 4 april 2024 tot 1 mei 2024 wordt teruggevorderd in de maand mei 2024.
Uit het overzicht van ziekteverzuim, aangemaakt door BCS Dossier Manager op 20 februari 2025, volgt dat klager -voor zover hier van belang- vanaf 4 april 2022 tot en met 4 april 2024 langdurig en nagenoeg onafgebroken ziek is geweest. Gedurende deze periode was klager gedurende korte periodes ook gedeeltelijk (voor 1, 25, 50 of 75%) arbeidsongeschikt.
Is klager ontvankelijk in zijn bezwaar?
Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.
Klager heeft zijn bezwaarschrift na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Zijn stelling dat hij de bestreden beslissing op 23 mei 2024 in zijn brievenbus thuis heeft ontvangen, is door verweerder niet weersproken. Gelet hierop gaat het gerecht ervan uit dat klager zijn bezwaarschrift binnen de in artikel 41, derde lid, van de La bepaalde uiterlijke indieningsdatum heeft ingediend, zodat hij in zijn bezwaar kan worden ontvangen.
Wat vindt klager?
5. Klager is het er niet mee eens dat zijn inkomen aangepast wordt, en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij niet gedurende een periode van vierentwintig maanden aaneengesloten ziek is geweest, zodat artikel 31, lid 4 van de VVDA niet kan worden toegepast. Volgens klager was hij gedurende deze periode af en toe ziek. Gedurende deze periode heeft hij ook gewerkt en daarom kan niet worden gesteld dat hij 730 dagen volledig arbeidsongeschikt is geweest. Bovendien heeft hij vanaf januari 2024 tot en met april 2024 voor 100% gewerkt, zodat zijn verzuimkaart, voor zover daarop staat dat hij in deze periode gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, niet klopt. Een re-integratietraject kan de wet, met name artikel 31, lid 5 van de VVDA, niet opzij zetten.
Hij verzoekt het gerecht de bestreden beslissing te vernietigen en te bepalen dat verweerder zijn salaris vanaf april 2024 volledig uitbetaald.
Wat vindt verweerder?
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld, dat klager vanaf januari 2024 in een re-integratietraject zat en daarom als gedeeltelijk arbeidsongeschikt stond vermeld. Formeel was hij echter nog steeds arbeidsongeschikt en uit de wet volgt dat zijn inkomen dient te worden aangepast. Voor verweerder bestaat hierbij geen beslissingsvrijheid om anders te beslissen, aldus verweerder. Verweerder betoogt dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard.
Wat staat in de wet over aanpassing inkomen in verband met ziekte?
Op grond van artikel 31, eerste lid van de VVDA heeft de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn dienst uit te oefenen, tot herstel van zijn gezondheid aanspraak op vrijstelling van dienst wegens ziekte.
Op grond van het tweede lid is de duur van de vrijstelling ten hoogste vier jaar voor een ambtenaar in vaste dienst.
Het vierde lid bepaalt, dat gedurende een vrijstelling van dienst wegens ziekte de ambtenaar in vaste dienst aanspraak heeft op een inkomen naar reden van:
a. zijn vol inkomen gedurende de eerste vierentwintig maanden;
b. 90% van zijn vol inkomen gedurende de daaropvolgende twaalf maanden;
c. 80% van zijn vol inkomen gedurende de resterende twaalf maanden.
Volgens het vijfde lid wordt een opnieuw ingetreden verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte, voor het bepalen van de in het tweede en vierde lid genoemde termijnen, als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet nadat tenminste dertig dagen zijn verstreken, sedert de ambtenaar zijn dienst volledig heeft hervat.
Ingevolge artikel 32, tweede lid van de VVDA wordt de vrijstelling van dienst wegens ziekte van langere duur dan dertig dagen verleend door het bevoegde gezag. Uit artikel 4 volgt, dat het bevoegde gezag, de Gouverneur is.
Ingevolge artikel 37 van de VVDA is -voor zover hier van belang- na eindiging van een vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan dertig dagen herstel in activiteit bij beschikking vereist. Deze inactiviteitherstelling geschiedt door het bevoegde gezag.
De beoordeling
Is verweerder bevoegd om inhoudingen te verrichten?
Klager is in deze opgekomen tegen de brief van verweerder, waarbij klager wordt bericht over de aanpassing van zijn bezoldiging op grond van artikel 31, lid 4 van de VVDA. Uit deze brief volgt, dat inkomen van klager met ingang van 4 april 2024 wordt aangepast naar 90%.
Het gerecht ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder in deze bevoegd is om (feitelijk) inkomens van ambtenaren aan te passen op grond van artikel 31, lid 4 van de VVDA.
Het gerecht stelt vast dat in deze een beschikking van het bevoegde gezag inzake het verlenen van vrijstelling van dienst wegens ziekte aan klager, als bedoeld in artikel 32, tweede lid van de VVDA, en de inactiviteitherstelling van klager, als bedoeld in artikel 37 van de VVDA, ontbreekt. Voor het gerecht is het dan ook onduidelijk gedurende welke periode vrijstelling van dienst aan klager is verleend. Zonder deze vaststelling kan geen toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 31, vierde lid van de VVDA.
De DRH is niet bevoegd om zelfstandig te bepalen dat, en over welke periode een ambtenaar vrijstelling van dienst wegens ziekte is verleend, noch om vervolgens -wederom zelfstandig- aanpassingen op inkomens wegens ziekte te verrichten. Reeds op grond hiervan is het bezwaar gegrond, dient de bestreden (en onbevoegd genomen) beschikking te worden vernietigd en dienen de op grond daarvan uitgevoerde aanpassingen op het inkomen van klager onmiddellijk ongedaan te worden gemaakt.
Kosten
9. Verweerder dient op navolgende wijze in de kosten te worden veroordeeld.
DE BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt de brief van verweerder van 22 april 2024;
- bepaalt dat verweerder de op grond van voornoemde brief van 22 april 2024 verrichte aanpassingen op het inkomen van klager onmiddellijk ongedaan dient te maken;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.400,- aan gemachtigdensalaris.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 12 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend:
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.