ECLI:NL:OGAACMB:2026:22

ECLI:NL:OGAACMB:2026:22

Instantie Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 02-03-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer AUA202301379
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

No work no pay - ongegrond

Uitspraak

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[Klager],

wonend te Aruba,

KLAGER,

procederend in persoon,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN, INNOVATIE, OVERHEIDSORGANISATIE, INFRASTRUCTUUR EN RUIMTELIJKE ORDENING,

zetelend te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).

INLEIDING

In deze uitspraak is aan de orde het bezwaar van klager gericht tegen het niet uitbetalen van zijn bezoldiging vanaf 17 februari 2023 (hierna: de bestreden beslissing).

Verweerder heeft op 13 november 2023 een contramemorie/pleitaantekeningen en stukken ingediend.

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 20 november 2023. Klager is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. De behandeling is toen aangehouden tot de zitting van 26 augustus 2024.

Klager heeft op 19 augustus 2024 nadere stukken ingediend.

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 26 augustus 2024. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat als bijlage aan deze uitspraak wordt gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Nadat het wrakingsverzoek van klager door de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (de Raad), bij uitspraak van 25 september 2024 (RvBAz nr. AUA2024H000364), ongegrond is verklaard, is de behandeling ter zitting van 13 oktober 2025 hervat, waar klager in persoon is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

OVERWEGINGEN

Waar gaat deze zaak over?

Deze zaak gaat over de vraag of verweerder terecht de bezoldiging van klager vanaf 17 februari 2023 niet heeft uitbetaald.

Bij de beantwoording neemt het gerecht de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

Klager, destijds ambtenaar bezoldigd in schaal 13, zat gedurende de periode van 1 oktober 2006 tot 1 december 2017 en vervolgens vanaf 16 september 2021 tot aan zijn ontslag, als non-actieve ambtenaar in de overtolligheidspoule.

De overheid heeft bij circulaire van 14 december 2022 het beleid met betrekking tot de reactivering van non-actieve ambtenaren bekend gemaakt. In het kader van dat beleid is in februari 2023 ten aanzien van klager het reactiveringstraject gestart. Klager is bij emailbericht van 3 februari 2023, verzonden naar zijn persoonlijke emailadres, geïnstrueerd om zich op 10 februari 2023 om 11:00 uur bij het Departamento Recurso Humano (het DRH) te melden in het kader van zijn re-integratietraject. De brief bevattende deze dienstopdracht is op 6 februari 2023 ook in zijn brievenbus thuis achtergelaten. Aan deze dienstopdracht heeft klager niet voldaan.

Nadat klager telefonisch had uitgelegd, dat hij voormelde brief te laat had ontvangen waardoor hij er geen gehoor aan kon geven, werd hij bij brief van 15 februari 2023 nogmaals opgedragen om zich de volgende dag bij het DRH te melden. In deze dienstopdracht werd klager bericht dat het geen gehoor geven aan deze dienstinstructie reden kan zijn hem te ontslaan. Ook aan deze dienstopdracht heeft klager geen gehoor gegeven.

Klager is bij Landsbesluit van 25 april 2023 (I) met ingang van 17 februari 2023 met toepassing van artikel 98, eerste lid sub h in samenhang met artikel 98, tweede lid van de Lma eervol uit overheidsdienst ontslagen en (II) subsidiair, met ingang van 1 mei 2023 met toepassing van artikel 98, eerste lid sub f in samenhang met artikel 98, tweede lid van de Lma eervol uit overheidsdienst ontslagen. Het tegen dit ontslagbesluit gerichte bezwaar is bij uitspraak van dit gerecht (AUA20202301933) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is in hoger beroep, bij uitspraak van 10 april 2024 (RvBAz nr. AUA2023H00193, ECLI:NL:ORBAACM:2024:14), met verbetering van de gronden bevestigd. De Raad heeft daarbij geoordeeld, dat de Gouverneur klager per 1 mei 2023 heeft mogen ontslaan op grond van ongeschiktheid, en daarbij -voor zover hier van belang- het volgende overwogen:

“(…) 4.6.1.

Vaststaat dat de oproep van 3 februari 2023 voor een gesprek op 10 februari 2023 op 3 februari 2023 per e-mailbericht naar [appellant] is verzonden en op 6 februari 2023 in de brievenbus van [appellant] is gedaan. [appellant] stelt dat hij zijn e-mail zeer selectief leest, het e-mailbericht op grond van persoonlijke motieven niet heeft geopend en de brief pas op 13 februari 2023 uit de brievenbus heeft gehaald. Hoewel dit gedrag vragen oproept heeft de gouverneur [appellant] blijkbaar het voordeel van de twijfel gegeven en hem opnieuw met de brief van 15 februari 2023 opgeroepen voor een gesprek op 16 februari 2023 om 16:00 uur. De gouverneur heeft, om de verzending en ontvangst van de oproeping te kunnen bevestigen, een foto van de bezorging laten maken en twee medewerkers op 16 februari 2023 laten checken of de brievenbus rond 15:30 uur was geleegd. Uit de daarover opgestelde verklaring is op te maken dat de medewerkers door de gleuf in de brievenbus konden kijken en daarbij geen brief konden waarnemen, maar niet de bodem van de brievenbus konden zien. Wel is waargenomen dat de niet openbaar toegankelijke achterklep van de brievenbus open stond alsof iemand iets uit de brievenbus had gehaald, maar de klep niet helemaal dicht had gedaan. [appellant] stelt echter dat hij pas op 16 februari 2023 om 17:00 uur zijn brievenbus heeft geleegd, zodat hij niet meer op tijd was voor de oproep om 16:00 uur. [Getuige], die op 16 februari 2023 bij [appellant] op bezoek was, heeft de beschreven gang van zaken door [appellant] met een schriftelijke verklaring van 21 mei 2023 bevestigd. Op de zitting heeft [getuige] deze verklaring als getuige herhaald.

4.6.2.

Uit de brief van [appellant] van 17 februari 2023 aan de minister is op te maken dat [appellant] meent dat hem geen enkel verwijt treft van het niet nakomen van de dienstopdrachten. Daaraan voegt [appellant] nog toe dat de pogingen hem te werk te stellen kapitaalvernietiging is omdat hij op korte termijn met pensioen gaat en nog maanden vakantiedagen tegoed heeft zodat hij hooguit ingewerkt kan worden in een nieuwe functie.

4.6.3.

De hiervoor geschetste gang van zaken en gedragingen van [appellant] rond de mogelijke plaatsing bij Sedeco, de vaccinatiecampagne Covid-19 en de oproepingen voor een reactiverings- en begeleidingsgesprek bij DRH, getuigen van een opstelling, houding en gedrag van iemand die niet wenst mee te werken aan reactivering in welke vorm dan ook. (…) Voor wat betreft de oproepingen acht de Raad de door [appellant] aangevoerde redenen waarom hij hiervan niet (tijdig) op de hoogte was niet geloofwaardig. Van eigen initiatieven om weer actief te worden is niet gebleken. Van [appellant] die sinds januari 2006, met een onderbreking van bijna vier jaar, non-actief was met behoud van salaris, mocht evenwel volledige medewerking worden verwacht aan zijn reactivering. Dit geldt te meer nu [appellant] was gewaarschuwd dat het niet meewerken aan zijn reactivering tot rechtspositionele gevolgen zou kunnen leiden. (…)”.

Klager heeft vanaf 17 februari 2023 geen bezoldiging ontvangen.

Wat vindt klager?

3. Aan zijn bezwaar heeft klager – samengevat – ten grondslag gelegd dat de stopzetting van zijn bezoldiging berust op foutieve aannames en veronderstellingen over zijn vermeende opzettelijke afwezigheid bij de geplande afspraken van 10 en 16 februari 2023. Hij stelt dat er geen grondslag bestaat om zijn bezoldiging stop te zetten, omdat er geen sprake is van het opzettelijk niet verrichten van diensten. Klager heeft daartoe aangevoerd, dat het hem niet kan worden verweten dat hij de brief van 15 februari 2023 bevattende de dienstopdracht niet op tijd heeft gelezen, nu niet kan worden vastgesteld dat hij die brief tijdig heeft ontvangen. Wat betreft het niet nakomen van de afspraak op 10 februari 2023, heeft klager betoogd, dat ook dit hem niet kan worden verweten, nu verweerder hem het voordeel van de twijfel heeft gegund door een nieuwe afspraak te maken. Klager concludeert dat de onderbouwing van de bestreden beslissing dus alleen is gerelateerd aan de dienstopdracht van 15 februari 2023. Verder heeft klager gesteld, dat zelfs indien hij wel opzettelijk heeft nagelaten zijn dienst te verrichten de stopzetting/inhouding van bezoldiging niet een gehele maand mag omvatten. De bestreden beslissing is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Klager verzoekt het gerecht te beslissen dat het stopzetten van de uitbetaling van de bezoldiging moet worden hersteld en te bepalen dat klager zijn bezoldigingen waar hij recht op heeft, uitbetaald krijgt en blijft krijgen.

Wat vindt verweerder?

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld, dat vaststaat dat klager niet wenste mee te werken aan het reactiveringstraject, zodat hij opzettelijk geen gevolg heeft gegeven aan dienstinstructies. Verweerder mocht daarom op grond van artikel 17 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) de bezoldiging van klager inhouden.

Wat zegt de wet en/of beleid over het reintegratietraject en het “no work, no pay”-beginsel?

Op grond van artikel 17, tweede lid van de Lma ontvangt de ambtenaar over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, geen bezoldiging. (“no work, no pay”-beginsel).

In de circulaire van 14 december 2022, inhoudende het beleid over het reactiveren van non-actieven met verplicht karakter staat – voor zover hier van belang - het volgende:

“(…)

Onderhavig beleid is erop gericht om de overtolligheidspoule binnen het jaar af te schaffen. Hiertoe zullen non-actieve ambtenaren twee passende functies aangeboden worden. Indien plaatsing niet lukt of de non-actieve ambtenaar niet meewerkt, volgt ontslag. (…)

Een beperkt aantal ambtenaren verricht feitelijk langdurig geen werkzaamheden, maar zit met behoud van bezoldiging thuis, zonder dat zij nochtans enige vorm van vrijstelling van dienst met behoud van inkomen genieten. Deze ambtenaren zitten in de zogenaamde overtolligheidspoule: zij behoren te werken, maar omwille van diverse omstandigheden is dat niet het geval.

Zowel om redenen van budgettaire aard als om redenen van goed werkgeverschap, kan Land Aruba de overtolligheidspoule niet langer in stand houden. Om deze redenen wordt beleid ontwikkeld om non-actieve ambtenaren te reactiveren, al dan niet binnen de overheidsdienst.

Toepassingsgebied

Het beleid is van toepassing op alle non-actieve ambtenaren. Onder non-actieve ambtenaren worden begrepen ambtenaren die langer dan drie maanden geen werkzaamheden verrichten ten behoeve van Land Aruba maar wel bezoldiging ontvangen. Dit zonder dat zij een van de vrijstellingen van dienst met behoud van inkomen genieten, zoals vermeld in de Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (AB 1998 no. GT 22), noch geschorst zijn op grond van artikel 87 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht.

(…)

Reactiveringstraject: binnen of buiten de overheid

Ambtenaren die onder het toepassingsgebied vallen, worden geïnformeerd dat zij een verplicht reactiveringstraject moeten volgen, waarbij zij geïnformeerd worden over de gevolgen ervan.

(…)

Begeleiding van het DRH

Hoewel de non-actieve ambtenaar zelf verantwoordelijk is voor zijn re-activatie, ontvangt hij in het kader van goed werkgeverschap begeleiding van het DRH.

De ambtenaar wordt in de brief waarbij hij geïnformeerd wordt dat het reactiveringstraject gestart is en hij binnen de twaalf maanden tewerkstelling moet vinden, uitgenodigd voor een eerste verplicht begeleidings- en re-integratiegesprek.

(…)

Gevolgen van niet meewerken aan het reactiveringstraject

De non-actieve ambtenaar wordt betaald door Land Aruba en is verplicht om zijn volledige medewerking te verlenen aan zijn reactivering en de begeleiding van het DRH. Laat de non-actieve ambtenaar na dit te doen, zijn er gevolgen aan verbonden:

No work, no pay indien de non-actieve ambtenaar zich niet dagelijks (tijdig) meldt of niet (tijdig) komt opdagen voor een opvolgingsgesprek. (…);

(…)”.

De beoordeling

In deze procedure staat vast, dat klager niet heeft voldaan aan de oproepingen voor het verplichte gesprek in het kader van zijn re-integratietraject. Net als de Raad acht ook het gerecht wat betreft de oproepingen, de door klager aangevoerde redenen waarom hij hiervan niet (tijdig) op de hoogte was niet geloofwaardig. Van eigen initiatieven om weer actief te worden is ook in deze procedure niet gebleken. Van klager die sinds januari 2006, met een onderbreking van bijna vier jaar, non-actief was met behoud van salaris, mocht evenwel volledige medewerking worden verwacht aan zijn reactivering, te meer nu hij was gewaarschuwd dat het niet meewerken zou kunnen leiden tot onder andere inhouding van zijn bezoldiging (“no work, no pay”).

Door opzettelijk geen gevolg te geven aan de dienstopdrachten gegeven bij de oproepingen, heeft klager het ten aanzien van hem verplichte re-integratietraject belemmerd en zodoende in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nagelaten zijn dienst te verrichten. Op grond van artikel 17, tweede lid van de Lma ontvangt klager gedurende de periode waarin hij in strijd met zijn verplichtingen nalaat zijn dienst te verrichten, geen bezoldiging. Deze bepaling betreft een zogeheten gebonden bevoegdheid, neergelegd in een wet in formele zin. Zodra aan de voorwaarden van het artikel is voldaan, volgt de inhouding op het salaris van de ambtenaar. De rechter mag zich dan ook niet mengen in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken van Curaçao, ECLI:ORBAACM:2025:9, overweging 4.8). Dit betekent dat klager terecht vanaf 17 februari 2023 tot aan de datum van zijn ontslag geen bezoldiging heeft ontvangen.

7. De slotsom is dat het bezwaar ongegrond is.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken te Aruba, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend:

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.K. Engelbrecht

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?