GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het verzoek tot het treffen van een beslissing bij voorraad als bedoeld in artikel 94
van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Verzoeker],
wonend in Aruba,
VERZOEKER,
gemachtigde: mr. E. Duijneveld,
gericht tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. T. Loopstok (DWJZ).
INLEIDING
Verweerder heeft op de bezoldiging van verzoeker van december 2025 een bedrag van Afl. 531,44 ingehouden. Deze inhouding is vermeld op de loonstrook van klager van 16 december 2025 (bestreden beschikking).
Hiertegen heeft verzoeker op 7 januari 2026 bezwaar gemaakt bij het gerecht.
Op 8 januari 2026 heeft verzoeker verzocht een voorziening bij voorraad als bedoeld in artikel 94 van de La te treffen.
Op 6 februari 2026 heeft verweerder stukken ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 9 februari 2026, waar klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.
Hierna is de uitspraak terstond gedaan.
OVERWEGINGEN
Een verzoek om voorlopige voorziening kan worden toegewezen als redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de bestreden beschikking in de bodemprocedure in stand zal blijven en als ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk of noodzakelijk is. Het gerecht is van oordeel dat er aanleiding is tot het treffen van een voorziening bij voorraad. Het verzoek van verzoeker wordt dan ook gedeeltelijk toegewezen.
Het gerecht legt hierna dit oordeel uit. Het oordeel van het gerecht heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Wat is relevant om te weten?
Klager is ambtenaar en werkzaam bij de Departamento di Aduana (DAD).
Bij de uitbetaling van de bezoldiging van verzoeker in de maand december 2025 is een bedrag van Afl. 534,44 ingehouden onder vermelding “code 132 verzuim ambtenaren”.
Wat vindt klager?
4. Klager kan zich niet verenigen met de inhouding van zijn bezoldiging en voert aan dat verweerder heeft nagelaten een besluit te nemen op grond waarvan de inhouding zou plaatsvinden. Voorts stelt klager dat hij geen verzuim heeft gepleegd en dat verweerder niet heeft aangegeven wanneer een dergelijk verzuim zou hebben plaatsgevonden.
Ter zitting heeft verzoeker aangevoerd dat er sprake is van spoedeisend belang, nu hij verplichtingen heeft in de vorm van vaste maandelijkse lasten.
Wat vindt verweerder?
5. Verweerder heeft aangevoerd dat het verzoek dient te worden afgewezen, omdat geen sprake is van een spoedeisend belang. Volgens verweerder is er geen dreigend nadeel, nu niet is gebleken dat verzoeker in een acute financiële noodsituatie is gekomen, temeer daar ambtenaren in de eerste week van januari 2026 een extra toelage ontvangen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder bovendien aangevoerd dat waarschijnlijk het volledige bedrag reeds is ingehouden en dat er geen verdere inhoudingen zullen plaatsvinden.
Hoe oordeelt het gerecht?
6. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ziet op het ongedaan maken van reeds ingehouden salaris en op het voorkomen van verdere inhoudingen op de bezoldiging van verzoeker. Uit de overgelegde salarisstroken blijkt echter dat er inmiddels twee inhoudingen hebben plaatsgevonden, namelijk in de maand van december 2025 en in januari 2026. Dat verzoeker reeds door deze inhoudingen in een financiële noodsituatie is komen te verkeren acht het gerecht niet aannemelijk geworden, zodat met betrekking tot die inhoudingen geen voldoende spoedeisend belang bestaat tot het treffen van een voorziening bij voorraad. Nu verweerder ter zitting echter geen zekerheid kon verschaffen omtrent mogelijke toekomstige inhoudingen, kan niet worden uitgesloten dat een financiële noodsituatie alsnog kan ontstaan. In aanmerking genomen verder dat verweerder evenmin duidelijkheid kon verschaffen of, en zo ja met welke inhoud een schriftelijk besluit is genomen, dat ten grondslag dient te liggen aan een inhouding als hier aan de orde, ziet het gerecht, ter voorkoming van verder nadeel aan de kant van verzoeker, voor de toekomst een voorziening bij voorraad te treffen in die zin dat verweerder geen verdere inhoudingen op de bezoldiging van verzoeker zal verrichten, zolang niet op het bezwaar is beslist.
7. Het gerecht ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van verzoeker. In dit geval geldt een tarief van Afl. 700,- per procespunt x 2..
8. Gelet op het vorenstaande zal het gerecht het verzoek als volgt toewijzen.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- treft een voorziening bij voorraad in die zin dat verweerder geen verdere inhoudingen op de bezoldiging van verzoeker zal verrichten, zolang niet op het bezwaar van verzoeker is beslist.,
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door verzoeker voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-.
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken in raadkamer op 9 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorziening bij voorraad kan geen hoger beroep worden ingesteld.