HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[Klager],
wonende in Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: mr. F.B. Ras,
tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. T. Loopstok (DWJZ).
INLEIDING
Bij landsbesluit van 23 mei 2025 no. 9 (bestreden landsbesluit) heeft verweerder besloten om klager voor het kalenderjaar 2023 een gratificatie ter grootte van Afl. 500,- toe te kennen en het voorstel van de ambtenaar, belast met de leiding van het Bureau Guarda Nos Costa (GNC) van 25 oktober 2023 inzake het toekennen van een wachtcommandanttoelage aan klager met ingang van 1 januari 2023 tot 1 november 2023 af te wijzen.
Klager heeft tegen dit bestreden landsbesluit op 16 september 2025 bezwaar gemaakt bij het gerecht.
Op 12 november 2025 heeft verweerder een contramemorie met stukken ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 9 februari 2026. Klager en zijn gemachtigde zijn daarbij verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
De feiten
Klager is als ambtenaar werkzaam bij het Bureau Guarda Nos Costa (BGNC) in de functie van medewerker vreemdelingentoezicht.
Op 13 februari 2019 heeft klager een verzoek ingediend om plaatsing in de functie van ploegleider en om bevordering naar schaal 8.
Verweerder heeft dit verzoek op 2 september 2022 afgewezen.
Op 25 oktober 2023 heeft de ambtenaar belast met de leiding van GNC verzocht om klager een wachtcommandanttoelage toe te kennen.
Het Departamento Recurso Humano (DRH) heeft op 14 maart 2025 geadviseerd om aan klager een gratificatie van Afl. 500,- toe te kennen en het voorstel van 25 oktober 2023 af te wijzen.
Bij het bestreden landsbesluit heeft verweerder conform het advies van DRH besloten.
De standpunt van verweerder
Aan het bestreden landsbesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat een wachtcommandanttoelage bedoeld is voor politiefunctionarissen van het Korps Politie Aruba (KPA) die de functie van wachtcommandant uitoefenen. De aard en de complexiteit van de werkzaamheden van een wachtcommandant bij het KPA zijn groter, waardoor deze niet vergelijkbaar zijn met die bij GNC. Klager bekleedt de functie van medewerker vreemdelingentoezicht. Door een tekort aan ploegleiders en/of afwezigheid wegens vakantie of ziekte wordt gerouleerd binnen de ploegen, waarbij een aantal medewerkers vreemdelingentoezicht wordt aangewezen om als ploegleider te fungeren. Inmiddels zijn drie formatieplaatsen van de functie van ploegleider ingevuld, waardoor waarneming nog slechts in bijzondere gevallen plaatsvindt. Gelet op het bovenstaande komt klager niet in aanmerking voor wachtcommandanttoelage. Voor de periode waarin klager de functie heeft waargenomen, komt hij wel in aanmerking voor een gratificatie.
In de contramemorie heeft verweerder hier nog aan toegevoegd dat binnen GNC geen wachtcommandanttoelage bestaat maar wel een ploegcommandanttoelage. Die is echter bedoeld voor degenen die formeel als ploegleider zijn aangesteld. Nu klager die functie slechts heeft waargenomen en niet aantoonbaar de feitelijke taken heeft vervult die bij die functie horen, komt hij niet voor deze toelage in aanmerking. Verweerder heeft wel in overweging genomen om klager in aanmerking te laten komen voor een waarnemingstoelage op grond van artikel 26 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) maar vanwege het tijdsverloop en het ontbreken van voldoende concrete informatie over de exacte duur en omvang van de waarneming is besloten om klager in plaats daarvan een gratificatie toe te kennen.
Waarom kan klager zich niet verenigen met het bestreden landsbesluit?
4. Klager kan zich niet verenigen met het bestreden landsbesluit en voert aan dat hij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2022 en van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 structureel en zelfstandig als ploegleider heeft gefunctioneerd. Volgens klager is hem ten onrechte geen waarnemingstoelage toegekend, ondanks het feit dat hij deze functie gedurende genoemde perioden zonder formele benoeming heeft uitgeoefend. Voorts stelt klager aan dat hij beschikt over voldoende opleiding en ervaring om de functie naar behoren te vervullen en dat hij steeds gunstige beoordelingen van zijn leidinggevenden heeft ontvangen.
Tevens voert hij aan dat het onjuist is dat de wachtcommandanttoelage uitsluitend voor politiefunctionarissen zou gelden. Artikel 26 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) maakt geen onderscheid tussen politieambtenaren en andere ambtenaren. Klager is buitengewoon agent van politie, beschikt over opsporingsbevoegdheid en is bij landsbesluit belast met het toezicht op de naleving van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu). De aard en complexiteit van zijn werkzaamheden als ploegleider bij GNC zijn volgens klager vergelijkbaar met die van een ploegcommandant bij het KPA.
Waarover gaat het geschil?
5. Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder op goede gronden het verzoek van klager om hem een wachtcommandanttoelage toe te kennen heeft afgewezen en in plaats daarvan heeft volstaan met het toekennen van een gratificatie van Afl. 500,-.
Wat staat in de wet?
Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Lma wordt, indien een wettelijke regeling continuïteit in de vervulling van een ambt veronderstelt en tot dat ambt niet meer ambtenaren zijn aangesteld, die het geheel of gedeeltelijk kunnen waarnemen, dan wel indien het belang van de dienst dit vordert, de daartoe in aanmerking komende ambtenaar door het bevoegde gezag met de tijdelijke waarneming van dat ambt belast, al dan niet met ontheffing uit zijn eigenlijke betrekking.
Ingevolge het tweede lid 2 heeft de ambtenaar die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid is belast met de tijdelijke waarneming van een ambt, dat in belangrijkheid en verantwoordelijkheid aanmerkelijk uitgaat boven het eigenlijke ambt van de ambtenaar, over de tijd der waarneming aanspraak op toekenning door de betrokken minister van een toelage boven zijn eigen bezoldiging, ten bedrage van het verschil tussen de bezoldiging, welke hij zou genieten, ware hij definitief benoemd in het ambt dat hij waarneemt, en zijn eigen bezoldiging, met inachtneming van de bepalingen betreffende persoonlijke toelage(n) indien de waarneming: a. 30 dagen of langer onafgebroken heeft geduurd; b. in een tijdvak van zes maanden in totaal gedurende 30 dagen of langer heeft geduurd; c. in een tijdvak van twaalf maanden in totaal 60 dagen of langer heeft geduurd.
Ingevolge artikel 75, eerste lid, gelezen in verbinding met het tweede lid onder b van de Lma kan de ambtenaar wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichting door het bevoegde gezag worden beloond met een gratificatie, die in een kalenderjaar niet meer zal mogen bedragen dan een som gelijk aan het per maand genoten inkomen.
Bij circulaire van 29 september 2006 is, ter zake van de toepassing van bovenbedoeld artikel, het gratificatiebeleid vastgelegd. Conform dit beleid wordt een gratificatie toegekend bij de volgende gevallen:
1. een ambtsjubileum;
2. loffelijke dienstverrichting, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen;
3. waarneming wanneer het gaat om waarnemingen van schaal 7 en lager welke dus niet in aanmerking komen voor een waarnemingstoelage ingevolge artikel 26 LMA, waarbij een bedrag wordt toegekend ter hoogte van maximaal Afl. 500,- per kalenderjaar.
De beoordeling
De weigering van verweerder om aan klager, wegens het waarnemen van de functie van ploegleider geen waarnemingstoelage en/of wacht- dan wel ploegcommandanttoelage toe te kennen, is, zo begrijpt het gerecht, gegrond op het ontbreken van voldoende concrete gegevens over de exacte duur en de omvang van de waarneming door klager van de functie van ploegleider. Gelet op het ontbreken van deze gegevens heeft verweerder daarom volstaan met het toekennen van een eenmalige gratificatie van Afl. 500,-. Op welke wijze verweerder heeft gepoogd om die gegevens te verkrijgen is uit de stukken en verhandelde ter zitting niet duidelijk geworden. Het ligt op de weg van verweerder om daarnaar zorgvuldig onderzoek te verrichten. Klager heeft in dit verband naar voren gebracht dat verweerder een en ander had kunnen verifiëren mede aan de hand van de werkroosters. Verweerder heeft dit niet weersproken. Door dit na te laten en slechts te verwijzen naar het tijdsverloop en het ontbreken van voldoende informatie omtrent de waargenomen dagen en perioden, heeft verweerder niet de vereiste zorgvuldigheid betracht.
8. Het bezwaar is gegrond. Het bestreden landsbesluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing dienen te nemen.
Proceskosten
9. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt het bestreden landsbesluit van 23 mei 2025;
- draagt verweerder op om binnen een termijn van twee maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuw besluit nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.