HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van de
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Klaagster],
wonend in Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee,
gericht tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).
INLEIDING
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klaagster gericht tegen het landsbesluit van 6 februari 2025 (het bestreden landsbesluit). Klaagster heeft op 29 april 2025 het bezwaar bij het gerecht ingediend en de gronden daarvan op 9 juli 2025 aangevuld.
Verweerder heeft op 23 september 2025 een contramemorie ingediend.
Het gerecht heeft het bezwaar behandeld ter zitting van 3 november 2025. Klaagster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is nader bepaald op heden.
BEOORDELING
Het gerecht is van oordeel dat het bezwaar van klaagster ongegrond dient te worden verklaard.
Het gerecht legt hierna dit oordeel uit.
Wat is relevant om te weten?
Klaagster is als ambtenaar werkzaam bij het Departamento di Aduana (DAD).
Bij landsbesluit van 26 juli 2013 is klaagster als medewerker data-entry met ingang van 1 juli 2011 bevorderd naar de rang van klerk (schaal 3, dienstjaar 10).
In de periode van november 2009 tot oktober 2016 heeft appellante daarnaast af en toe kassierswerkzaamheden verricht. Zij ontving daarvoor per dag waarop zij dat werk deed een kassierstoelage.
Per 1 maart 2014 is de functie van medewerker data-entry komen te vervallen.
Klaagster is met ingang van 1 oktober 2016 bevorderd naar de rang van klerk 1ste klasse (schaal 4, dienstjaar 8). Deze beslissing is vastgelegd bij landsbesluit van 5 oktober 2023 no. 22.
Het Departamento Recurso Humano (DRH) heeft bij brief van 25 november 2024 geadviseerd om klaagster met ingang van 1 december 2019 te ontheffen uit de functie van medewerker data-entry en haar te plaatsen in de functie van administratief medewerker. In dat advies staat – voor zover hier relevant – het volgende:
“(…)
Gelet op het feit dat betrokkene vanaf 1 maart 2014 is “blijven zweven” in haar functie als medewerker data-entry daar deze functie is komen te vervallen, dient betrokkene in een andere functie geplaatst te worden. Daar het DAD heeft aangegeven dat betrokkene met ingang van 1 december 2019 belast is met de administratieve werkzaamheden van de sectie haven en techniek, zal geadviseerd worden om betrokkene met ingang van 1 december 2019 te plaatsen in deze functie.
Opgemerkt zij dat recent geadviseerd is inzake haar bevordering naar schaal 4. Zij is bij landsbesluit (…) op 1 oktober 2016 bevorderd naar schaal 4. Betrokkene kan vervolgens bij goed functioneren met ingang van 1 oktober 2020 bevorderd worden naar schaal 5, welke binnen de 3 jaar terugwerkend periode valt en eventueel toegekend kan worden.
(…)”
Bij het bestreden landsbesluit heeft verweerder, conform het advies van de DRH, klaagster per 1 december 2019 ontheven uit de functie van medewerker data-entry en geplaats in de functie van administratief medewerker bij DAD.
Het bezwaar van klaagster richt zich tegen voornoemde plaatsingsdatum.
Waarom kan klaagster zich niet verenigen met het bestreden landsbesluit?
4. Klaagster kan zich niet verenigen met het bestreden landsbesluit, omdat naar haar mening het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel daarbij zijn geschonden. Zij stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd welke functie zij in de periode van 1 maart 2014 tot en met 30 november 2019 heeft bekleed. Voorts is zij van mening dat zij per 1 maart 2014 in de functie van administratief medewerker had moeten worden geplaatst, nu de functie van medewerker data-entry per die datum formeel is komen te vervallen. Zij benadrukt dat het uitblijven van correctie van de plaatsingsdatum ertoe leidt dat haar loopbaan als administratief medewerker eerst in 2019 is aangevangen, met als gevolg dat zij eerst in 2023 aanspraak zal kunnen maken op bevordering naar schaal 5. Aldus zijn haar carrièregroeimogelijkheden wegens de onjuiste plaatsingsdatum onterecht vertraagd.
Wat is het standpunt van verweerder?
5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Daartoe voert hij aan – kort samengevat – dat klager pas per 1 december 2019 is aangevangen met de werkzaamheden behorende bij de functie van administratief medewerker en daarom niet eerder in die functie kan worden geplaatst.
Wat vindt het gerecht?
In geschil is de vraag of verweerder de plaatsing van klager in de functie van administratief medewerker terecht op 1 december 2019 heeft bepaald.
De Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (de Raad) is in zijn uitspraak van 12 december 2022 (ECLI:NL:ORBAACM:2022:104), uitgaande van hetgeen door klaagster is gesteld, tot het oordeel gekomen dat klaagster, nadat haar functie van medewerker data- entry in 2014 was komen te vervallen, diverse administratieve en dienstverleningswerkzaamheden heeft verricht bij het DAD, en dat zij eerst in 2019 volledig is belast met administratieve werkzaamheden bij de Sectie Haven (en Techniek). De Raad heeft daarbij geoordeeld dat verweerder klaagster vanaf 2014 als het ware heeft laten “zweven”, terwijl zij onmiskenbaar werkzaamheden is gaan verrichten waarvan de zwaarte weliswaar niet volledig overeenkomt met het geheel van werkzaamheden behorend bij de functie van administratief medewerker met een maximumschaal 5, maar die wel een bevordering naar schaal 4 (klerk 1ste klasse) rechtvaardigen.
Het gerecht gaat er in deze zaak eveneens van uit dat de zwaarte van de door klaagster verrichte werkzaamheden in de periode vóór 1 december 2019 niet volledig overeenkomt met die van een administratief medewerker. Nieuwe feiten of omstandigheden waaruit het tegendeel zou blijken, zijn niet aangevoerd. Dat de functie van data-entry per 1 maart 2014 is komen te vervallen en nadien formeel niet meer bestond, heeft weliswaar tot gevolg gehad dat klaagster is blijven “zweven”. Deze omstandigheid brengt, hoezeer zij ook niet wenselijk is vanuit rechtspositioneel oogpunt, echter niet mee dat klaagster per die datum in de functie van administratief medewerker had moeten worden geplaatst.
Wat betreft het betoog van klaagster dat haar carrièregroeimogelijkheden onterecht worden vertraagd, verwijst het gerecht naar het advies van het DRH van 25 november 2024 (zie overweging 3.6). Mits aan de bevorderingsvereisten wordt voldaan, kan klaagster met ingang van 1 oktober 2020 worden bevorderd naar schaal 5.
De conclusie luidt derhalve dat verweerder met juistheid de plaatsing van klaagster in de functie van administratief medewerker per 1 december 2019 heeft vastgesteld. Van schending van het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel is niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
7. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.