HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[Klager],
wonende in Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: mr. F.B. Ras,
tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. T. Loopstok (DWJZ).
INLEIDING
Bij landsbesluit van 4 augustus 2025 no. 1 (bestreden landsbesluit) heeft verweerder het verzoek van klager om te worden benoemd in de functie van ploegleider bij het Bureau Guard Nos Costa (GNC) afgewezen.
Klager heeft tegen het bestreden landsbesluit op 22 september 2025 bezwaar gemaakt bij het gerecht.
Op 12 november 2025 heeft verweerder een contramemorie met stukken ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 9 februari 2026. Klager en zijn gemachtigde zijn daarbij verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
De feiten
Klager is als ambtenaar werkzaam bij (GNC) in de functie van medewerker vreemdelingentoezicht.
Op 13 februari 2019 heeft klager een verzoek ingediend om plaatsing in de functie van ploegleider en om bevordering naar schaal 8.
Verweerder heeft dit verzoek op 2 september 2022 afgewezen.
Daartegen heeft klager op 27 september 2022 bezwaar gemaakt bij het gerecht.
Bij uitspraak van 26 april 2023 (AUA202203337) heeft het gerecht het bezwaar van klager gegrond verklaard, de beschikking van 2 september 2022 vernietigd en verweerder opgedragen om binnen een termijn van drie maanden opnieuw te beslissen op het verzoek van klager om hem te benoemen in de functie van ploegleider en hem te bevorderen naar schaal 8.
Bij e-mailbericht van 24 oktober 2023 heeft de werving- en selectiecommissie van Departamento Recurso Humano (hierna: commissie DRH) aan klager bericht dat de keuze voor de functie van ploegleider niet op klager is gevallen. Klager heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak van 28 oktober 2024 (AUA202304011) heeft het gerecht het bezwaar van klager gegrond verklaard en de in voornoemd e-mailbericht vervatte beslissing van 24 oktober 2023 vernietigd. In deze uitspraak heeft het gerecht het volgende overwogen:
“(…)
Bij uitspraak van het gerecht van 26 april 2023 (AUA202203337) heeft het gerecht verweerder opgedragen om opnieuw te beslissen op het verzoek van klager om hem te benoemen in de functie van ploegleider. Het gerecht stelt vast dat verweerder tot op heden geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van het gerecht van 26 april 2023 (AUA202203337). Klager heeft dus nog immer geen beslissing van de gouverneur over zijn verzoek.
Wel heeft klager ontvangen de mail van 24 oktober 2023 afkomstig van de commissie DRH. In dit e-mailbericht wordt klager meegedeeld dat zijn verzoek is afgewezen. Het bezwaar van klager is gericht tegen deze mail. Aan de beslissing neergelegd in dit e-mailbericht kleven twee gebreken.
Ten eerste. Genoemde commissie is niet het bevoegd gezag, dat is de gouverneur. Bij uitspraak van het gerecht van 26 april 2023 (AUA202203337) heeft het gerecht de gouverneur opgedragen om opnieuw te beslissen inzake de benoeming van klager in de functie van ploegleider. De bestreden afwijzing in het e-mailbericht van 24 oktober 2023 is niet afkomstig van het bevoegd gezag en dus onbevoegdelijk genomen.
Ten tweede. De beslissing neergelegd in het e-mailbericht van 24 oktober 2023 is niet voorzien van een deugdelijke en draagkrachtige motivering en daarmee genomen in strijd met het motiveringsbeginsel.
Het motiveringsgebrek wordt niet geheeld door de inhoud van het op de dag van de zitting door een HR-medewerkster van DRH aan de gemachtigde van verweerder verzonden e-mailbericht d.d. 15 april 2024. In dat e-mailbericht wordt klager aangerekend dat hij te vaak of onnodig ‘warnings’ zou geven, hetgeen er op zou duiden dat klager over onvoldoende leidinggevende capaciteiten beschikt, en weinig overtuigingskracht en onvoldoende samenwerkingsvermogen zou hebben. Om die reden zou hij niet de meest geschikte kandidaat zijn om de opengestelde functie van ploegleider te vervullen. Klager heeft aangevoerd dat hij in het kader van deze procedure wordt geconfronteerd met kritiek op zijn functioneren als ploegleider, een functie die hij al vele jaren waarneemt, terwijl die kritiek nimmer is geuit in het kader van de met hem gehouden functioneringsgesprekken. Klager heeft verslagen van op 23 oktober 2020, 18 februari 2021, 1 juli 2021 en 21 mei 2022 gehouden functioneringsgesprekken overgelegd, waarin louter positieve beoordelingen zijn opgenomen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan de in het e-mailbericht van 15 april 2024 neergelegde kritiek op klagers functioneren dan ook niet worden geplaatst en is deze onvoldoende om het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen.
3. Om bovengenoemde redenen is het bezwaar gegrond en zal de bestreden afwijzende beslissing worden vernietigd.
Wat betekent dit voor partijen?
4. Voor verweerder betekent deze uitspraak dat alsnog een besluit moet worden genomen op het verzoek van klager om hem te benoemen in de functie van ploegleider en te bevorderen naar de bijbehorende schaal 8. Ter voorlichting van klager merkt het gerecht op dat verweerder daarbij rekening moet houden met de inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. Zo is op de vacature voor ploegleider van juni 2023 ondertussen een andere persoon benoemd. Die vacature is dus vervuld. Klager kan met deze procedure niet bereiken dat de benoeming van die persoon wordt teruggedraaid. Dat is ook niet waar klager op uit is. Het gerecht begrijpt klagers betoog zo dat hij een faire kans wil om als ploegleider te worden benoemd, de functie die hij inmiddels al vele jaren als waarnemer vervult. Gelet daarop is het gerecht van oordeel dat verweerder moet bezien of klager alsnog in aanmerking kan komen voor een functie van ploegleider. Daarvoor moet wel een functie van ploegleider vacant zijn of komen. In dat kader is mogelijk relevant dat enkele personen die zijn benoemd als ploegleider binnen de dienst andere functies vervullen. Als die personen in andere functies worden benoemd, dan ontstaan er nieuwe vacatures voor ploegleider. Klager moet de kans krijgen daarvoor in aanmerking te komen. Los daarvan dient verweerder te beoordelen of klager in aanmerking kan komen voor een waarnemingstoelage op grond van artikel 26 van het Landsbesluit materieel ambtenarenrecht.
(…)”
Met het bestreden landsbesluit heeft verweerder beoogd met inachtneming van de uitspraak van 28 oktober 2024 alsnog te beslissen op het sollicitatieverzoek van klager .
De standpunt van verweerder
3. Aan het bestreden landsbesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het sollicitatiegesprek is gebleken dat klager beschikt over voldoende vakinhoudelijke kennis van het werkveld, maar dat deze vaardigheden onvoldoende aansluiten bij de combinatie van leiderschaps-, management- en strategische competenties die voor deze functie vereist zijn. De functie van ploegleider is een cruciale rol binnen de organisatie, waarin vanaf de eerste dag volledige beheersing van de vereiste leiderschapskwaliteiten noodzakelijk is. Het gevolg is dat de keuze op een andere, geschiktere kandidaat is gevallen.
Waarom kan klager zich niet verenigen met het bestreden landsbesluit?
4. Klager kan zich niet verenigen met het bestreden landsbesluit en voert aan dat hij geen eerlijke kans heef gekregen om in de functie van ploegleider te worden benoemd, nu hij die functie jarenlang heeft waargenomen. Verder stelt hij dat hij meerdere opleidingen en cursussen heeft gevolgd dan de andere kandidaten. De andere sollicitanten maken deel uit van zijn ploeg en zijn door klager opgeleid. Klager beschikt als buitengewoon agent van politie over een opsporingsbevoegdheid en is bij landsbesluit belast met toezicht op de naleving van de Landsverordening toelating en uitzetting, een bevoegdheid die de andere kandidaten niet bezitten.
Waarover gaat het geschil?
5. Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder op goede gronden het verzoek van klager om hem te plaatsen in de functie van ploegleider heeft afgewezen.
De beoordeling
Het gerecht stelt vast dat het in de uitspraak van 28 oktober 2024 geconstateerde bevoegdheidsgebrek bij het bestreden landsbesluit is hersteld. De motivering van de keuze voor een andere kandidaat boven klager is naar het oordeel van het gerecht echter wederom zeer summier en daarmee gebrekkig. Het bestreden landsbesluit bevat op dit punt geen wezenlijk andere redenen dan de mede op die grond vernietigde beschikking van 24 oktober 2023. Het bezwaar is daarom gegrond en het bestreden landsbesluit dient te worden vernietigd.
Het gerecht ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 87 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak de nietigheid van het bestreden landbesluit voor gedekt te verklaren. Vast staat immers dat binnen de GNC nog steeds geen nieuwe vacature voor een ploegleider is ontstaan. Evenmin is gebleken dat daar op korte termijn verandering in komt. Nu de benoeming van een andere persoon in de oorspronkelijke vacature niet meer ongedaan kan worden gemaakt en verweerder wel gehouden is om alsnog een beslissing te nemen op klagers sollicitatie, kan die beslissing op dit moment niet anders inhouden dan dat klager niet in de door hem geambieerde functie kan worden benoemd.
Het gerecht begrijpt dat dit een voor klager onbevredigende uitkomst van deze procedure is. Het gerecht wenst wel te benadrukken dat, indien zich wederom een vacature voor ploegleider voordoet en klager daarop solliciteert, verweerder niet lichtvaardig aan klager voorbij kan gaan en de overwegingen (met name ro. 2.5 en ro. 4) uit de uitspraak van 28 oktober 2024 ter harte dient te nemen.
Proceskosten
7. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt het bestreden landsbesluit van 4 augustus 2025;
- verklaart de nietigheid voor gedekt.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.