ECLI:NL:OGAACMB:2026:31

ECLI:NL:OGAACMB:2026:31

Instantie Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer CUR202500055 en CUR202500668
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Disciplinair ontslag en subsidiair ongeschiktheidsontslag van diensthoofd Veterinaire Zaken. Ten aanzien van het disciplinair ontslag verwijt de Regering klager onder meer dat hij een met de wettelijke regels strijdig beleid heeft gevoerd bij de invoer van onder andere kleine honden en onvoldoende heeft gezorgd voor duidelijke informatievoorziening rondom de invoer van dieren. Dit heeft geleid tot het laten inslapen van twee puppy’s, waarbij klager als leidinggevende vooraf heeft ingestemd met de door de dienstdoende dierenarts voorgestelde handelwijze. Daarnaast verwijt de Regering hem nevenwerkzaamheden, belangenverstrengeling en administratieve onregelmatigheden. Het Gerecht oordeelt dat niet is komen vast te staan dat sprake is van plichtsverzuim dat een disciplinair ontslag rechtvaardigt. Verder oordeelt het Gerecht dat ook voor het ongeschiktheidsontslag geen grond aanwezig was. Niet is gebleken dat de Regering klager heeft aangesproken op zijn functioneren en al helemaal niet dat hem een verbeterkans is gegeven. Het ontslagbesluit wordt vernietigd.

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

uitspraak

in het verzoek om een beslissing bij voorraad en het bezwaar van:

[Klager],

wonende in Curaçao,

klager tevens verzoeker,

hierna: klager,

gemachtigde: mr. M.F. Bonapart, advocaat,

tegen

de Regering van Curaçao,

verweerster,

hierna: de Regering,

gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols, advocaat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar (hierna: het bezwaar, zaaknummer GAZ CUR202500055) van klager tegen het landsbesluit d.d. 13 december 2024 (hierna: het ontslagbesluit) en het verzoek van klager om een beslissing bij voorraad (hierna: het verzoek, zaaknummer GAZ CUR202500668). Op grond van het ontslagbesluit is klager primair disciplinair en subsidiair wegens functionele ongeschiktheid ontslagen.

Klager heeft het bezwaarschrift aangevuld en heeft aanvullende producties ingediend. Ook heeft klager een aantal verzoeken ingediend bij het Gerecht.

De Regering heeft een contramemorie ingediend.

Het Gerecht heeft, mede in verband met de door klager ingediende verzoeken, op 28 maart 2025 een regiezitting gehouden om met partijen afspraken te maken over de indiening van nadere stukken. Klager en beide gemachtigden waren hierbij aanwezig.

Beide partijen hebben na deze zitting nadere stukken ingediend. Ook heeft klager een verzoek om een getuigenverhoor bij het Gerecht ingediend.

Het Gerecht heeft het bezwaar en het verzoek op 2 februari 2026 inhoudelijk ter zitting behandeld. Ook op deze zitting waren klager en beide gemachtigden aanwezig. Verder waren ook aanwezig als publiek [assistente] (assistente van mr. Bonapart), [ex-collega] (ex-collega van klager) en haar moeder.

Overwegingen

2. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht of het ontslagbesluit in stand kan blijven en of het verzoek dient te worden toegewezen. Het Gerecht komt tot de conclusie dat het bezwaar gegrond is en dat het ontslagbesluit dient te worden vernietigd. Het verzoek zal worden afgewezen. Hierna zal het Gerecht motiveren hoe hij aan dit oordeel komt. Het door het Gerecht bij de beoordeling toegepaste wettelijk kader is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

3. Klager is in 2013 aangesteld in de functie van Hoofd van Dienst-D bij de Uitvoeringsorganisatie Veterinaire Zaken (UOVZ) van het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur (GMN).

Op 25 juni 2023 heeft de dienstdoende dierenarts van de UOVZ (de dierenarts) twee puppy’s die op dezelfde dag op een vlucht uit de Dominicaanse Republiek op Curaçao waren aangekomen laten inslapen (het incident). De reden voor het laten inslapen was dat de dierenarts tot de conclusie was gekomen dat de door de eigenaren van de puppy’s overgelegde documenten niet in orde waren. Een bewijs van rabiësvaccinatie afkomstig van een door de UOVZ erkende Dominicaanse veterinaire autoriteit zou volgens de dierenarts ontbreken. Voordat ze tot het laten inslapen van de puppy’s is overgegaan, heeft ze telefonisch overleg gepleegd met klager, haar leidinggevende, over het betreffende geval. Klager was het eens met de door haar voorgenomen aanpak en was dus akkoord met het laten inslapen van de puppy’s.

De eigenaren van de puppy’s hebben hun boosheid over de gang van zaken op 25 juni 2023 kenbaar gemaakt aan de dierenarts. Op 26 juni 2023 hebben klager en de dierenarts met hen gesproken. In de media en op sociale media is veel aandacht aan het incident besteed. Het incident heeft geleid tot boosheid in de samenleving over het optreden van de UOVZ en heeft ook geleid tot veel kritiek vanuit de samenleving op het functioneren van klager als diensthoofd van de UOVZ.

De Regering heeft klager in juni 2023 de toegang tot zijn werkplek ontzegd en is een disciplinair onderzoek gestart naar de rol van klager bij het incident en ook zijn functioneren als diensthoofd van de UOVZ. Voor het uitvoeren van dit onderzoek heeft de Regering het bedrijf Forensic Caribbean (FC) ingehuurd, dat de resultaten van dat onderzoek in een rapport heeft vastgelegd.

De Regering heeft klager een voornemen tot ontslag uitgereikt waarop klager heeft gereageerd. In de reactie van klager heeft de Regering geen aanleiding gezien om af te zien van het voorgenomen ontslag.

Vanaf de ingangsdatum van de toegangsontzegging tot aan zijn ontslag heeft de Regering het klager niet toegestaan om zijn werkzaamheden te hervatten. Wel is het loon van klager tot aan zijn ontslag doorbetaald.

In het ontslagbesluit maakt de Regering meerdere verwijten aan klager en komt ze tot de conclusie dat klager zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Om die reden heeft ze klager met ingang van 13 december 2024 primair disciplinair en subsidiair wegens functionele ongeschiktheid ontslagen. Het Gerecht zal hierna de in het ontslagbesluit aan klager gemaakte verwijten beoordelen aan de hand van zijn verweer daartegen.

Verzoeken van klager

4. Voordat het Gerecht overgaat tot de beoordeling van het ontslagbesluit zal hij ingaan op de verzoeken die klager in het kader van deze procedure heeft gedaan.

Verzoek om een beslissing bij voorraad

Klager heeft een verzoek om een beslissing bij voorraad ingediend. Daarbij heeft hij het volgende verzocht:

- de Regering te bevelen om hem toegang te geven tot zijn (werk)computer en het archief van de UOVZ zodat hij over de voor hem vooral in verband met deze procedure van belang zijnde documenten kan beschikken;

- de Regering op te dragen een kopie van een advies te overleggen van de directeur van de Afdeling Personeelszaken van de Regering (Human Resource Organisatie) met betrekking tot het toen nog voorgenomen ontslag;

- de Regering te bevelen om zijn loon door te betalen;

- de Regering te veroordelen tot vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten.

Nu het Gerecht op het bezwaar zal beslissen, heeft klager geen belang meer bij de beoordeling van het verzoek. Daarom zal het Gerecht het verzoek en de verzochte proceskostenvergoeding afwijzen. Voor zover het verzoek strekte tot het overleggen van stukken, althans toegang tot de werkcomputer van klager en het archief van de UOVZ heeft klager deze verzoeken ook in het kader van het bezwaar gedaan. Daarom zal het Gerecht hierna ingaan op die verzoeken.

Verzoek om toegang tot de (werk)computer van klager en het archief van de UOVZ

Klager heeft het Gerecht verzocht om de Regering op te dragen hem toegang te geven tot zijn (werk)computer bij de UOVZ en ook tot het archief van de UOVZ. Partijen hebben hun standpunten hierover toegelicht. Het Gerecht is van oordeel dat klager onvoldoende heeft toegelicht dat hij ondanks de na de regiezitting door partijen ingediende stukken nog een voldoende belang heeft bij toewijzing van dit verzoek. Van een concreet en gerechtvaardigd belang is immers niet gebleken. Om die reden zal het Gerecht dit verzoek afwijzen.

Advies van de Afdeling Personeelszaken

Klager heeft het Gerecht verzocht om de Regering te bevelen een advies te overleggen van de directeur van de Afdeling Personeelszaken van de Regering (Human Resource Organisatie) met betrekking tot het toen nog voorgenomen ontslag. Volgens klager zou de conclusie van dat advies zijn dat hij niet moest worden ontslagen. Klager meent belang te hebben bij inzage in dat advies en stelt dat de Regering gehouden was om in het ontslagbesluit te motiveren waarom zij in afwijking van dat advies toch tot ontslag is overgegaan. De Regering heeft betwist dat dat advies bestaat.

Voor zover klager niet heeft beoogd ook dit verzoek in te trekken, overweegt het Gerecht ten aanzien daarvan het volgende. In het midden kan blijven of dat advies bestaat. Immers, anders dan klager stelt ontbreekt een wettelijke bepaling of jurisprudentie op grond waarvan de Regering gehouden is ambtelijke adviezen met betrekking tot door haar te nemen beslissingen over de rechtspositie van een ambtenaar aan die ambtenaar kenbaar te maken. Klager is er overigens niet in geslaagd voldoende toe te lichten dat hij een voldoende belang heeft bij kennisneming van het volgens hem bestaande advies. Zelfs als dat advies bestaat, kan het verzoek van klager om daarvan kennis te nemen daarom niet worden toegewezen. Verder ontbreekt een wettelijke bepaling of jurisprudentie op grond waarvan de Regering gehouden is in een door haar genomen besluit met betrekking tot een ambtenaar toe te lichten waarom zij afwijkt van ambtelijke adviezen die zijn opgesteld in het kader van de voorbereiding van dat besluit. Zelfs als het bedoelde advies zou bestaan, ontbreekt niet alleen de verplichting om het aan klager te overleggen maar ook de verplichting om in het ontslagbesluit te motiveren waarom daarvan wordt afgeweken. Dat de Regering in het ontslagbesluit geen melding heeft gemaakt van dat advies en het ook niet aan klager heeft verstrekt, kan dan ook, anders dan klager stelt, niet leiden tot vernietiging van het ontslagbesluit.

Verzoek om getuigenverhoor

Klager heeft het Gerecht verzocht om twee Nederlandse deskundigen als getuige te horen over de gevaren van rabiës en ter voorkoming van de verspreiding daarvan te treffen preventieve maatregelen met het oog op bescherming van de volksgezondheid. Ter zitting van 2 februari 2026 heeft klager dit verzoek ingetrokken. Het Gerecht hoeft daarom geen beslissing te nemen op dit verzoek.

Beoordeling van het ontslagbesluit

Het disciplinair ontslag

5. Naast de door partijen overgelegde stukken heeft het Gerecht partijen ter zitting van 2 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om zich uitvoerig uit te laten over de in het ontslagbesluit aan klager verweten feiten en gedragingen. Voordat het Gerecht overgaat tot het beoordelen van de in het ontslagbesluit vermelde verwijten ziet het Gerecht aanleiding om het volgende op te merken. Het is aan de Regering, die immers tot ontslag van klager is overgegaan, om de feiten en/of gedragingen die zij aan klager verwijt voldoende te onderbouwen met feitelijke gegevens. Dat betekent dat als klager betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan een bepaalde gedraging of betwist dat hij zich aan een bepaald feit schuldig heeft gemaakt en er onvoldoende feitelijke onderbouwing is van de verweten gedraging of feit, het Gerecht niet kan uitgaan van de juistheid van dat verwijt. Het Gerecht kan dan niet concluderen dat sprake is van plichtsverzuim.

Klager is primair disciplinair ontslagen. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Voor het kunnen opleggen van een disciplinaire straf wegens plichtsverzuim is voorts vereist dat het plichtsverzuim aan de betrokken ambtenaar kan worden toegerekend.

6. De Regering heeft in het ontslagbesluit onder meer het volgende aan klager verweten:

“dat het handelen van de Betrokkene naar aanleiding van een incident op 25 juni 2023 aangaande het laten inslapen van twee honden nader onder de aandacht is gekomen en verder is uitgelicht door Forensic Caribbean ('FC') middels een onderzoek;

dat uit het onderzoek is gebleken dat onder leiding van de Betrokkene onduidelijk en met de wet strijdig beleid is toegepast binnen de Uitvoeringsorganisatie Veterinaire Zaken, waardoor ten tijde van het voornoemde incident onder andere de informatie aangaande het invoeren van kleine honden voor betrokkenen niet kenbaar was;

dat naar aanleiding van het onduidelijke beleid en de slechte informatievoorziening op 25 juni 2023 twee hoogstwaarschijnlijk gezonde honden zijn ingeslapen door een medewerker van de Uitvoeringsorganisatie Veterinaire Zaken waarover de Betrokkene leiding had;

dat gedurende het voornoemde incident de eigenaren van de honden niet tot nauwelijks zijn ingelicht rondom het proces aangaande het invoeren van hun honden;

dat de Betrokkene het handelen zijdens de medewerker die heeft besloten om de twee honden te laten inslapen heeft onderschreven, waarbij door de Betrokkene is aangegeven dat conform beleid en als gebruikelijk is gehandeld;

dat de Betrokkene heeft verwezen naar artikel 5A van de Slacht- en Keuringsverordening 1933 ter verantwoording voor het afmaken van de twee honden;

dat artikel 5A van de Slacht- en Keuringsverordening 1933 op zichzelf geen enkele bevoegdheid aangaande het afmaken van dieren toekent;

dat het afmaken van dieren onder de Landsverordening kleine dieren een discretionaire bevoegdheid betreft en een enorme impact kan hebben op de eigenaren van dieren, waardoor een dergelijk besluit zorgvuldig moet worden gemotiveerd;

dat de Betrokkene wordt verweten onder zijn leiding te hebben verzuimd een transparant beleid voor de invoer van onder andere kleine honden tot stand te brengen, een effectieve informatievoorzienig aangaande de invoer van kleine dieren te bieden, een effectief communicatiebeleid met overige overheidsdiensten te implementeren en een proportioneel en evenredig beleid beschikbaar te hebben met betrekking tot het1aten inslapen van kleine dieren;

dat de Betrokkene door het voornoemde verzuim in strijd heeft gehandeld met de Landsverordening kleine dieren en de Landsverordening dierenwelzijn;

dat de Betrokkene daardoor tevens in strijd heeft gehandeld met artikel 45, lid 1, LMA door zijn plichten uit zijn ambt voortvloeiende niet nauwgezet en ijverig te vervullen en zich verder niet te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt;”

Samengevat weergegeven verwijt de Regering klager dus dat hij als diensthoofd heeft verzuimd een beleid voor de invoer van onder andere kleine honden vast te stellen dat in overeenstemming is met de wet en dat voldoet aan de eisen van proportionaliteit en evenredigheid. Voorts wordt klager verweten dat hij heeft nagelaten dat beleid voldoende kenbaar te maken aan het publiek en aan andere overheidsdiensten. Ook verwijt de Regering klager dat zijn nalaten geleid heeft tot de hoogstwaarschijnlijk onnodige dood van twee puppy’s op 25 juni 2023, mede omdat hij goedkeuring aan de dienstdoende dierenarts heeft gegeven om de hondjes te laten inslapen.

Wettelijke bevoegdheid voor het door klager ingevoerde inslaapbeleid?

Als wettelijke grondslag voor de bevoegdheid tot het laten inslapen van de puppy’s heeft klager verwezen naar artikel 5A van de Slacht- en Keuringsverordening 1933 terwijl, aldus de Regering, die bevoegdheid geenszins voortvloeit uit dat artikel. Met het goedkeuren van de door de dierenarts voorgestelde aanpak, namelijk de puppy’s te laten inslapen, heeft klager zich schuldig gemaakt aan schending van niet alleen de Slacht- en Keuringsverordening 1933 maar ook de Landsverordening kleine dieren en de Landsverordening dierenwelzijn. Gelet op deze schendingen heeft klager in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 45 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) en heeft hij daarmee plichtsverzuim gepleegd, aldus de Regering.

Klager heeft in dit verband, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Het ontbreken van een grondslag in de lokale wetgeving om een dier dat mogelijk met rabiës is besmet meteen, dus zonder het eerst in quarantaine te plaatsen, te laten inslapen neemt niet weg dat het onder omstandigheden gerechtvaardigd is om dat dier in te laten slapen. Volgens klager deden dergelijke omstandigheden zich voor in het geval van de puppy’s. Immers, de puppy’s konden niet meer teruggestuurd worden naar het land van herkomst en een quarantaine faciliteit die aan internationale veiligheidsnormen voldeed, ontbrak bij de UOVZ. Klager heeft uitgelegd dat het voorzien in een dergelijke quarantaine faciliteit een opgavenpost van meer dan Cg. 1.000.000,- per jaar oplevert op de begroting van de UOVZ. Dat bedrag stond volgens klager niet in verhouding tot het aantal gevallen per jaar waarin opvang in een dergelijke quarantaine faciliteit nodig zou zijn. Ook heeft klager verklaard dat hij ruim tien jaar geleden de kosten van een adequate quarantaine faciliteit heeft opgenomen op de begroting van de UOVZ maar dat deze kosten niet zijn goedgekeurd door de Regering. De UOVZ had dan ook niet de financiële middelen om de kosten gemoeid met een dergelijke quarantaine faciliteit te dragen. Klager heeft verder uitgelegd dat de Dominicaanse Republiek een hoog risico land is wat betreft rabiës waardoor hij en zijn collega, de dierenarts, geen risico’s wilden nemen met de puppy’s. Volgens klager was het laten inslapen van de puppy’s daarom de enige in overeenstemming met het geldende verdragenrecht en internationale normen correcte en verantwoorde oplossing met het oog op de bescherming van de volksgezondheid.

Het Gerecht oordeelt als volgt. De Regering heeft naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende betwist dat de op de UOVZ rustende taak van bescherming van de volksgezondheid een rechtvaardiging kan zijn voor het laten inslapen van dieren die een groot gevaar kunnen vormen voor de volksgezondheid hier te lande. Daarom kan het Gerecht niet concluderen dat klager plichtsverzuim heeft gepleegd ondanks dat dat beleid in strijd is met de lokale wetgeving. De Regering heeft gesteld dat rabiës niet voorkomt in het gebied in de Dominicaanse Republiek van waaruit de puppy’s zijn ingevoerd. Daarmee heeft zij echter niet betwist dat de Dominicaanse Republiek een hoog- risico land is wat betreft rabiës en dat dat dan ook terecht een afweging is geweest bij de beslissing om de puppy’s in te laten slapen. Dat sprake was van gebrekkige communicatie van de UOVZ met de eigenaren van de puppy’s neemt niet weg dat de UOVZ op de bewuste dag niet kon vaststellen of de puppy’s al dan niet besmet waren met rabiës. Immers, een rabiës vaccinatiebewijs afkomstig van een voor de UOVZ betrouwbare veterinaire autoriteit in de Dominicaanse Republiek ontbrak. Dat, terwijl een adequate quarantaine faciliteit ontbrak. Gelet op deze omstandigheden heeft de Regering onvoldoende betwist dat de bescherming van de volksgezondheid geen rechtvaardiging was om de puppy’s in te laten slapen. Aldus kan het Gerecht niet concluderen dat klager artikel 45 van de LMA heeft geschonden en zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt door het genoemde beleid te voeren en/of door het laten inslapen van de puppy’s te accorderen.

Gebrekkige informatievoorziening

Het gehanteerde beleid met betrekking tot de invoer van dieren was volgens klager gepubliceerd op de website van de UOVZ en was daarmee voldoende kenbaar voor iedereen. Op grond van dat beleid diende degene die een dier wenste in te voeren een verzoek te mailen aan de UOVZ. Na de ontvangst van dat verzoek ontving de betreffende persoon een e-mailbericht inhoudende de eisen waaraan moest worden voldaan om het dier uit het betreffende land in te voeren. Op deze manier kon de UOVZ specifieke en duidelijke informatie aan de verzoeker verzenden. Klager meent daarom dat hem ten onrechte wordt verweten dat hij niet heeft gezorgd voor een goede informatievoorziening aan het publiek en andere overheidsdiensten.

Verder heeft klager erop gewezen dat de luchtvaartmaatschappij een fout heeft gemaakt door de puppy’s te vervoeren zonder eerst te verifiëren of de invoerdocumenten in orde waren. Ook de Douane heeft volgens klager een eigen bevoegdheid om de invoer van dieren te weigeren als de nodige documenten niet in orde zijn. De Douane kon dus zelfstandig optreden zonder zich afhankelijk te stellen van een beslissing van de UOVZ. Klager vindt het daarom niet terecht dat de Regering hem verantwoordelijk houdt voor de ongelukkige samenloop van omstandigheden die tot het laten inslapen van de puppy’s heeft geleid.

De Regering betwist dat ten tijde van het incident correcte informatie over de invoer van dieren was gepubliceerd op de website van de UOVZ en stelt dat de door klager overgelegde werkinstructie melding maakt van quarantaine. Dat klager ter zitting heeft uitgelegd dat de mogelijkheid van quarantaine zich beperkt tot uitsluitend gevallen waarbij geen sprake is van mogelijke besmetting met levensbedreigende ziektes zoals rabiës, had niet kenbaar kunnen zijn voor het publiek omdat dat niet op de website was vermeld. Het was de verantwoordelijkheid van klager om ervoor te zorgen dat alle informatie over de invoer van dieren op de website gepubliceerd was met inbegrip van de mededeling dat ingevoerde dieren onmiddellijk zouden worden ingeslapen als bepaalde documenten zouden ontbreken.

Uit het onderzoek van FC is het volgende gebleken ten aanzien van de communicatie met de eigenaren van de puppy’s op 25 juni 2023. De dierenarts heeft op de bewuste dag aan de keurmeester verzocht om aan de eigenaren van de puppy’s mee te delen dat omdat de invoerdocumenten niet in orde waren, de puppy’s meteen met hetzelfde vliegtuig waarmee ze kwamen moesten worden teruggestuurd naar de Dominicaanse Republiek. De keurmeester heeft dat echter niet meegedeeld aan de eigenaren van de puppy’s en heeft hen in plaats daarvan meegedeeld dat ze de keuze hadden om de puppy’s terug te sturen of bij de UOVZ in quarantaine te laten plaatsen. De eigenaren van de puppy’s hebben voor dat laatste gekozen. Nadat het vliegtuig al was vertrokken en het terugsturen van de puppy’s dus geen optie meer was, hebben de eigenaren vernomen dat de puppy’s niet in quarantaine konden worden geplaatst maar zouden worden ingeslapen. Pas de dag daarna hebben klager en de dierenarts een gesprek gevoerd met de eigenaren van de puppy’s om hen uit te leggen waarom de puppy’s werden ingeslapen.

Het Gerecht is het met de Regering eens dat aan klager kan worden verweten dat de op de website van de UOVZ gepubliceerde informatie onvoldoende duidelijk was, in ieder geval wat betreft de (on)mogelijkheid van quarantaine. Klager heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat op de website was vermeld dat geen quarantaine mogelijk was en tot het laten inslapen van het ingevoerde dier zou worden overgegaan als de UOVZ zou oordelen dat het rabiës vaccinatiebewijs niet in orde was. Overigens overweegt het Gerecht het volgende. Artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening kleine dieren bepaalt dat quarantaine mogelijk is, zodat iedereen, dus ook de eigenaren van de puppy’s, ervan mochten uitgaan dat quarantaine zonder meer mogelijk was. De optie van quarantaine is bovendien ook uitdrukkelijk aan deze eigenaren gegeven door de keurmeester die hen te woord heeft gestaan op 25 juni 2023. Onder deze omstandigheden treft de eigenaren van de puppy’s, anders dan klager stelt, geen verwijt over hun keuze om de puppy’s niet met dezelfde vlucht terug te sturen.

De onvolledigheid of onduidelijkheid van de informatie op de website van de UOVZ brengt echter niet met zich dat klager zich daarmee aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Immers, een omissie van een ambtenaar, zoals waarvan hier sprake is, levert niet meteen een plichtsverzuim op. Dat is niet anders als rekening wordt gehouden met het feit dat twee mogelijk gezonde puppy’s misschien niet hadden hoeven te worden ingeslapen als geen sprake zou zijn van die omissie. De eigenaren van de puppy’s hadden immers op de website van de UOVZ wel kennis kunnen nemen van het feit dat ze de UOVZ moesten mailen om specifieke informatie op te vragen en om vervolgens toestemming voor de invoer van de puppy’s te verzoeken. Hoewel dat niet voor de hand lag, hebben ze er echter voor gekozen om de puppy’s niet pas na ontvangst van de nodige toestemming van de UOVZ naar Curaçao te sturen. Indien ze die toestemming zouden hebben verzocht en gekregen voordat ze de puppy’s naar Curaçao hadden gestuurd, had de dood van de puppy’s kunnen worden voorkomen.

Verder overweegt het Gerecht nog het volgende. Dat de keurmeester verkeerde informatie aan bedoelde eigenaren heeft gegeven, is een omstandigheid die klager als diensthoofd niet kan worden verweten. Klager was op 25 juni 2023 niet de dienstdoende dierenarts die de beslissing van de UOVZ aan de eigenaren van de puppy’s moest communiceren en heeft dus niet zelf actief bijgedragen aan de door de keurmeester veroorzaakte miscommunicatie die de dieren fataal is geworden. Het was de dierenarts, en dus niet klager, die ervoor had moeten zorgen dat de eigenaren van de puppy’s op de bewuste dag voor het vertrekken van de vlucht naar de Dominicaanse Republiek werden ingelicht dat het terugsturen van de puppy’s de enige manier was om hun dood te voorkomen.

Samenvattend oordeelt het Gerecht dus als volgt. Aan klager kan worden verweten dat het door hem gevoerde beleid om dieren die zonder een door de UOVZ goedgekeurde rabiës vaccinatiebewijs worden ingevoerd meteen te laten inslapen in strijd is met de lokale wetgeving. Echter, omdat de Regering er niet in is geslaagd om voldoende te betwisten dat dat beleid gerechtvaardigd was met het oog op de bescherming van de volksgezondheid, is geen sprake van plichtsverzuim.

Verder kan aan klager worden verweten dat de informatie over het invoeren van (kleine) dieren zoals gepubliceerd op de website van de UOVZ onvolledig was wat betreft de mogelijkheid van quarantaine. Klager heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat in de periode voor het incident op de website van de UOVZ expliciet was vermeld dat voor een aantal gevallen, bijvoorbeeld bij een ontbrekende rabiës vaccinatiebewijs van door de UOVZ erkende buitenlandse veterinaire autoriteiten, quarantaine niet mogelijk was en dat het ingevoerde dier meteen zou worden ingeslapen. Toch levert dat nalaten geen plichtsverzuim op omdat de eigenaars een eigen verantwoordelijkheid hadden om eerst goedkeuring van de UOVZ te krijgen voordat de puppy’s naar Curaçao werden vervoerd.

Niet melden van nevenwerkzaamheden/belangenverstrengeling

7. De Regering heeft verder het volgende vermeld in het ontslagbesluit:

“dat de Betrokkene gedurende zijn werkzaamheden bij de Dienst Veterinaire Zaken gelijktijdig was ingeschreven als eigenaar van [dierenartsenpraktijk] ('Praktijk');

dat de Praktijk aandeelhouder is in het bedrijf [bedsrijf 1] ('Importers') dat onder andere voer voor dieren importeert;

dat uit klachten is gebleken dat dierenondemerningen onder druk worden gezet dat onder andere voer voor dieren in te kopen bij Importers;

dat de Betrokkene directeur is van het bedrijf [bedrijf 2], met het voormalig Hoof d van Dienst van Veterinaire Zaken;

dat geen van bovenstaande nevenwerkzaamheden door de Betrokkene is gemeld aan dan wel bekend is bij het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur;

dat de Betrokkene in strijd heeft gehandeld met artikel 52, lid 2 jo. artikel 53 LMA door geen schriftelijke opgave te doen aan het hoofd van dienst, dan wel de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur, van voornoemde nevenwerkzaamheden;

dat door geen opgave te doen van de nevenwerkzaamheden niet conform artikel 52 lid 1 LMA heeft kunnen worden getoetst of de nevenwerkzaamheden een goede vervulling van de betrokken functie of een goed functioneren van de betrokken dienst beletten;

dat uit het onderzoek zijdens FC is gebleken dat de Betrokkene, in strijd met zijn eigen verklaring hiertoe, gedurende werktijd persoonlijk ingekochte veterinaire medicijnen heeft verkocht aan particulieren in het gebouw van de Uitvoeringsorganisatie Veterinaire Zaken;

dat de Betrokkene voor de opslag van persoonlijk ingekochte veterinaire medicijnen gebruik heeft gemaakt van overheidseigendommen;

dat uit het onderzoek zijdens FC is gebleken dat de Betrokkene voor de verkoop van en administratie aangaande zijn persoonlijk ingekochte veterinaire medicijnen medewerker Thijssen, werkzaam bij de Uitvoeringsorganisatie Veterinaire Zaken, in grote mate heeft belast;

dat de Betrokkene middels de verkoop gedurende werktijd van persoonlijk ingekochte veterinaire medicijnen in strijd heeft gehandeld met artikel 47, lid 1 LMA waarin staat dat een ambtenaar verplicht is de geheel voor hem geldende werktijd aan zaken van de overheid te wijden;

dat de Betrokkene middels de verkoop gedurende werktijd van persoonlijk ingekochte veterinaire medicijnen in strijd heeft gehandeld met artikel 47, lid 2 LMA waarin staat dat het de ambtenaar verboden is gedurende de voor hem geldende werktijd zich bezig te houden met de behartiging van particuliere belangen van zichzelf of van derden;

dat de Betrokkene middels het belasten van medewerker Thijssen met de verkoop van persoonlijk ingekochte veterinaire medicijnen in strijd heeft gehandeld met artikel 47, lid 3 LMA waarin staat dat het de ambtenaar verboden is aan ambtenaren of ander personeel in dienst van de overheid op te dragen of te verzoeken gedurende de voor hem geldende werktijd werkzaamheden te verrichten anders dan ten behoeve van de overheid;

dat de Betrokkene middels het gebruiken van overheidseigendom voor het opslaan van persoonlijk ingekochte veterinaire medicijnen in strijd heeft gehandeld met artikel 57, lid 1 LMA waarin staat dat het de ambtenaar verboden is overheidsgoederen te gebruiken ten bate van particuliere belangen van zichzelf of derden;

dat het in het algemeen ten zeerste bezwaarlijk is dat de Betrokkene als Hoofd Veterinaire Zaken zich bezighoudt met de particuliere verkoop van veterinaire medicijnen;”

Klager heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. Vanaf 2013 is hij niet meer betrokken bij [naam praktijk] (de Praktijk). [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben nooit zaken gedaan met de Regering. Van belangenverstrengeling is dan ook geen sprake. Al in 2012 heeft klager gemeld dat hij aandeelhouder was van [bedrijf 1]. In 2018 heeft hij als reactie op het verzoek van de Regering om nevenactiviteiten te melden, naar die melding uit 2012 verwezen. Voormalige minister van Gezondheid, Milieu en Natuur, [voormalige minister van GMN], was bekend met het feit dat klager aandeelhouder was van [bedrijf 1], [bedrijf 2] en de Praktijk. Het klopt dat hij, klager, een aantal medicijnen importeerde op persoonlijke titel en deze verkocht aan veehouders, maar van een lucratieve onderneming die hij voornamelijk onder werktijd dreef en waarmee hij grote bedragen verdiende was geen sprake. Zijn opbrengst was niet meer dan een paar honderd gulden per jaar. Bovendien was die medicijnverkoop een vaste praktijk die hij heeft overgenomen van zijn voorgangers, [voorganger 1] en [voorganger 2]. [assistent], Animal Health Assistant bij de UOVZ, was degene die volgens een protocol bepaalde welke medicijnen aan nutsdieren moesten worden toegediend en ook bijhield welke medicijnen welke dieren hebben gekregen. Dat waren medicijnen die op advies van [assistent] door de veehouders werden afgenomen voor hun dieren. Veehouders konden bepaalde medicijnen gratis afhalen bij de UOVZ, die jaarlijks tot een bepaald bedrag gratis medicijnen kon verstrekken. Klager had als diensthoofd van de UOVZ niets te maken met de uitvoering van deze werkzaamheden door [assistent]. Het klopt dan ook niet dat hij veehouders onder druk zette om bij hem medicijnen te kopen.

Het niet melden van nevenactiviteiten

Wat betreft het melden van nevenactiviteiten overweegt het Gerecht het volgende. Van klager had mogen worden verwacht dat hij ten opzichte van de minister van GMN en Secretaris-Generaal van het Ministerie van GMN een recentere en explicietere melding zou hebben gedaan van zijn nevenactiviteiten, vooral de medicijnverkoop. Echter is niet gebleken van enig nadeel voor de Regering door het uitblijven daarvan. Verder heeft de Regering onvoldoende betwist dat bedoelde medicijnverkoop wel werd toegestaan of gedoogd bij de voorgangers van klager en dat klager aldus een binnen de UOVZ allang bestaande praktijk heeft voortgezet door bepaalde medicijnen die niet, althans beperkt verkrijgbaar zijn op de lokale markt te importeren en aan veehouders te verkopen. Dat een recente expliciete melding van nevenactiviteiten zijdens klager is uitgebleven levert onder deze omstandigheden naar het oordeel van het Gerecht geen plichtsverzuim op.

Belangenverstrengeling

De Regering heeft in het licht van de betwisting daarvan door klager onvoldoende aannemelijk gemaakt dat klager vanuit de ondernemingen waarin hij participeerde medicijnen heeft verkocht aan de UOVZ of andere overheidsorganisaties. Belangenverstrengeling in die zin dat klager als diensthoofd door zijn functie ervoor zorgde dat overheidsdiensten medicijnen afnam van een van de bedrijven waarin hij participeerde is niet komen vast te staan. De Regering is er ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat klager zelf vaccinatieschema’s vaststelde voor nutsdieren met als doel dat veehouders die vaccinaties bij hem zouden kopen. Dat klager veehouders onder druk zette zodat ze bij hem medicijnen zouden inkopen, is evenmin aannemelijk geworden.

Ook het verwijt dat klager de Animal Health Assistant bij de UOVZ heeft belast met de administratie van zijn privé medicijnverkoop is niet aannemelijk geworden omdat de Regering deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Een tot het bewijs van dat verwijt strekkende verklaring van die medewerkster ontbreekt in het dossier. Verder houdt het Gerecht hierbij rekening met de toelichting van klager dat dat aantekeningen waren van die medewerkster over de medicijnen die zij (al dan niet gratis) aan veehouders verstrekte.

Nu deze aan klager verweten gedragingen niet aannemelijk zijn geworden, komt het Gerecht niet toe aan de beoordeling van de vraag of klager zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Dat klager voor de opslag van persoonlijk ingekochte veterinaire medicijnen gebruik heeft gemaakt van overheidseigendommen maakt dat hij in strijd met artikel 57, eerste lid, van de LMA heeft gehandeld. Dat levert op zichzelf echter onvoldoende grond op voor ontslag.

Vergoeding slachters

8. Verder verwijt de Regering klager dat hij zonder grondslag of geldige reden gelden in rekening heeft gebracht voor het slachten van dieren.

Klager heeft in dit verband het volgende naar voren gebracht. Klager heeft in het verleden de toenmalige minister van GMN verzocht om het aantal slachters uit te breiden omdat het aantal slachters op grond van het functieboek van de UOVZ al jaren onvoldoende was. Klager heeft toegelicht dat juist door het gebrek aan slachters al ruim voordat hij als diensthoofd van de UOVZ aantrad er een praktijk is ontstaan waarbij dagloners, personen die dus niet als ambtenaar zijn aangesteld bij de UOVZ, samen met de ambtenaren van de UOVZ ook als slachter optraden op slachtdagen. Deze dagloners werden steeds ter plaatse contant uitbetaald voor de door hen uitgevoerde werkzaamheden. In verband hiermee doen de veehouders dan ook twee betalingen voor het slachten van hun dieren. Ze betalen de op grond van de wet verschuldigde retributies bij de kassa van de UOVZ. Volgens klager kan hierbij al jaren alleen met een betaalpasje worden betaald. Contante betaling is niet mogelijk. Dit betreft de betaling van retributies dus is daar, anders dan de Regering stelt, wel degelijk een wettelijke grondslag voor. Klager is nooit betrokken geweest bij dit betalingsproces. De betalingen werden namelijk uitsluitend bij de kassa van de UOVZ gedaan. Klager inde dus nooit zelf de verschuldigde retributies.

De andere betaling die de veehouders deden is volgens klager de contante betaling aan de slachters op slachtdagen. Per dier werden vaste slachttarieven gehanteerd. Ook deze betalingen werden niet door klager in ontvangst genomen. Het door de veehouders betaalde bedrag aan slachtvergoeding werd gelijkelijk verdeeld onder alle slachters dus zowel de dagloners als de ambtenaren werkzaam bij de UOVZ. In het verleden heeft klager de toenmalige minister van GMN, minister [voormalige minister van GMN], daarop gewezen en toegelicht dat dat volgens hem niet correct was. Immers, de ambtenaren zouden op die manier dubbel gecompenseerd worden voor het slachten, namelijk middels hun loon en de extra slachtvergoeding. Doordat echter verwacht werd dat stopzetting tot weerstand zou leiden bij de slachters, heeft de minister er toen voor gekozen om op dat moment nog geen einde te maken aan die praktijk en is deze dus voortgezet.

Klager heeft ook gepoogd een einde te maken aan deze praktijk door uitbreiding van het aantal ambtenaren belast met het slachten te verzoeken. Dan zouden de dagloners overbodig worden en zou een einde komen aan de betaling van de slachtvergoeding door veehouders. De door klager met het oog hierop verzochte uitbreiding van het aantal slachters heeft de Regering echter niet toegewezen. Verder heeft klager toegelicht dat er binnen de UOVZ geen begroting was voor het uitbetalen van overwerk en dat de ambtenaren belast met het slachten dan ook geen vergoeding voor overwerk ontvingen. Verder heeft hij toegelicht dat de ambtenaren voor werkzaamheden die buiten de werkuren moesten plaatsvinden wel een bepaalde vergoeding ontvingen of via “time back” (de gewerkte extra uren later opnemen als vakantie) werden gecompenseerd. Dat gold voor werkzaamheden zoals bijvoorbeeld het in het weekend voeren van in quarantaine geplaatste dieren en schoonmaken van de ruimtes waarin deze dieren verbleven.

Kortom, ook de betalingen door veehouders aan de slachters ging geheel buiten klager om en was een vaste praktijk die ruim voor het aantreden van klager als diensthoofd bestond en dus niet door hem is ingevoerd. Zijn pogingen om hier een einde aan te maken zijn mislukt door omstandigheden waar hij geen invloed op had. Hij was niet betrokken bij het betalingsproces en heeft dus nooit geld geïnd van veehouders, aldus klager.

De Regering heeft het voorgaande betwist. Zij stelt, kort gezegd, dat in de bij de UOVZ bestaande protocollen niets is teruggevonden van de door klager beschreven afspraken over compensatie voor het slachten en voor het verrichten van werkzaamheden buiten de vaste werktijden.

Het Gerecht is van oordeel dat de Regering met hetgeen zij in de door haar overgelegde stukken heeft aangevoerd en de door haar ter zitting gegeven toelichting onvoldoende heeft weersproken dat klager niet verantwoordelijk was voor het invoeren van de zogenaamde slachtervergoeding en dat sprake was van een al ruim voor zijn aantreden als diensthoofd bestaande praktijk. Hierbij kan worden verwezen naar het e-mailbericht van de wnd. directeur van de HRO van 13 augustus 2024 (contramemorie, productie 5). Verder heeft de Regering onvoldoende betwist dat de pogingen van klager om daar een einde aan te maken zijn mislukt door omstandigheden die hij niet, althans grotendeels niet in handen had. Ook heeft de Regering onvoldoende weersproken dat klager geen enkele betaling, retributie noch slachtersvergoeding, in ontvangst heeft genomen van veehouders in verband met het slachten van hun dieren. De in dit verband aan klager verweten feiten zijn in het kader van deze procedure dan ook niet komen vast te staan. Aan de beoordeling van de vraag of de verweten gedragingen plichtsverzuim opleveren komt het Gerecht dan ook niet toe.

Het inhuren van het bewakingsbedrijf van een familielid

9. De Regering verwijt klager dat hij het bewakingsbedrijf van zijn broer heeft ingehuurd bij de UOVZ en dat klager heeft gesteld dat er een aanbestedingsprocedure heeft plaatsgevonden, terwijl uit het door FC uitgevoerde onderzoek niet is gebleken dat dat laatste klopt. Volgens de Regering zorgt het inhuren van het bedrijf van een familielid voor de schijn van belangenverstrengeling vooral als daarbij niet de op grond van de wet voorgeschreven procedures worden gevolgd.

Klager heeft toegelicht dat hij niets te maken heeft gehad met het inhuren van het bewakingsbedrijf van zijn broer omdat dat via de afdeling Inkoop van het Ministerie van Financiën is gegaan. Klager heeft verder toegelicht dat hij als diensthoofd niet bevoegd was om kosten hoger dan NAf 25.000,- te maken en dat hij anders door het Ministerie van Financiën zou worden teruggefloten.

Gelet op deze toelichting van klager en het ontbreken van bewijsstukken op grond waarvan blijkt dat door of op initiatief van klager het bewakingsbedrijf van zijn broer door de UOVZ is ingehuurd, kan het Gerecht niet van de juistheid van deze stelling uitgaan. Nu niet vast is komen te staan dat klager zich hieraan schuldig heeft gemaakt, komt het Gerecht ook ten aanzien hiervan niet toe aan de vraag of hier sprake is van plichtsverzuim.

Het inhuren van [A]

10. De Regering heeft klager verweten dat hij het bedrijf van [A] voor een periode van zeven weken heeft ingehuurd zonder dat een aanbestedingsprocedure daaraan is voorafgegaan. Daarmee zou verder een risico zijn ontstaan voor het lekken van overheidsgegevens omdat deze gegevens werden gedeeld met [A] zonder dat daaraan voorafgaand een Service Level Agreement dan wel een ander soort contract werd gesloten. Hiermee heeft [A], die geen ambtenaar is, toegang gekregen tot gevoelige overheidsinformatie zonder dat hij gebonden was aan de geheimhoudingsplicht waaraan ambtenaren wel gebonden zijn. Gelet op het voorgaande heeft klager in strijd met artikel 45, eerste lid, van de LMA gehandeld door zich niet te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Verder is klager verweten dat Quickbooks binnen de overheidsorganisatie niet wordt gebruikt waardoor de controle van de financiële administratie van de UOVZ door andere overheidsdiensten werd bemoeilijkt.

Klager heeft in verband met dit verwijt de volgende toelichting gegeven. Mede in verband met een geval waarbij een ambtenaar werkzaam bij de UOVZ een geldbedrag heeft verduisterd, ontstond de noodzaak voor extra interne financiële controle. [A] is de eigenaar van een IT-bedrijf dat ook financiële diensten verleent. Quickbooks werd al gebruikt bij de UOVZ. De enige in dienst van de UOVZ zijnde financieel medewerkster had hulp nodig bij het verder structureren van de financiële administratie onder andere om fraude te voorkomen. Bovendien zou ze op een bepaald moment in verband met ziekte en (zwangerschaps)verlof voor enkele maanden afwezig zijn. Klager heeft de toenmalige Secretaris-Generaal van het Ministerie van GMN om die reden verzocht om een ambtenaar aan de UOVZ ter beschikking te stellen als vervanger van deze medewerkster. De reactie van de Secretaris-Generaal op dat verzoek was dat klager als diensthoofd zelf een oplossing moest zien te vinden daarvoor. Klager heeft [A] toen verzocht om een offerte voor de UOVZ op te maken voor de nodige financiële diensten. De aanleiding voor het benaderen van [A] was gelegen in het feit dat [A] eerder naar volle tevredenheid van de UOVZ diensten heeft uitgevoerd. [A] heeft namelijk een beveiligingssysteem met camera’s geïnstalleerd ter beveiliging van het gebouw van de UOVZ. Vanwege die goede ervaring met [A] heeft klager hem benaderd voor een offerte. De kosten in verband met het inzetten van [A] waren lager dan NAf 25.000,- zodat klager als diensthoofd op grond van de geldende comptabiliteitsregels bevoegd was om een overeenkomst met [A] aan te gaan zonder een daaraan voorafgaande aanbestedingsprocedure.

Volgens klager heeft de UOVZ niet te maken met geheime of gevoelige informatie zodat hij de verweten schending van het ambtsgeheim als bedoeld in artikel 45 van de LMA niet kan plaatsen. Het publiek kon retributies alleen giraal betalen. Deze betalingen werden via Quickbooks bijgehouden. De Stichting Overheidsaccountantsbureau (SOAB) deed jaarlijks of tweejaarlijks een controle bij de UOVZ en heeft nooit bezwaren geuit over het gebruik van Quickbooks. Voormelde financieel medewerkster, [financieel medewerkster], draaide alle relevante informatie uit Quickbooks uit voor het Ministerie van Financiën, dat evenmin bezwaren heeft geuit over het gebruik van Quickbooks. Overigens gebruikte ook de Uitvoeringsorganisatie Agrarisch Vee Beheer Quickbooks. Dat, zoals de Regering stelt, overheidsdiensten geen Quickbooks gebruikten en de financiële gegevens van de UOVZ door het gebruik daarvan niet of beperkt beschikbaar zouden zijn voor de controle door derden klopt dan ook niet.

Gelet op de uitleg van klager is niet aannemelijk geworden dat klager in strijd met geldende wet- en regelgeving heeft gehandeld door het bedrijf van [A] in te huren. De Regering heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de UOVZ te maken heeft met geheime overheidsgegevens waardoor het toegang geven van [A] tot de financiële administratie van de UOVZ strijdig is met de wet en/of om specifieke redenen nadelig of onwenselijk is. De Regering heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat klager Quickbooks heeft ingevoerd met het doel om controle op de financiën van de UOVZ voor de daarmee belaste diensten te bemoeilijken. In ieder geval is niet gebleken dat het Ministerie van Financiën of SOAB klager er ooit op hebben gewezen dat het gebruik van Quickbooks niet was toegestaan en/of een beletsel was voor de uitvoering van hun controletaak. Dat het noodzakelijk was om [A] in te huren wegens afwezigheid de enige financieel medewerkster werkzaam bij de UOVZ heeft de Regering ook onvoldoende betwist. Daarbij houdt het Gerecht rekening met de verklaring van klager ter zitting dat zijn verzoek aan de Secretaris-Generaal van het Ministerie van GMN om een ambtenaar ter beschikking te stellen aan de UOVZ ter vervanging van de afwezige financieel medewerkster werd afgewezen. Ook heeft de Regering niet aangetoond dat de door [A] verleende diensten meer dan NAf 25.000,- hebben gekost waardoor een aanbesteding nodig was om hem in te huren. Gelet op het voorgaande kan het Gerecht dan ook niet concluderen dat klager met het inhuren van het bedrijf van [A] en het gebruiken van Quickbooks voor de financiële administratie van de UOVZ zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

11. Gelet op al het voorgaande komt het Gerecht tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim dat een disciplinair ontslag rechtvaardigt. Het aan klager verleende disciplinair ontslag kan daarom niet in stand blijven.

Is sprake van functionele ongeschiktheid?

12. Bij een ongeschiktheidsontslag moet de Regering concrete gedragingen van de betrokken ambtenaar aannemelijk maken, waaruit genoegzaam blijkt dat deze niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die nodig zijn voor het op goede wijze vervullen van zijn functie.

De Regering heeft de hiervoor besproken verwijten ook aan het aan klager verleende ongeschiktheidsontslag ten grondslag gelegd. Met inachtneming van hetgeen het Gerecht hiervoor over die verwijten heeft overwogen, kan het Gerecht niet concluderen dat genoegzaam is gebleken dat klager niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die nodig zijn voor het op goede wijze vervullen van de functie van diensthoofd bij de UOVZ. Bovendien is geenszins gebleken dat de Regering klager op enig moment heeft gewezen op tekortkomingen bij de uitvoering van zijn werkzaamheden laat staan dat hem een verbeterkans is gegeven om zijn functioneren te verbeteren. Het Gerecht concludeert daarom dat ook voor een ongeschiktheidsontslag geen grond bestaat. Ook het ongeschiktheidsontslag van klager kan dan ook niet in stand blijven.

De slotsom is dat het bezwaar gegrond is en dat het aan klager verleende disciplinair ontslag en ongeschiktheidsontslag zullen worden vernietigd.

Conclusie en gevolgen

Het verzoek om een beslissing bij voorraad zal wegens gebrek aan procesbelang worden afgewezen nu het Gerecht bij deze uitspraak op het bezwaar zal beslissen. Het bij dat verzoek horende verzoek om een proceskostenvergoeding wordt dan ook afgewezen.

Het bezwaar is gegrond. De aan klager verleende disciplinair ontslag en ongeschiktheidsontslag kunnen niet in stand blijven. Dat betekent dat het loon van klager moet worden doorbetaald met terugwerkende kracht tot het moment dat deze wegens het ontslag is stopgezet. Indien partijen een terugkeer van klager als diensthoofd van de UOVZ niet reëel achten, zullen ze met elkaar in overleg moeten treden om tot duidelijke afspraken te komen over de functie die klager tot aan zijn pensioen zal bekleden. Het ligt voor de hand dat de Regering als werkgeefster het contact met klager hierover initieert.

Het Gerecht ziet in het voorgaande aanleiding om te bepalen dat de Regering de proceskosten van klager aan hem zal vergoeden. Deze worden begroot op Cg. 1.750,- (één punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1,5 punten voor de zittingen, waarde per punt Cg. 700,-). Conform het Besluit Proceskosten bestuursrecht levert een regiezitting een halve punt op. Daarom komt het Gerecht tot 1,5 punt voor de zittingen.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

Zaaknummer CUR202500668:

- wijst af het verzoek om een beslissing bij voorraad.

Zaaknummer CUR202500055:

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 in tegenwoordigheid van P.N.F. Pereira do Tanque, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Bijlage met het wettelijk kader

Op grond van artikel 45, eerste lid, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) geldt dat de ambtenaar gehouden is de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Op grond van het tweede lid dient de ambtenaar de door de betrokken Minister voor zijn werkzaamheid of zijn gedrag vastgestelde voorschriften na te komen.

Op grond van artikel 47, eerste lid, van de LMA is de ambtenaar verplicht de gehele voor hem geldende werktijd aan de zaken van de overheid te wijden. Het is hem verboden gedurende deze werktijd zich zonder geldige reden te verwijderen van de plaats waar de werkzaamheid moet worden verricht.

Op grond van het tweede lid is het de ambtenaar verboden gedurende de voor hem geldende werktijd zich bezig te houden met de behartiging van particuliere belangen van zichzelf of van derden.

Op grond van het derde lid is het de ambtenaar verboden aan ambtenaren of ander personeel in dienst van de overheid op te dragen of te verzoeken gedurende de voor hem geldende werktijd werkzaamheden te verrichten anders dan ten behoeve van de overheid.

Op grond van artikel 52, eerste lid, van de LMA verricht de ambtenaar geen nevenwerkzaamheden waardoor een goede vervulling van de betrokken functie of een goed functioneren van de betrokken dienst in redelijkheid niet of niet meer is verzekerd.

Op grond van het tweede lid doet de ambtenaar die nevenwerkzaamheden verricht of gaat verrichten daarvan schriftelijk opgave aan het hoofd van dienst.

Op grond van artikel 53 van de LMA geldt dat ten aanzien van het hoofd van dienst dat nevenwerkzaamheden verricht of gaat verrichten, de artikelen 51 en 52 van overeenkomstige toepassing zijn met tussenkomst van de betrokken Minister.

Op grond van artikel 57, eerste lid, van de LMA is het de ambtenaar verboden overheidsgoederen te gebruiken ten bate van particuliere belangen van zichzelf of van derden.

Op grond van artikel 88, eerste lid, van de LMA geldt dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt, of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair kan worden gestraft.

Op grond van het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 89, eerste lid, aanhef en onder i van de LMA is ontslag een van de disciplinaire straffen welke kunnen worden toegepast.

Op grond van artikel 103, eerste lid, aanhef en onder f, van de LMA geldt dat buiten de gevallen, hier voren of bij andere wettelijke regelingen bepaald, de ambtenaar kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Op grond van artikel 5A van de Slacht- en keuringsverordening geldt dat onverminderd het bepaalde in artikel 97, letter C van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 (P.B. 1949, no. 62) en in de Landsverordening invoer kleine dieren 1952 (P.B. 1952, no. 123), en onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 en 5 1ste lid kan bij of krachtens beschikking van de Minister van Volksgezondheid tot wering van enige besmettelijke veeziekte de in- en doorvoer worden verboden of niet dan onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan van:

vee, vlees, eieren, melk en melkproducten, huiden en aanhangsels van huiden en andere van vee afkomstige producten, mest en veevoeder;

andere voorwerpen of dieren welke dragers van smetstof kunnen zijn.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening kleine dieren geldt dat indien niet aan de in of krachtens artikel 2 gestelde voorwaarden is voldaan, moet het betrokken dier onmiddellijk in quarantaine worden gesteld. In dat geval is de vervoerder die het dier heeft aangebracht, verplicht dit per eerstvolgende gelegenheid terug of door te voeren.

Op grond van het tweede lid komen de kosten van onderhoud en verpleging van het dier komen gedurende de quarantainetijd ten laste van de vervoerder die het dier heeft aangebracht, en kunnen op het schip of luchtvaartuig worden verhaald.

Op grond van het derde lid kan het dier na het eindigen van de quarantainetijd worden afgemaakt.

Op grond va artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening kleine dieren geldt dat indien geen geldig bewijs van vaccinatie tegen rabiës aanwezig is, kan de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur van het betrokken eilandgebied of de door deze aan te wijzen deskundige, hierbij geleid door maatstaven aangegeven door wetenschap en praktijk, het dier doen vaccineren op kosten van de vervoerder.

Op grond van het tweede lid vindt in een dergelijk geval, tenzij de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur zulks wel noodzakelijk acht, het bepaalde in artikel 3, lid 1, tweede zin, geen toepassing, ook indien niet is voldaan aan de overige door of krachtens artikel 2 gestelde voorwaarden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand