GERECHT IN AMBTENARENZAKEN
UITSPRAAK
[klaagster],
HET BESTUURSCOLLEGE VAN HET OPENBAAR LICHAAM SABA,
Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES
Uitspraakdatum: 1 april 2026
Zaaknummer: SAB202500025
VAN BONAIRE,
SINT EUSTATIUS EN SABA
In het geding van:
wonende te Saba,
klaagster,
gemachtigde: mr. G.B. SIMMONS-DE JONG,
tegen
verweerder,
gemachtigde: mr. S. VAN LINT.
Procesverloop
Bij beschikking van 25 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder een verzoek van klaagster om toekenning van een beschikbaarheidsvergoeding op grond van artikel 25a van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES (hierna: Rechtspositiebesluit) afgewezen.
Klager heeft bij proforma bezwaarschrift (met producties), ingediend ter griffie van het Gerecht op 19 augustus 2025, tegen de bestreden beschikking bezwaar gemaakt. Daarna zijn bij aanvullend bezwaarschrift (met producties) de gronden aangevuld.
Verweerder heeft een contramemorie (met producties) ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in het gerechtsgebouw te Saba op 28 januari 2026. Klaagster is in persoon verschenen, vergezeld van haar echtgenoot en bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd en mr. E. Blaauboer, die per videolink hebben deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Gonzalez (HR adviseur), mr. D. van Groningen (jurist), B. Streppel (eilandsecretaris), bijgestaan door de gemachtigde voornoemd, die eveneens per videolink heeft deelgenomen. Beide partijen hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
Uitspraak is (nader) bepaald op heden.
Overwegingen
Relevante feiten en omstandigheden
Klaagster is sinds 1 mei 2008 in dienst bij verweerder, aanvankelijk in de functie van Aerodrome Flight Information Service Officer (hierna: AFISO). Met ingang van 14 december 2015 is zij aangesteld in de functie van airport manager van de luchthaven te Saba.
In de periode van december 2015 tot april 2025 fungeerde klaagster buiten haar reguliere werktijden als aanspreekpunt in verband met medische spoedevacuaties op Saba. In de praktijk werd zij in dat kader telefonisch benaderd door het ziekenhuis, waarna zij – aan de hand van het werkrooster – contact opnam met een luchthavenmedewerker (AFISO) om zich naar de luchthaven te begeven. Indien geen medewerker beschikbaar of bereikbaar was, begaf klaagster zich zelf naar de luchthaven. Daarnaast onderhield zij telefonisch contact met de bij de evacuatie betrokken partijen.
Met ingang van april 2025 is deze werkwijze gewijzigd, in die zin dat – behoudens uitzonderingsgevallen – niet langer klaagster, maar de luchthavenmedewerker (AFISO) die op het beschikbaarheidsrooster staat, rechtstreeks door het ziekenhuis wordt benaderd.
In 2020 heeft verweerder een proefperiode ingesteld waarbij voor luchthavenmedewerkers een beschikbaarheidsvergoeding van USD 1,68 per uur werd ingevoerd. Na afloop van deze proefperiode heeft verweerder besloten deze vergoeding structureel toe te kennen. De beschikbaarheidsdienst alsmede de daaraan verbonden vergoeding en voorwaarden zijn opgenomen in het personeelshandboek van 1 december 2019.
Bij eilandsbesluit van 28 december 2020 (nr. 1546/2020) heeft verweerder bepaald dat de juridische grondslag voor de beschikbaarheidsvergoeding is gelegen in artikel 25a van het Rechtspositiebesluit. Daarbij is overwogen dat het op afroep beschikbaar zijn inhoudt dat betrokken medewerkers zich dienen te melden in geval van een medische evacuatie. Indien zij buiten werktijd daadwerkelijk worden opgeroepen, wordt de gewerkte tijd als overwerk aangemerkt. Voorts is besloten om een beschikbaarheidsvergoeding met terugwerkende kracht toe te kennen aan zowel luchthaven- als havenmedewerkers (in totaal 20 personen, inclusief afdelingshoofden), in de vorm van een gratificatie van USD 1.170 per persoon.
Bij e-mail van 31 december 2020 heeft de toenmalige eilandsecretaris klaagster bericht dat alle luchthavenmedewerkers (waaronder AFISO’s, beveiligingsmedewerkers en het afdelingshoofd) een beschikbaarheidsvergoeding zouden ontvangen in de vorm van voornoemde gratificatie.
Naar aanleiding van bezwaren tegen de gratificatie heeft verweerder bij eilandsbesluit van 18 maart 2021 (nr. 358/2021) besloten om, in plaats van een vast bedrag, met terugwerkende kracht een beschikbaarheidsvergoeding over de jaren 2018 en 2019 toe te kennen, berekend op basis van het aantal individueel gewerkte beschikbaarheidsuren in 2020. Als bijlage bij dit besluit is een overzicht gevoegd met een berekening per luchthavenmedewerker. Klaagster is niet in dit overzicht opgenomen.
Bij afzonderlijke brieven van 23 maart 2021 zijn de betrokken luchthavenmedewerkers bericht over de toekenning en uitbetaling van deze vergoeding. Nadien zijn de gedragsregels voor on-call medewerkers vastgelegd in de Airport On-Call Policy.
Klaagster stelde het beschikbaarheidsrooster voor de luchthaven op en verstrekte maandelijks overzichten van beschikbaarheidsuren per werknemer aan de HR-afdeling. Met ingang van januari 2024 is zij tevens overgegaan tot het declareren van door haarzelf gestelde beschikbaarheidsuren. Over de periode juli tot en met oktober 2024 heeft zij naar aanleiding daarvan betalingen ontvangen tot een totaalbedrag van circa USD 8.000.
Bij e-mail van 29 november 2024 heeft klaagster verweerder verzocht om uitbetaling van achterstallige beschikbaarheidsvergoedingen. Daarbij heeft zij zich beroepen op de besluitvorming uit 2020 en 2021 en gesteld dat zij, ondanks haar functie als afdelingshoofd, nimmer een dergelijke vergoeding heeft ontvangen. Zij verzoekt om betaling van:
- USD 4.236,- voor de twee jaren met terugwerkende kracht (2018 en 2019);
- USD 39.892,32 voor de periode van 2020 tot en met 2023.
Op verzoek van verweerder heeft klaagster een nadere berekening overgelegd. Daaruit blijkt dat zij zich op het standpunt stelt dat ieder uur buiten werktijd – met uitzondering van vakantie- en ziektedagen – als beschikbaarheidsuur dient te worden aangemerkt.
Bij brief van 11 juni 2025 heeft klaagster haar verzoek uitgebreid met:
- USD 1.674,50 over oktober tot en met december 2024;
- USD 3.624,80 over januari tot en met april 2025.
De totale door klaagster gevorderde vergoeding bedraagt daarmee USD 49.427,62.
De bestreden beschikking
2. Bij de bestreden beschikking heeft verweerder het verzoek van klaagster om toekenning van een beschikbaarheidsvergoeding van in totaal USD 49.427,62 afgewezen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat geen wettelijke grondslag bestaat voor toekenning van een beschikbaarheidsvergoeding aan klaagster. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat klaagster niet is aangewezen voor beschikbaarheidsdiensten en niet is opgenomen in de regeling en het rooster zoals dat voor andere luchthavenmedewerkers geldt. Tevens stelt verweerder dat de in 2024 aan klaagster verrichte betalingen ten onrechte hebben plaatsgevonden.
Standpunten van partijen
Klaagster stelt dat zij op grond van artikel 25a van het Rechtspositiebesluit recht heeft op een beschikbaarheidsvergoeding, nu zij gedurende een lange periode structureel buiten werktijd beschikbaar was voor medische evacuaties. Volgens haar was deze beschikbaarheid feitelijk verplicht en vond deze plaats met medeweten en instemming van verweerder. Zij voert aan dat opname in een beschikbaarheidsrooster geen constitutief vereiste is voor het ontstaan van aanspraak op de vergoeding. Voorts stelt zij dat haar coördinerende werkzaamheden niet volledig binnen haar reguliere functie vallen en dat zij feitelijk voortdurend beschikbaar moest zijn.
Daarnaast beroept klaagster zich op het vertrouwensbeginsel. In dat verband wijst zij op de in 2024 aan haar verrichte betalingen, de eerdere besluitvorming uit 2020 waarin ook afdelingshoofden werden genoemd, en correspondentie uit 2024 waaruit volgens haar volgt dat het uitblijven van betaling verband hield met de omvang van het bedrag.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 25a van het Rechtspositiebesluit geen grondslag biedt voor toekenning van een beschikbaarheidsvergoeding aan klaagster. Daartoe voert verweerder aan dat klaagster nimmer door het bevoegd gezag is verplicht om beschikbaarheidsdiensten te verrichten. De werkwijze waarbij klaagster als eerste aanspreekpunt fungeerde, is volgens verweerder door haarzelf ingericht en was niet noodzakelijk, hetgeen wordt bevestigd door de plotselinge wijziging daarvan in april 2025.
Voorts stelt verweerder dat klaagster niet was opgenomen in een beschikbaarheidschema als bedoeld in artikel 37c van het Rechtspositiebesluit, hetgeen een voorwaarde is voor toekenning van de vergoeding. Daarnaast zijn de door klaagster verrichte werkzaamheden beperkt gebleven tot kortdurende coördinatie en behoren deze taken tot haar functie als airport manager.
Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel stelt verweerder dat geen sprake is van een daartoe strekkende toezegging. De aanvankelijke vermelding dat ook afdelingshoofden in aanmerking zouden komen voor een gratificatie, is nadien verlaten bij het eilandsbesluit van 18 maart 2021. Uit dat besluit en de daaropvolgende uitvoering blijkt evident dat de regeling niet op klaagster van toepassing was. Ten aanzien van de in 2024 verrichte betalingen, voert verweerder aan dat deze ten onrechte – en op basis van onjuiste informatie van klaagster – zijn geschied. Deze betalingen kunnen daarom niet leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen. Ten slotte betwist verweerder de hoogte van de door klaagster gevorderde bedragen.
Wettelijk kader
Artikel 25a, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit bepaalt dat aan de ambtenaar die door het bevoegd gezag de verplichting is opgelegd buiten het voor hem vastgestelde dienstrooster beschikbaar te zijn om op afroep dienst te gaan verrichten zonder de verplichting op de werkplek aanwezig te zijn, wordt, voor zover hij tijdens de beschikbaarheid geen werkzaamheden heeft verricht, een vergoeding toegekend voor elk uur dat hij volgens het beschikbaarheidschema, bedoeld in artikel 37c, tweede lid, beschikbaar is geweest.
Artikel 37c, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit bepaalt voorts dat aan de ambtenaar door het bevoegd gezag de verplichting kan worden opgelegd buiten het voor hem vastgestelde dienstrooster of buiten de voor hem geldende regeling van de werktijden op basis van een daartoe opgesteld beschikbaarheidschema beschikbaar te zijn zonder de verplichting op de werkplek aanwezig te zijn om op afroep dienst te gaan verrichten.
Voldoet klaagster aan de voorwaarden voor een beschikbaarheidsvergoeding?
Het Gerecht dient te beoordelen of klaagster aanspraak heeft op een beschikbaarheidsvergoeding op grond van artikel 25a van het Rechtspositiebesluit.
Uit artikel 25a juncto artikel 37c van het Rechtspositiebesluit volgt dat een aanspraak op een beschikbaarheidsvergoeding slechts ontstaat indien sprake is van een door het bevoegd gezag opgelegde verplichting tot beschikbaarheid buiten het dienstrooster, welke verplichting is vastgelegd in een beschikbaarheidschema.
Klaagster heeft aangevoerd dat opname in een beschikbaarheidschema geen constitutief vereiste is en dat zij feitelijk structureel beschikbaarheidsdiensten heeft verricht. Het Gerecht volgt dit standpunt niet. De regeling koppelt de aanspraak op beschikbaarheidsvergoeding uitdrukkelijk aan een formeel opgelegde verplichting tot beschikbaarheid, neergelegd in een beschikbaarheidschema. Zonder een dergelijke aanwijzing staat niet vast dat sprake is van beschikbaarheidsdiensten in de zin van de regeling. De enkele omstandigheid dat binnen de organisatie een bepaalde praktijk bestond, is ontoereikend om een aanspraak te doen ontstaan.
Voor zover klaagster stelt dat zij op instructie van verweerder beschikbaarheidsdiensten heeft verricht, overweegt het Gerecht dat uit de stukken niet blijkt van een expliciete, op haar persoon gerichte aanwijzing daartoe door het bevoegd gezag. De door klaagster beschreven werkzaamheden als airport manager, waaronder de coördinatie van medische evacuaties, moeten worden onderscheiden van een formeel opgelegde beschikbaarheidsdienst. Feitelijke beschikbaarheid of bereikbaarheid is daarvoor onvoldoende. Dat deze werkwijze reeds vóór haar aanstelling bestond, leidt niet tot een ander oordeel.
Klaagster heeft aangevoerd dat zij bij medische evacuaties regelmatig naar de luchthaven moest komen en feitelijk beschikbaar diende te zijn. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat haar betrokkenheid bestond uit twee onderdelen. Enerzijds nam zij, in haar hoedanigheid van eindverantwoordelijke op de luchthaven, werkzaamheden over indien de aangewezen AFISO niet bereikbaar of beschikbaar was. Anderzijds verrichtte zij coördinerende werkzaamheden, waaronder het optreden als eerste aanspreekpunt en het onderhouden van contact met betrokken partijen. Het Gerecht stelt vast dat deze werkzaamheden voortvloeiden uit haar leidinggevende functie en de daarbij behorende verantwoordelijkheden en niet kunnen worden aangemerkt als een formeel opgelegde beschikbaarheidsdienst. Van belang daarbij is dat klaagster met ingang van april 2025 de werkwijze zelf heeft aangepast, in die zin dat zij de coördinatie van medische evacuaties per direct heeft overgedragen aan de op het beschikbaarheidschema geplaatste AFISO’s. Dit bevestigt dat de invulling daarvan binnen haar eigen organisatorische verantwoordelijkheid viel en niet voortvloeide uit een door het bevoegd gezag opgelegde verplichting.
De door klaagster bepleite uitleg van de regeling inzake beschikbaarheidsdiensten, zoals neergelegd in artikel 25a juncto artikel 37c van het Rechtspositiebesluit en nader uitgewerkt in het personeelshandboek, is tenslotte niet verenigbaar met de systematiek daarvan. In deze regeling is voorzien in een vooraf vastgesteld beschikbaarheidschema, opgesteld in overleg met de leidinggevende, waarbij per periode een begrensde maximale beschikbaarheid wordt aangewezen. De regeling gaat uit van expliciet aangewezen en geregistreerde beschikbaarheid en niet van feitelijk buiten het rooster ingevulde beschikbaarheid. Klaagster hanteert daarentegen als uitgangspunt dat nagenoeg alle uren buiten werktijd als beschikbaarheidsuren moeten worden aangemerkt. Die benadering verdraagt zich niet met het systeem van vooraf vastgestelde roosters en gemaximeerde beschikbaarheidsperioden en leidt tot dubbeltelling, nu zowel de op het schema aangewezen medewerkers als klaagster aanspraak zouden kunnen maken op vergoeding voor dezelfde perioden. Dat klaagster als afdelingshoofd betrokken was bij de inrichting en uitvoering van deze regeling, brengt mee dat de door haar thans verdedigde uitleg afbreuk doet aan de overtuigingskracht daarvan.
Gelet op het voorgaande kwalificeren de feitelijke werkzaamheden en betrokkenheid van klaagster bij medische evacuaties niet als het verrichten van beschikbaarheidsdiensten in de zin van artikel 25a van het Rechtspositiebesluit.
Vertrouwensbeginsel
Klaagster heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat sprake is van een concrete, ondubbelzinnige toezegging van het daartoe bevoegde bestuursorgaan, waaraan gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend.
De door klaagster overgelegde e-mail van de toenmalige eilandsecretaris uit 2020 kan niet als een toezegging worden aangemerkt. Deze mededeling had betrekking op een mogelijke gratificatie en is nadien gevolgd door formele besluitvorming bij eilandsbesluit van 18 maart 2021, waarbij van toekenning van een gratificatie is afgezien en is gekozen voor een vergoeding op basis van een individuele berekening. Klaagster is hierbij niet als gerechtigde aangemerkt. Voor zover klaagster zich beroept op in 2024 verrichte betalingen, geldt dat deze enkele betalingen op zichzelf niet kunnen worden aangemerkt als een ondubbelzinnige en aan het bevoegde gezag toe te rekenen toezegging. Niet is gebleken dat deze betalingen zijn verricht op basis van een kenbare en definitieve standpuntbepaling die was gericht op het doen ontstaan van een aanspraak. Dat deze betalingen hebben plaatsgevonden, is in het licht van de gedingstukken onvoldoende om gerechtvaardigd vertrouwen te kunnen baseren. Van andere toezeggingen is niet gebleken.
Van gerechtvaardigd gewekt vertrouwen is gelet op het voorgaande geen sprake. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Conclusie
Nu niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 25a juncto artikel 37c van het Rechtspositiebesluit, bestaat geen aanspraak op een beschikbaarheidsvergoeding. Het bestreden besluit berust op een juiste toepassing van het recht en kan derhalve in stand blijven.
Het bezwaar is ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing
Het Gerecht:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 1 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.