GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
Uitspraak
in de zaak van:
[klager],
wonende te Curaçao,
klager,
gemachtigde: mr. A.C. Herrera,
tegen:
de Regering van Curaçao,
hierna: de Regering,
verweerster,
gemachtigde: mr. J.G. Ricardo
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klager tegen het uitblijven van een beslissing van de Regering op zijn verzoek van 1 december 2023 (het verzoek).
Klager heeft op 28 november 2024 bezwaar ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek. Op 7 december 2024 heeft klager aanvullende stukken ingediend en op 27 maart 2025 een aanvullend verzoek tot vergoeding van reis- en verletkosten.
De Regering heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen contramemorie ingediend.
Het Gerecht heeft het bezwaar op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Beoordeling door het Gerecht
2. Het Gerecht beoordeelt het bezwaar tegen het uitblijven van een beschikking op het verzoek van klager. Het Gerecht heeft eerst beoordeeld of het verzoek kan leiden tot een voor bezwaar vatbare beschikking. Dat is het geval en het Gerecht acht zich bevoegd om van het bezwaar kennis te nemen. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het bezwaar gegrond is. De Regering heeft nog niet beslist op het verzoek van klager. Gezien het tijdsverloop is sprake van een weigering te beschikken op het verzoek. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is het wettelijk kader?
3. Het volgend wettelijk kader is in deze zaak relevant.
Artikel 35, eerste lid, van de RAr bepaalt dat een bezwaarschrift kan worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgende door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden, waarvoor die bevoegdheid is gegeven.
Artikel 41, eerste lid, van de RAr schrijft voor dat het bezwaarschrift wordt ingediend binnen dertig dagen na de dag, waarop de aangevallen beschikking of de aangevallen handeling of weigering genomen, verricht of uitgesproken is.
Artikel 41, tweede lid, van de RAr, bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd, of waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.
Leidt het verzoek van klager tot een beschikking in de zin van de RAr?
4. De vraag die allereerst aan het Gerecht voorligt is of een beslissing op het verzoek van klager kan worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de RAr.
Klager heeft in het verzoek van 1 december 2023 verzocht om het beslisdocument van de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening (BPD) van 10 mei 2017 (het beslisdocument) alsnog door de Raad van Ministers (RvM) te laten ratificeren. Het verzoek is gericht aan de Regering, ter attentie van de minister van BPD. In het beslisdocument wordt voorgesteld om klager per 1 september 2009 te bevorderen naar schaal 14.
Ter zitting heeft klager toegelicht dat zijn verzoek is gericht aan de Regering en dat de Regering moet beslissen, al dan niet via een beslissing van de RvM. De Regering heeft ter zitting verklaard dat zij het verzoek opvat als aan haar gericht en dat zij gehouden is om daarop te beslissen.
Gelet op het voorgaande vat het Gerecht het verzoek zo op dat klager aan de Regering verzoekt om een bevordering per 1 september 2009. Of voor de beslissing van de Regering nog een beslissing van de RvM nodig is, is ter overweging aan de Regering. Het Gerecht is daarom van oordeel dat het verzoek van klager leidt tot een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 35 van de RAr en acht zich bevoegd om van het bezwaar kennis te nemen.
Is sprake van een weigering om te beschikken?
5. De volgende vraag die het Gerecht moet beantwoorden is of sprake is van een weigering om te beschikken op het verzoek van klager.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (de Raad) ontstaat bij gebreke van een wettelijke beslistermijn een weigering om te beschikken na verloop van een periode tussen de vier maanden en een jaar na het indienen van een verzoek om een beschikking. Deze termijn is afhankelijk van de ingewikkeldheid van het verzoek en de bekendheid van het beschikkend orgaan met de desbetreffende materie.
Het Gerecht stelt vast dat ten tijde van de indiening van het bezwaar bijna een jaar was verstreken sinds klager het verzoek heeft gedaan. De Regering heeft nog steeds niet op het verzoek beslist. Het Gerecht is van oordeel dat sprake is van een weigering te beschikken op het verzoek. Het bezwaar is daarom gegrond en de weigering te beschikken op het verzoek zal worden vernietigd.
De weigering om te beschikken wordt in de RAr niet als een afwijzende beschikking, noch als een goedkeurende beschikking gekwalificeerd. De mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken is primair een procedureel middel dat kan worden gebruikt om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming. De Regering zal dus alsnog een beslissing moeten nemen op het verzoek van klager. Het Gerecht zal de termijn daarvoor op drie maanden bepalen.
Conclusie en gevolgen
6. Het bezwaar is gelet op het voorgaande gegrond. Het Gerecht zal de weigering om te beschikken vernietigen en de Regering opdragen om binnen drie maanden alsnog te beschikken op het verzoek van klager.
7. Het Gerecht ziet aanleiding om, met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Regering te veroordelen in de proceskosten van klager. Het Gerecht begroot de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op Cg 350,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt Cg 700,-, wegingsfactor 0,25 in verband met de relatieve eenvoud van de zaak).
Verder heeft klager verzocht om vergoeding van reis- en verletkosten. Het Gerecht acht de reiskosten van Cg 22,40 (uitgaande van een kilometervergoeding van Cg 0,35 en een afstand van 64 kilometer) voldoende aannemelijk gemaakt en billijk en zal het verzoek in zoverre toewijzen. De gestelde verletkosten van Cg 233,- van het tijdsverzuim voor het persoonlijk bijwonen van de zitting zijn echter onvoldoende onderbouwd. Klager heeft geen bewijsstukken overgelegd die aantonen dat hij freelance consultant /functiewaarderingsdeskundige is en door het bijwonen van de zitting inkomsten is misgelopen. Daarom heeft klager de verletkosten niet aannemelijk gemaakt en wordt dat deel van het verzoek afgewezen.
Beslissing
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
- verklaart het bezwaar van klager gegrond;
- vernietigt de weigering van de Regering om te beslissen op het verzoek van klager;
- draagt de Regering op om binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op het verzoek van klager;
- veroordeelt de Regering tot betaling aan klager van zijn proceskosten tot een bedrag van Cg 372,40,-.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de RvBAz van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz) Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.