ECLI:NL:OGAACMB:2026:36

ECLI:NL:OGAACMB:2026:36

Instantie Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 25-05-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer AUA202502573
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Ingangsdatum bevordering.

Uitspraak

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar in de zin van de

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klaagster],

wonend in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).

INLEIDING

Bij landsbesluit van 16 juli 2025 (het bestreden landsbesluit), door klaagster ontvangen op 1 augustus 2025, heeft verweerder besloten klaagster met ingang van 1 mei 2023 te bevorderen naar schaal 8.

In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klaagster gericht tegen voornoemd landsbesluit, ingediend bij het gerecht op 15 augustus 2025.

Verweerder heeft op 3 november 2025 stukken bij het gerecht ingediend.

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 2 februari 2026. Klaagster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De uitspraak is hierna nader bepaald op vandaag.

BEOORDELING

2. Het gerecht is van oordeel dat het bezwaar van klaagster ongegrond dient te worden verklaard. Het gerecht licht dit oordeel hierna toe.

Wat is relevant om te weten?

Klaagster is als ambtenaar werkzaam bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba (DGwA).

Bij landsbesluit van 13 april 2023 is klaagster met ingang van 1 januari 2021 ingepast in de nieuwe formatiestructuur van de DGwA in de functie van penitentiair inrichtingsmedewerker en bevorderd naar schaal 7.

Bij landsbesluit van 26 juni 2024 is klaagster met ingang van 1 januari 2021 aangesteld in de functie van ploegcommandant detentie, zonder dat haar inschaling daarbij is aangepast. Deze functie is gewaardeerd op het maximum van schaal 9.

Bij schrijven van de voorzitter van het managementteam van de DGwA van 22 augustus 2024 is voorgesteld klaagster te bevorderen naar schaal 8.

Bij advies van het Departamento di Recurso Humano (DRH) van 10 maart 2025 is geadviseerd klaagster in haar huidige functie van ploegcommandant detentie met ingang van 1 mei 2023 te bevorderen naar schaal 8.

Bij het bestreden landsbesluit is klaagster, conform voornoemd advies, bevorderd naar schaal 8.

Het bezwaar van klaagster richt zich tegen de ingangsdatum van de bevordering.

Waarom kan klaagster zich niet verenigen met de ingangsdatum van de bevordering?

4. Klaagster kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van haar bevordering naar schaal 8, nu deze volgens haar had moeten worden vastgesteld op 1 januari 2021, zijnde de datum waarop zij is geplaatst in de functie van ploegcommandant detentie. Voor deze bevordering had de anciënniteitsperiode van 1 januari 2019 tot 1 januari 2021 in acht moeten worden genomen. De dagen van arbeidsongeschiktheid die verweerder haar thans tegenwerpt, vallen buiten die periode en kunnen daarom niet leiden tot vertraging van haar bevordering. Dat verweerder heeft besloten haar eerst met ingang van 1 mei 2023 naar schaal 8 te bevorderen, acht zij dan ook onjuist. Volgens klaagster kan het bestreden landsbesluit al daarom niet in stand blijven.

Ter zitting heeft klaagster zich daarnaast op het standpunt gesteld dat zij reeds met ingang van 1 januari 2017 naar schaal 7 bevorderd had moeten worden. Klaagster voert daartoe aan dat zij sinds 1 januari 2017 feitelijk de functie van ploegcommandant binnendienst vervult en niet die van ploegcommandant detentie. Om die reden had zij reeds per 1 januari 2017 bevorderd moeten worden naar de rang van opzichter binnendienst (schaal 7). Volgens klaagster brengt ook deze omstandigheid met zich dat zij per 1 januari 2021 in aanmerking had moeten komen voor bevordering naar schaal 8. Klaagster concludeert daarom dat het landsbesluit van 13 april 2023, waarbij zij met ingang van 1 januari 2021 is ingepast in de functie van penitentiair inrichtingswerker en is bevorderd naar schaal 7, in strijd is met de aanstellings- en bevorderingseisen van de DGwA. Volgens klaagster heeft verweerder het rangenstelsel van de sector Detentie verward met dat van de sector Binnendienst, waardoor zij is benadeeld.

Wat is het standpunt van verweerder?

5. Met betrekking tot de verschuiving van de ingangsdatum van de bevordering heeft verweerder aangevoerd dat klaagster gedurende de anciënniteitsperiode van 1 januari 2021 tot 1 januari 2023 gedurende 143 dagen arbeidsongeschikt is geweest. Daarmee heeft zij volgens verweerder de gedoogperiode van 45 dagen met 98 dagen overschreden, met als gevolg dat de datum waarop zij voor bevordering in aanmerking komt is verschoven naar 9 april 2023. Om uitvoeringstechnische redenen is de bevordering vervolgens vastgesteld op de eerste dag van de maand volgend op die waarin aan de bevorderingseisen is voldaan.

Ten aanzien van de ter zitting aangevoerde bezwaren tegen het landsbesluit van 13 april 2023 heeft verweerder aangevoerd dat deze buiten beschouwing dienen te blijven, nu zij eerst ter zitting en derhalve tardief naar voren zijn gebracht. Bovendien hebben deze bezwaren betrekking op de inpassing en bevordering van klaagster naar schaal 7, terwijl zij tegen het desbetreffende landsbesluit geen rechtsmiddel heeft aangewend. Volgens verweerder kan klaagster met deze bezwaren niet alsnog een opening creëren om tegen dat landsbesluit op te komen, nu het onderhavige bezwaar uitsluitend betrekking heeft op de verschuiving van haar bevordering wegens arbeidsongeschiktheidsdagen.

Wat staat in de wet?

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

Ingevolge artikel 4, tweede lid van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (hierna: BRA), dient de ambtenaar om in aanmerking te kunnen komen voor een bevordering, aan de voor de desbetreffende betrekking bedoelde eisen te voldoen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht.

Wat vindt het gerecht?

7. In geschil is de vraag of verweerder de ingangsdatum van de bevordering van klaagster naar schaal 8 heeft kunnen bepalen op 1 mei 2023. Het gerecht oordeelt als volgt.

Klaagster is bij landsbesluit van 13 april 2023 met ingang van 1 januari 2021 ingepast in de nieuwe formatiestructuur in de functie van penitentiair inrichtingswerker en bevorderd naar schaal 7. Vaststaat dat klaagster daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend, zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Evenmin heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen het landsbesluit van 26 juni 2024, waarbij zij met ingang van 1 januari 2021 is aangesteld in de functie van ploegcommandant detentie, zonder dat haar inschaling daarbij is gewijzigd, zodat ook dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Voor zover klaagster opkomt tegen de ingangsdatum van de bevordering naar schaal 7, overweegt het gerecht dat deze datum reeds in rechte vaststaat en derhalve buiten de omvang van het onderhavige geding valt.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor een vervolgbevordering naar schaal 8 een anciënniteitperiode van twee jaar geldt. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat klaagster na het vervullen van twee dienstjaren in schaal 7, derhalve eerst met ingang van 1 januari 2023, in aanmerking komt voor bevordering naar schaal 8.

Dat klaagster per 1 januari 2021 is aangesteld in de functie van ploegcommandant detentie, brengt niet met zich dat zij met ingang van die datum naar schaal 8 had moeten worden bevorderd. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat het hier geen benoemde functie betreft, maar een carrièrefunctie, hetgeen meebrengt dat de schalen achtereenvolgens dienen te worden doorlopen (tot het maximum van schaal 9).

Ten aanzien van de op grond van het door verweerder gehanteerde zogenoemde ‘90-dagenbeleid’ wegens arbeidsongeschiktheid toegepaste verschuiving van de ingangsdatum van de bevordering naar 1 mei 2023, overweegt het gerecht als volgt.

Uit hetgeen onder 7.1 is overwogen volgt dat voor de beoordeling of een periode van inactiviteit wegens arbeidsongeschiktheid aanleiding geeft om de bevorderingsdatum te verschuiven, het aantal dagen van arbeidsongeschiktheid in de periode van 1 januari 2021 tot 1 januari 2023 in aanmerking dient te worden genomen; dit is immers de relevante anciënniteitsperiode.

Uit het bestreden landsbesluit blijkt dat verweerder deze anciënniteitsperiode in acht heeft genomen en het aantal dagen van arbeidsongeschiktheid in deze periode op juiste wijze heeft betrokken bij de beoordeling. Gesteld noch gebleken is dat het vastgestelde aantal arbeidsongeschiktheidsdagen onjuist is, dat verweerder het ‘90-dagenbeleid’ onjuist heeft toegepast, dan wel dat anderszins sprake is van een berekeningsfout.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de ingangsdatum van de bevordering van klaagster naar schaal 8 heeft kunnen bepalen op 1 mei 2023.

CONCLUSIE

Het gerecht komt tot de slotsom dat de aangevoerde bezwaargronden niet slagen. Het bezwaar zal daarom ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. drs. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 mei 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:

als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;

in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. drs. A.A. Wever

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand