Datum: 25 mei 2026
Zaaknummers: SXM202501348-GAZ 21/2025
SXM202501349-GAZ 22/2025
SXM202501350-GAZ 23/2025
SXM202501351-GAZ 24/2025
SXM202501352-GAZ 25/2025
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In de gedingen van:
1. [klager 1],
2. [klager 2],
3. [klager 3],
4. [klager 4],
5. [klager 5],
allen wonend in Sint Maarten,
hierna afzonderlijk te noemen: [klager 1], [klager 2], [klager 3], [klager 4] en [klager 5],
hierna tezamen te noemen: klagers,
gemachtigde: D.W.O. Francisca,
tegen
1. DE GOUVERNEUR VAN HET LAND SINT MAARTEN,
2. DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN HET LAND SINT MAARTEN,
gezeteld te Sint Maarten,
hierna afzonderlijk te noemen: de Gouverneur respectievelijk de minister,
hierna tezamen te noemen: verweerders,
gemachtigde: mr. D.I. Schram.
Procesverloop
Bij vier afzonderlijke landsbesluiten van 28 november 2025 (nrs. LB-25/513, LB-25/514, LB-25/515 en LB-25/511) heeft de Gouverneur de rechtspositie van [klager 1], [klager 3], [klager 4] en [klager 5] met ingang van 1 januari 2023 vastgesteld. Daarbij zijn zij geplaatst in de rang van hoofdagent bij het Korps Politie Sint Maarten (hierna: KPSM) in schaal P8, trede 10, hetgeen overeenkomt met een maandelijks bezoldigingsbedrag van Cg 6.570,-.
Bij landsbesluit van 28 november 2025 (nr. LB-25/512) heeft de Gouverneur de rechtspositie van [klager 2] met ingang van 1 januari 2023 vastgesteld. Daarbij is hij geplaatst in de rang van agent bij het KPSM in schaal P7, trede 13, hetgeen overeenkomt met een maandelijks bezoldigingsbedrag van Cg 6.430,-.
Klagers hebben bij afzonderlijke bezwaarschriften, ingediend ter griffie van het Gerecht op 23 december 2025, bezwaar gemaakt tegen deze landsbesluiten.
Namens de minister zijn afzonderlijke contra-memories ingediend.
Klagers hebben een brief d.d. 26 maart 2026 ingediend.
Bij e-mailbericht van 31 maart 2026 heeft het Gerecht:
Bij brief van 13 april 2026 heeft de gemachtigde van verweerders aanvullende stukken overgelegd.
Bij akte van 13 april 2026, ingekomen op 14 april 2026, heeft de minister een schriftelijke zienswijze ingediend.
Bij brief van 13 april 2026 hebben klagers eveneens een schriftelijke zienswijze ingediend.
Mondelinge behandeling van de bezwaarschriften heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. [klager 1], [klager 3], [klager 4] en [klager 5] zijn in persoon verschenen. [klager 2] en de gemachtigde van klagers hebben per videoverbinding deelgenomen aan de behandeling vanuit het gerechtsgebouw in Curaçao. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde voornoemd. De gemachtigde van klagers heeft op schrift gestelde pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
Het Gerecht heeft de onderhavige zaken met voorrang behandeld naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Sint Maarten (hierna: de Raad) van 18 maart 2026. Daarbij merkt het Gerecht op dat de zaak van [klager 6], die betrekking heeft op een vergelijkbaar geschil, eerst op 24 maart 2026 bij het Gerecht is ingediend en daarom nog niet zittingsrijp was. Die zaak zal afzonderlijk met voorrang worden behandeld.
De uitspraak is (nader) bepaald op heden.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Klagers zijn allen reeds jarenlang werkzaam bij het KPSM en zijn al geruime tijd ingeschaald in schaal P7. Naar aanleiding van de inwerkingtreding van gewijzigde regelgeving met betrekking tot de rechtspositie van politieambtenaren in Sint Maarten hebben zij in maart 2023 een plaatsingsaanbod ontvangen. Dit aanbod hield in essentie in dat hun inschaling in schaal P7 ongewijzigd bleef. Klagers hebben daarop correctieverzoeken ingediend. Bij brieven van 2 januari 2024 heeft de minister deze correctieverzoeken afgewezen.
In augustus 2023 hebben klagers afzonderlijke verzoeken bij de minister ingediend om aanpassing van hun rechtspositie (hierna: de bevorderingsverzoeken). Daarbij hebben zij verzocht om bevordering naar schaal P8, trede 8, met ingang van uiterlijk 1 januari 2018.
Omdat een beslissing op de bevorderingsverzoeken uitbleef, hebben klagers op 13 oktober 2023 bezwaar gemaakt bij het Gerecht. Bij uitspraak van 5 februari 2024 heeft het Gerecht de bezwaren van klagers niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Tegen die uitspraak hebben klagers hoger beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 15 januari 2025 heeft de Raad de uitspraak van het Gerecht van 5 februari 2024 vernietigd en de bezwaren tegen de fictieve weigeringen om op de bevorderingsverzoeken te beslissen gegrond verklaard. Daarbij heeft de Raad de minister opgedragen te bespoedigen dat de Gouverneur binnen twee maanden beslissingen neemt op de bevorderingsverzoeken.
Op 18 maart 2025 hebben klagers bezwaar gemaakt bij de minister tegen het uitblijven van beslissingen op de bevorderingsverzoeken.
Op 2, 3 en 4 april 2025 hebben klagers bezwaarschriften ingediend bij het Gerecht als bedoeld in de artikelen 35, 41 en 96 van de Regeling Ambtenarenrechtspraak (hierna: RAr).
Bij uitspraak van 8 september 2025 heeft het Gerecht de bezwaren van klagers ongegrond verklaard, omdat de gedane verzoeken niet voor toewijzing in aanmerking komen.
Tegen de uitspraak van het Gerecht van 8 september 2025 hebben klagers op 7 oktober 2025 hoger beroep ingesteld.
Op 28 november 2025 heeft de Gouverneur beslist op de bevorderingsverzoeken van klagers; deze landsbesluiten zijn op 9 december 2025 aan klagers uitgereikt.
Tegen deze landsbesluiten hebben klagers bezwaar gemaakt bij het Gerecht. Die bezwaren liggen in deze procedure ter beoordeling voor.
Bij uitspraak van de Raad van 18 maart 2026 (zaaknummers SXM2025H00088 tot en met SXM2025H00093) heeft de Raad de door klagers ingestelde hoger beroepen ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Voor zover hier van belang heeft de Raad daarbij het volgende overwogen:
‘… De Raad gaat niet over tot een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de landsbesluiten, zoals door appellanten is verzocht. De reden daarvoor is dat daarover door appellanten een procedure aanhangig is gemaakt bij het Gerecht. Appellanten hebben er recht op dat hun bezwaren tegen die landsbesluiten in twee rechterlijke instanties worden beoordeeld; eerst bij het Gerecht en nadien – indien gewenst – bij de Raad van Beroep. Dat betekent dat het Gerecht nu aan zet is. Omdat de gehele procedure lang heeft geduurd, waarvoor overigens de minister excuses heeft aangeboden, zal de Raad bij het Gerecht er op aandringen om de bezwaren van appellanten – zo mogelijk – met de nodige voorrang te behandelen.’
In navolging van de uitspraak van de Raad heeft het Gerecht de bezwaren met voorrang behandeld ter zitting van 20 april 2026.
De Gouverneur en de minister als verweerders
2. Het Gerecht stelt voorop dat de bestreden landsbesluiten formeel zijn vastgesteld door de Gouverneur. Gelet op de aard van het geschil en de wijze waarop de besluitvorming in deze zaak heeft plaatsgevonden, ziet het Gerecht aanleiding om tevens de minister als verweerder in deze procedure aan te merken. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat de voorbereiding en inhoudelijke beoordeling van de bevorderingsverzoeken onder verantwoordelijkheid van de minister hebben plaatsgevonden. Voorts volgt uit eerdere procedures en uitspraken van de Raad dat het handelen van de minister in verband met die besluitvorming onderwerp van geschil is geweest. De hierna volgende beoordeling ziet daarom zowel op de totstandkoming van de landsbesluiten als op de daaraan voorafgaande voorbereiding door de minister.
Beoordeling van de landsbesluiten van 28 november 2025
3. Het Gerecht stelt vast dat in de landsbesluiten, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 15 januari 2025, is overwogen dat op de bevorderingsverzoeken van klagers dient te worden beslist. Het Gerecht acht dit een juiste lezing van de uitspraak van de Raad.
4. Het Gerecht constateert echter dat in de landsbesluiten niet volledig op de bevorderingsverzoeken is beslist en die beslissing niet deugdelijk is gemotiveerd. De verzoeken van klagers zien immers op bevordering met een ingangsdatum gelegen vóór 1 januari 2023, terwijl in de landsbesluiten uitsluitend de rechtspositie van klagers met ingang van 1 januari 2023 is vastgesteld. Ten aanzien van de periode vóór 1 januari 2023 is slechts overwogen dat de rechtspositie van klagers bij nader uit te geven landsbesluiten zal worden vastgesteld.
5. Gelet hierop zijn de landsbesluiten in strijd met hetgeen in de uitspraak van de Raad van 15 januari 2025 is overwogen en ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat in de landsbesluiten melding wordt gemaakt van een procedure zoals uiteengezet in een schrijven van de voormalige minister van 18 maart 2024, terwijl dit stuk – ondanks een uitdrukkelijk verzoek van het Gerecht – niet is overgelegd. Daardoor ontbreekt inzicht in de gehanteerde procedure en kan de besluitvorming niet inzichtelijk worden getoetst.
6. De conclusie is dat de landsbesluiten in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel tot stand zijn gekomen. De bezwaren zijn gegrond en de landsbesluiten worden vernietigd.
Hoe nu verder?
7. Het Gerecht stelt op basis van de hiervoor weergegeven voorgeschiedenis vast dat klagers sinds augustus 2023 trachten verweerders te bewegen inhoudelijk op hun bevorderingsverzoeken te beslissen. Ook in de onderhavige procedure is gebleken dat verweerders niet hebben voldaan aan de op hen rustende verplichting om op deze verzoeken te beslissen, ondanks eerdere rechterlijke uitspraken waarbij de minister is opgedragen te bewerkstelligen dat besluitvorming plaatsvindt.
8. In het kader van finale geschilbeslechting en ter waarborging van effectieve rechtsbescherming, alsmede om te voorkomen dat die rechtsbescherming illusoir wordt door het uitblijven van een inhoudelijke beslissing, heeft het Gerecht aanleiding gezien verweerders alsnog te laten ingaan op de bevorderingsverzoeken voor zover deze betrekking hebben op de periode vóór 1 januari 2023. Het Gerecht heeft daartoe tevens stukken bij verweerders opgevraagd teneinde zich een oordeel te kunnen vormen over de aanspraken van klagers.
9. Verweerders hebben bij akte van 13 april 2026 een nadere zienswijze ingediend en, voor zover beschikbaar, opgevraagde stukken overgelegd. Klagers hebben eveneens een nadere schriftelijke zienswijze ingediend. De nadere standpunten en stukken zijn vervolgens ter zitting besproken.
10. Het Gerecht zal hierna, op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting, de standpunten van partijen weergeven en beoordelen of klagers aanspraak hebben op bevordering dan wel rechtzetting van hun rechtspositie met ingang van een datum gelegen vóór 1 januari 2023.
Standpunten van partijen over bevordering vóór 1 januari 2023
Klagers stellen dat [klager 1], [klager 3], [klager 4] en [klager 5] met ingang van 1 januari 2017 dienen te worden bevorderd tot hoofdagent in schaal P8, trede 10. Ter onderbouwing verwijzen zij naar door de minister overgelegde memo’s van SOAB, opgesteld in het kader van de concept-landsbesluiten. Daarnaast stellen klagers dat de tredes vanaf 2017 jaarlijks dienen op te lopen, hetgeen zou moeten resulteren in trede 15 per 1 januari 2022, nu zij aanspraak maken op jaarlijkse tredeverhoging op grond van goed functioneren.
Ten aanzien van [klager 2] stellen klagers dat weliswaar geen afzonderlijk concept-landsbesluit of SOAB-memo voor hem is overgelegd, maar dat hij in gelijke omstandigheden verkeert en daarom op gelijke wijze dient te worden behandeld.
Klagers concluderen dat zij met terugwerkende kracht dienen te worden ingeschaald in schaal P8, trede 10, met ingang van 1 januari 2017 en uiterlijk 1 januari 2018, en dat de als gevolg daarvan te weinig ontvangen bezoldiging dient te worden nabetaald. Een beperking van de terugwerkende kracht is volgens hen onredelijk, nu sprake is van herstel van een onjuiste inschaling. Zij stellen zich op het standpunt dat aansluiting moet worden gezocht bij de wettelijke verjaringstermijn van vijf jaren.
Verweerders stellen zich op het standpunt dat bevorderingsverzoeken worden beoordeeld aan de hand van het geldende plaatsingsbeleid, waarbij als bestendige uitvoeringspraktijk geldt dat bevorderingen maximaal drie jaar terugwerken. Deze praktijk sluit volgens hen aan bij Arubaanse jurisprudentie waarin een beperking van de terugwerkende kracht tot drie jaar niet onredelijk is geoordeeld. Aansluiting bij deze lijn ligt volgens verweerders voor de hand in het licht van de beginselen van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en consistentie in de rechtstoepassing. Een verdergaande terugwerkende kracht zou bovendien leiden tot aanzienlijke financiële consequenties voor het Land Sint Maarten.
Verweerders concluderen dat, voor zover al aanspraak bestaat op bevordering, deze in elk geval niet verder kan terugwerken dan drie jaar voorafgaand aan de besluitvorming.
Vaststelling rechtspositie van klagers
Het Gerecht stelt vast dat de door de minister overgelegde memo’s van SOAB bij de concept-landsbesluiten tussen partijen niet inhoudelijk zijn bestreden. Het Gerecht neemt deze stukken daarom tot uitgangspunt bij de beoordeling van de rechtspositie van klagers.
Uit deze memo’s volgt – voor zover hier van belang – dat [klager 1], [klager 3], [klager 4] en [klager 5] met ingang van 1 januari 2017 dienen te worden geplaatst in de rang van hoofdagent in schaal P8, trede 10, met een bijbehorend maandelijks bezoldigingsbedrag van Cg 6.570,-. Het Gerecht volgt deze berekening bij de vaststelling van de rechtspositie.
Ten aanzien van [klager 2] ontbreekt een afzonderlijke SOAB-memo. [klager 2] heeft betoogd dat zijn rechtspositie gelijk dient te worden vastgesteld aan die van de overige klagers. Dit standpunt is door verweerders niet, althans niet gemotiveerd, weersproken. De enkele algemene verwijzing naar overgelegde stukken uit het personeelsdossier is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het Gerecht stelt daarom vast dat ook [klager 2] met ingang van 1 januari 2017 dient te worden geplaatst in de rang van hoofdagent in schaal P8, trede 10, met een maandelijks bezoldigingsbedrag van Cg 6.570,-.
Omvang van de rechtspositie (schaal en trede)
De vaststelling van de rechtspositie omvat niet alleen de plaatsing in rang en schaal, maar tevens de daaraan verbonden trede-indeling binnen die schaal. De trede vormt een integraal en dynamisch onderdeel van de bezoldigingsstructuur en volgt uit de toepasselijke rechtspositionele systematiek.
De door het Gerecht vastgestelde rechtspositie per 1 januari 2017 brengt derhalve mee dat klagers per die datum worden geplaatst in schaal P8, trede 10. Vanaf dat moment vindt de verdere tredeontwikkeling plaats overeenkomstig de op klagers toepasselijke rechtspositionele regeling inzake periodieke tredeverhogingen.
Ingangsdatum van de rechtspositionele correctie (bevordering)
Vervolgens ligt ter beoordeling voor de vraag of verweerders in redelijkheid hebben kunnen besluiten om de bevordering eerst per 1 januari 2023 te laten ingaan. Het Gerecht beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
De oorspronkelijke verzoeken van klagers zagen op een correctie van hun rechtspositie met een ingangsdatum uiterlijk per 1 januari 2018. In deze procedure hebben klagers hun standpunt nader gepreciseerd, in die zin dat zij stellen dat reeds per 1 januari 2017 sprake was van een onjuiste inschaling, onder verwijzing naar de door het Gerecht tot uitgangspunt genomen SOAB-memo’s.
Voor de vaststelling van de ingangsdatum is bepalend het moment waarop de onjuiste inschaling materieel is ontstaan en de aanspraak op correctie is komen vast te staan. Het standpunt van verweerders dat de ingangsdatum dient te worden bepaald aan de hand van de datum van besluitvorming op de verzoeken, vindt geen steun in het recht.
Gelet op de inhoud van de SOAB-memo’s moet worden aangenomen dat de onjuiste inschaling van klagers reeds per 1 januari 2017 heeft plaatsgevonden. De juiste ingangsdatum van de rechtspositionele correctie is derhalve 1 januari 2017.
Verweerders hebben zich beroepen op een bestendige uitvoeringspraktijk in Sint Maarten inhoudende dat bevorderingen maximaal drie jaar terugwerken. Dit standpunt is niet met concrete beleidsstukken onderbouwd en wordt daarom niet gevolgd. De enkele verwijzing naar Arubaanse jurisprudentie is onvoldoende, reeds omdat niet is gebleken van een in Sint Maarten geldend en gelijkluidend beleid of bestendige vaste gedragslijn. Het beroep van verweerders op een dergelijke uitvoeringspraktijk in Sint Maarten wordt verworpen.
Verjaring van geldelijke aanspraken
Ten aanzien van de vraag of aanspraken op nabetaling van bezoldiging zijn verjaard, overweegt het Gerecht als volgt.
Op grond van artikel 112 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht verjaren rechtsvorderingen ter zake van bezoldiging en overige geldelijke aanspraken door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
De uit de bevordering voortvloeiende aanspraken op bezoldiging zijn aan te merken als periodieke geldelijke aanspraken in de zin van deze bepaling. Voor de beoordeling van de verjaring wordt aangesloten bij het moment waarop klagers hun aanspraak geldend hebben gemaakt door indiening van de bevorderingsverzoeken. [klager 1], [klager 2] en [klager 4] hebben hun verzoek ingediend op 1 augustus 2023, [klager 3] op 3 augustus 2023 en [klager 5] op 7 augustus 2023. Dit brengt mee dat aanspraken die meer dan vijf jaren vóór deze data opeisbaar zijn geworden, zijn verjaard.
Dit betekent dat aanspraken op nabetaling van bezoldiging over de periode vóór 1 augustus 2018 ([klager 1], [klager 2] en [klager 4]), 3 augustus 2018 ([klager 3]) respectievelijk 7 augustus 2018 ([klager 5]) zijn verjaard. Voor zover de aanspraken betrekking hebben op latere perioden, zijn deze niet verjaard.
Conclusie, zelf voorzien en gevolgen
Zoals eerder overwogen zijn de bezwaren van klagers gegrond en worden de landsbesluiten van 28 november 2025 vernietigd. Het Gerecht ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu op de bevorderingsverzoeken – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – slechts één beslissing mogelijk is, namelijk dat de rechtspositie van alle klagers met ingang van 1 januari 2017 wordt vastgesteld, waarbij zij worden bevorderd naar de rang van hoofdagent bij het KPSM in schaal P8, trede 10, hetgeen overeenkomt met een maandelijks bezoldigingsbedrag van Cg 6.570,-.
Verweerders dienen uitvoering te geven aan deze uitspraak door de tredes vanaf 1 januari 2017 voor ieder opvolgend jaar vast te stellen overeenkomstig de rechtspositionele systematiek en de achterstallige bezoldiging waarop klagers aanspraak hebben uit te betalen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen onder 13 en 15. Hiervoor wordt een termijn van zes weken bepaald.
Ten slotte hebben klagers ter zitting gesteld dat zij inmiddels aanspraak maken op bevordering in schaal 9. Het Gerecht laat deze stelling buiten beschouwing, reeds omdat deze buiten de omvang van de onderhavige bevorderingsverzoeken valt en derhalve niet in dit geding voorligt. Klagers kunnen desgewenst een nieuw verzoek indienen.
Schadevergoeding en proceskosten
Klagers hebben ieder – op de voet van artikel 96, derde lid, van de RAr – verzocht om verweerders te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van Cg 2.500,-. Zij hebben daartoe gewezen op de spanning en frustratie die is ontstaan door het langdurig uitblijven van een beslissing op hun bevorderingsverzoeken.
De gemachtigde van verweerders heeft ter zitting verklaard dat geen verweer wordt gevoerd tegen de gevorderde schadevergoeding.
Het Gerecht stelt vast dat sprake is geweest van een langdurig besluitvormingstraject, waarbij ondanks eerdere rechterlijke uitspraken niet tijdig inhoudelijk is beslist op de verzoeken van klagers. Gelet op deze omstandigheden acht het Gerecht het aannemelijk dat bij klagers immateriële schade is ontstaan. Nu de vordering bovendien niet is weersproken, bestaat aanleiding deze toe te wijzen.
18. Aangezien de bezwaren gegrond worden verklaard, bestaat er aanleiding om verweerders te veroordelen in de door klagers gemaakte proceskosten. Deze worden, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, bepaald op Cg 1.400,-, bestaande uit één punt voor de bezwaarschriften en één punt voor de mondelinge behandeling, met een waarde per punt van Cg 700,-. Gelet op de onderlinge samenhang worden de zaken als één zaak aangemerkt.
Beslissing
Het Gerecht in ambtenarenzaken:
- verklaart de bezwaren van klagers gegrond;
- vernietigt de landsbesluiten van 28 november 2025 met nummers LB-25/511, LB-25/512, LB-25/513, LB-25/514 en LB-25/515;
- bepaalt dat de rechtspositie van klagers met ingang van 1 januari 2017 wordt vastgesteld, in die zin dat zij worden bevorderd naar de rang van hoofdagent bij het Korps Politie Sint Maarten in schaal P8, trede 10, hetgeen overeenkomt met een maandelijks bezoldigingsbedrag van Cg 6.570,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde landsbesluiten;
- bepaalt dat verweerders binnen 6 (zes) weken na heden uitvoering dienen te geven aan deze uitspraak door de tredes vanaf 1 januari 2017 voor ieder opvolgend jaar vast te stellen overeenkomstig de rechtspositionele systematiek en de achterstallige bezoldiging waarop klagers aanspraak hebben uit te betalen, met inachtneming van deze uitspraak, waarbij de minister zorg draagt voor de feitelijke uitvoering daarvan;
- veroordeelt verweerders (ten laste van het Land Sint Maarten) tot vergoeding van de door klagers geleden immateriële schade tot een bedrag van Cg 2.500,- per klager;
- veroordeelt verweerders (ten laste van het Land Sint Maarten) in de proceskosten van klagers tot een bedrag van Cg 1.400,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 25 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest; en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van de toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.