[klager],
1. DE GOUVERNEUR VAN SINT MAARTEN,
2. DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,
Zaaknummer: SXM202600300-GAZ 10/2026
Datum: 24 augustus 2026
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:
wonende te Sint Maarten,
klager,
gemachtigde: mr. S.R. BOMMEL,
tegen
zetelende te Sint Maarten,
hierna afzonderlijk aangeduid als de Gouverneur en de minister, en gezamenlijk als verweerders.
Procesverloop
Bij uitspraak van 24 november 2025 met zaaknummer SXM202500871 (hierna: de eerdere uitspraak) heeft het Gerecht het bezwaar van klager tegen een fictieve weigering gegrond verklaard en de Gouverneur opgedragen binnen acht weken te beslissen op het bezwaarschrift van klager.
Klager heeft op 24 maart 2026 een bezwaarschrift op grond van de artikelen 35 juncto 41 en artikel 96 van de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAr) ingediend ter griffie van het Gerecht alhier.
Verweerders hebben, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen contra-memorie ingediend.
Mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 augustus 2026. Klager is in persoon verschenen, bijgestaan bij gemachtigde voornoemd. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam adviseur], juridisch beleidsadviseur.
De uitspraak is bepaald op heden.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Klager is op 1 maart 2013 in dienst getreden bij het Korps Politie Sint Maarten in de functie van systeembeheerder. Sinds 2014 is klager werkzaam in de functie van systeembeheerder interceptie en sinds 2015/2016 ook in de functie van data beschermingsagent namens Interpol.
Bij beschikking van 7 augustus 2024 is klager ingeschaald in de functie van systeembeheerder met schaal 9, trede 17. Klager heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij stelt dat hij volgens het politie functieboek dient te worden ingeschaald op grond van een politieschaal en niet een ambtenarenschaal. Bij brief van 27 november 2024 heeft de Korpschef een advies gericht aan de minister waarbij deze wordt verzocht de bestreden beschikking te corrigeren en klager in te schalen conform het Rechtspositiebesluit politie Sint Maarten.
Omdat een beslissing op het bezwaar uitbleef heeft klager op 11 augustus 2025 bezwaar gemaakt bij het Gerecht tegen de fictieve weigering. Bij de eerdere uitspraak is het bezwaar tegen de fictieve weigering gegrond verklaard. De Gouverneur is daarbij opgedragen om binnen acht weken na dagtekening van de uitspraak te beslissen op het bezwaarschrift van klager.
Op 26 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden in de bezwaarprocedure tegen de beschikking van 7 augustus 2024.
Na de hoorzitting is geen beslissing op het bezwaar van klager genomen. Klager heeft zich vervolgens vanwege het uitblijven van een beslissing tot het Gerecht gewend met het onderhavige bezwaarschrift.
Standpunten van partijen
Klager voert aan dat verweerders geen uitvoering hebben gegeven aan de eerdere uitspraak, zodat wederom sprake is van een fictieve weigering om te beslissen op het bezwaarschrift. Klager verzoekt het Gerecht in deze procedure primair om zelf in de zaak te voorzien en het verzoek om correcte inschaling integraal toe te wijzen. Subsidiair verzoekt klager verweerders op te dragen binnen één week een beslissing op bezwaar te nemen en een schadevergoeding toe te kennen. Klager acht een schadevergoeding van Cg 18.000, - redelijk, teneinde een sterk signaal af te geven aan verweerders om te handelen volgens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook verzoekt klager om vergoeding van de kosten van juridische bijstand.
De Gouverneur heeft zich niet laten vertegenwoordigen in deze procedure en geen verweer gevoerd. Namens de minister is ter zitting erkend dat nog geen beslissing op het bezwaar is genomen. Daarbij is naar voren gebracht dat zo spoedig mogelijk een landsbesluit op het bezwaarschrift dient te worden genomen. Daartoe heeft de minister op 14 augustus 2026 een concept-landbesluit aan de Gouverneur toegezonden, met het verzoek de behandeling daarvan te bespoedigen. Namens de minister is voorts aangevoerd dat niet kan worden aangegeven binnen welke termijn het landsbesluit daadwerkelijk zal worden uitgevaardigd, nu de verdere besluitvorming bij de Gouverneur ligt.
Beoordeling van de door klager ingediende bezwaar ex artikelen 35 juncto 41 RAr
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de RAr kan een bezwaarschrift worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgende door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden, waarvoor die bevoegdheid is gegeven.
Op grond van artikel 41, eerste lid, wordt het bezwaarschrift ingediend binnen dertig dagen na de dag, waarop de aangevallen beschikkingen of de aangevallen handeling of weigering genomen, verricht of uitgesproken is. Op grond van het tweede lid, eerste volzin, wordt een orgaan geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd, of waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen een redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet heeft verricht.
Naar het oordeel van het Gerecht heeft het door klager ingediende bezwaar geen betrekking op een weigering tot het nemen van een beschikking als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de RAr. De Gouverneur is bij de eerdere uitspraak immers reeds opgedragen om binnen acht weken te beslissen op het bezwaarschrift van klager. Het thans aan het Gerecht voorgelegde uitblijven van een beslissing moet daarom worden aangemerkt als het niet of niet volledig gevolg geven aan de eerdere uitspraak en niet als een nieuwe weigering in de zin van artikel 41, tweede lid, van de RAr.
Het Gerecht verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 8 september 2025, ECLI:NL:OGAACMB:2025:88. Ook in die zaak heeft het Gerecht geoordeeld dat een bezwaar dat in feite strekt tot een verzoek om uitvoering te geven aan een eerdere rechterlijke uitspraak, geen betrekking heeft op een weigering als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de RAr. Anders dan in de Landsverordening administratieve rechtspraak (zie artikel 98) ontbreekt in de RAr een bepaling op grond waarvan het Gerecht in een dergelijke situatie opnieuw kan opdragen om een beslissing te nemen, al dan niet onder verbeurte van een dwangsom.
Het primaire verzoek van klager om zelf in de zaak te voorzien en zijn verzoek om correcte inschaling integraal toe te wijzen, kan evenmin worden toegewezen. De eerdere uitspraak strekte ertoe dat de Gouverneur een beslissing op het bezwaarschrift van klager zou nemen en niet tot een inhoudelijke beslissing over de inschaling van klager. De onderhavige procedure ziet op de vraag of gevolg is gegeven aan de eerdere uitspraak en biedt geen grond om de inhoudelijke beslissing op het oorspronkelijke bezwaar thans in de plaats van de Gouverneur door het Gerecht te laten nemen.
Gelet op het voorgaande zal het Gerecht het bezwaar van klager ex artikelen 35 juncto 41 van de Rar ongegrond verklaren.
Beoordeling van de door klager ingediende bezwaar ex artikel 96 RAr
Op grond van het eerste lid van artikel 96 van de RAr is, indien aan een veroordeling, in zover zij niet op geld luidt, hetzij in eerste aanleg bij een onherroepelijk geworden beslissing, hetzij in hoger beroep uitgesproken, niet of niet volledig gevolg gegeven wordt, de ambtenaar bevoegd een bezwaarschrift bij het Gerecht in te dienen. Indien het bezwaar gegrond wordt bevonden, veroordeelt het Gerecht het betrokken lichaam op grond van het derde lid tot vergoeding en stelt het, met inachtneming van alle omstandigheden, het bedrag van de schadevergoeding bij de beslissing vast.
De eerdere uitspraak is onherroepelijk geworden. Bij deze uitspraak is de Gouverneur opgedragen om binnen acht weken na dagtekening daarvan te beslissen op het bezwaarschrift van klager. Vaststaat dat binnen die termijn geen beslissing is genomen. Ook ten tijde van de behandeling van het onderhavige bezwaarschrift was nog geen beslissing genomen. Daarmee is aan de eerdere uitspraak niet volledig gevolg gegeven.
De eerdere uitspraak richtte de opdracht tot besluitvorming uitsluitend tot de Gouverneur. Dat de voorbereiding van het landsbesluit tot de verantwoordelijkheid van de minister behoort, maakt de minister niet tot de geadresseerde van de in de eerdere uitspraak gegeven opdracht. Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat de minister op 14 augustus 2026 een concept-landbesluit aan de Gouverneur heeft toegezonden. Het concept-landbesluit ligt nu dan ook bij de Gouverneur ter besluitvorming. Het ligt daarmee op de weg van de Gouverneur om alsnog uitvoering te geven aan de eerdere uitspraak.
Het voorgaande betekent dat het bezwaar ex artikel 96 van de RAr gegrond is, voor zover het is gericht tegen het niet of niet volledig gevolg geven aan de eerdere uitspraak door de Gouverneur. Nu de eerdere uitspraak uitsluitend de Gouverneur heeft opgedragen om binnen acht weken op het bezwaarschrift van klager te beslissen, leidt het bezwaar niet tot een veroordeling van de minister, maar tot een veroordeling van de Gouverneur.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of de door klager verzochte schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt. Niet gesteld of gebleken is dat klager vervangende schadevergoeding heeft verzocht ter zake van materiële schade als gevolg van het uitblijven van de beslissing. Uit het bezwaarschrift en het verhandelde ter zitting begrijpt het Gerecht dat klager wel vergoeding van immateriële schade beoogt wegens de vertraging in de besluitvorming en de daarmee gepaard gaande frustratie en spanning.
De Raad van Beroep in Ambtenarenzaken heeft in zijn uitspraak van 1 maart 2024, ECLI:NL:ORBAACM:2024:22, geoordeeld dat frustratie en spanning als gevolg van het niet tijdig gevolg geven aan een rechterlijke uitspraak kunnen worden aangemerkt als voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade. De Raad heeft daarbij als uitgangspunt gehanteerd een bedrag van Cg 500,- per verstreken half jaar dat het betrokken bestuursorgaan in verzuim is geweest.
In het onderhavige geval is de termijn van acht weken waarbinnen de Gouverneur ingevolge de eerdere uitspraak diende te beslissen verstreken op 19 januari 2026. Gelet op de hiervoor genoemde maatstaf en alle omstandigheden van het geval, acht het Gerecht een bedrag van Cg 1.000,- aan immateriële schadevergoeding passend.
Voor zover klager met zijn verzoek om schadevergoeding tevens heeft beoogd een bedrag toegekend te krijgen teneinde de Gouverneur ertoe te bewegen alsnog uitvoering te geven aan de eerdere uitspraak, komt dit deel van het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking. Een dergelijke vergoeding strekt immers niet tot vergoeding van geleden schade, maar tot het afdwingen van nakoming van de eerdere uitspraak en heeft daarmee het karakter van een dwangsom. De RAr voorziet niet in de bevoegdheid van het Gerecht om een dergelijke dwangsom op te leggen.
Voor zover klager een dergelijke maatregel ter afdwinging van de nakoming van de eerdere uitspraak wenst, staat het hem vrij zich daartoe tot de burgerlijke rechter te wenden. De burgerlijke rechter kan, als restrechter, aanvullende rechtsbescherming bieden en aan de nakoming van een rechterlijke uitspraak een dwangsom verbinden.
Gelet op het voorgaande zal het Gerecht het bezwaar ex artikel 96 van de RAr gegrond verklaren en de Gouverneur veroordelen tot betaling aan klager van een bedrag van Cg 1.000,- aan immateriële schadevergoeding. Voor het overige wordt de door klager verzochte schadevergoeding afgewezen.
Nu het bezwaar ex artikel 96 van de RAr gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding de Gouverneur te veroordelen in de door klager in verband met de behandeling van dit bezwaar gemaakte proceskosten. Het Gerecht sluit daarbij aan bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op Cg 700,-- zijnde 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling, waarbij de relatieve eenvoud van de zaak aanleiding geeft om factor 0,5 toe te passen.
Beslissing
Het Gerecht in ambtenarenzaken:
- verklaart het bezwaar op grond van de artikelen 35 juncto 41 RAr ongegrond;
- verklaart het bezwaar op grond van artikel 96 RAr tegen de Gouverneur gegrond;
- veroordeelt de Gouverneur tot vergoeding van schade aan klager tot een bedrag
van Cg 1.000, -;
- veroordeelt de Gouverneur in de proceskosten van klager tot een bedrag
van Cg 700,-;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het Gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 24 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest; en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van de toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.