HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van
de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Klager],
wonend te Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,
gericht tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).
INLEIDING
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klager gericht tegen de beschikking van 22 oktober 2025, waarbij verweerder klager heeft bericht dat zijn verzoek om bevordering naar de rang van commies (schaal 8) en commies 1ste klasse (schaal 9) niet voor inwilliging vatbaar is.
Klager heeft op 2 december 2025 voornoemd bezwaar ingediend bij het gerecht.
Verweerder heeft op 4 mei 2026 een contramemorie en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Het gerecht heeft het bezwaar behandeld ter zitting van 3 juli 2026. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. C.L. Geerman (DRH), occuperende voor voornoemde gemachtigde.
De uitspraak is hierna bepaald op vandaag.
BEOORDELING
Het gerecht is van oordeel dat verweerder het verzoek van klager om bevordering naar de rang van commies (schaal 8) en commies 1ste klasse (schaal 9) heeft mogen afwijzen. Het bezwaar is ongegrond.
Het gerecht legt hierna dit oordeel uit.
Wat zijn de relevante feiten?
Klager is als ambtenaar werkzaam in de functie van medewerker registratie proces-verbaal bij het Openbaar Ministerie (OM).
Bij landsbesluit van 15 september 2022 is klager met ingang van 1 december 2018 bevorderd naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7).
Bij brief van 12 juni 2025 heeft klager verweerder verzocht om een bevordering naar schaal 8 en 9.
Bij schrijven van de procureur-generaal van 30 juni 2025 is negatief geadviseerd over het bevorderingsverzoek van klager, omdat klager reeds de maximale waardering van zijn functie heeft bereikt.
Bij advies van het Departamento di Recurso Humano (DRH) van 18 september 2025 is verweerder geadviseerd om het verzoek van klager af te wijzen wegens het bereiken van de maximale waardering van de functie.
Bij bestreden beschikking heeft verweerder conform het advies van het DRH beslist. In de beschikking staat – voor zover hier relevant – het volgende:
“(…)
De functie van medewerker registratie proces-verbaal bij het Openbaar Ministerie is maximaal gewaardeerd op het niveau van schaal 7.
U heeft met ingang van 1 december 2018 de maximale waardering van de functie bereikt (schaal 7), waardoor u niet bevorderd kan worden.
Derhalve is uw verzoek voor een bevordering naar de rangen van commies (schaal 8) en commies 1ste klasse (schaal 9), niet voor inwilliging vatbaar.
(…).
Wat zijn de standpunten van partijen?
Klager kan zich niet met de afwijzing van zijn bevorderingsverzoek verenigen en voert – samengevat – het volgende aan.
Volgens klager is bij het OM een nieuwe formatie vastgesteld, welke door de ministerraad is goedgekeurd en, volgens de informatie waarover hij beschikt, met ingang van 1 maart 2023 in werking is getreden. In het kader van deze nieuwe formatie is zijn functie gewijzigd in de functie van medewerker ‘paga bo boet’ en vervolgens is hij in april 2023 geplaats in de functie van zittingsvoorbereiding en procesbewaking. Ter onderbouwing hiervan wijst klager erop dat op zijn salarisspecificatie achter zijn huidige functie de vermelding "oud" is opgenomen, waaruit volgens hem kan worden afgeleid dat hij inmiddels in een nieuwe functie is geplaatst. Klager stelt verder dat beide nieuwe functies maximaal zijn gewaardeerd op het niveau van schaal 9. Volgens klager dient hij daarom in aanmerking te komen voor de verzochte bevorderingen.
Daarnaast heeft klager ter zitting aangevoerd dat hij sinds 2022 feitelijk de werkzaamheden van de functie medewerker ‘paga bo boet’ verricht. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij onder meer naar zijn planningsgesprek van 20 maart 2024, waarin onder het onderdeel SMART-formulieren de functie medewerker ‘paga bo boet’ is vermeld. Volgens klager bekleedt hij dus al sinds 2022 feitelijk een functie met een maximale waardering van schaal 9. Nu hij met ingang van 1 december 2018 is bevorderd naar schaal 7, is klager van mening dat hij met ingang van 1 december 2020 aanspraak heeft op bevordering naar schaal 8 en vervolgens met ingang van 1 oktober 2025 op bevordering naar schaal 9, uitgaande van de nieuwe formatie en de daarbij behorende functiewaarderingen. Ter zitting heeft klager verder, desgevraagd, aangegeven dat hij sinds zijn schorsing in zijn ambt niet meer tot zijn werkzaamheden is toegelaten en sindsdien thuis zit. Verder heeft hij meegedeeld dat zijn verzoek om VUT is toegewezen en dat hem met ingang van 1 september 2026 VUT is verleend.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bevorderingsverzoek van klager terecht is afgewezen en voert daartoe – samengevat – het volgende aan.
Volgens verweerder is klager nog steeds geplaatst in de functie van medewerker registratie proces-verbaal. Deze functie is overeenkomstig het formatierapport van het OM van 2012 gewaardeerd op het maximale niveau van schaal 7. Nu klager met ingang van 1 december 2018 reeds naar schaal 7 is bevorderd, heeft hij al het maximumschaalniveau bereikt. Om die reden bestaat geen grond om hem verder te bevorderen. Verder betwist verweerder de stelling van klager dat de nieuwe formatie met ingang van 1 maart 2023 in werking is getreden. Volgens verweerder is de nieuwe formatie pas met ingang van 1 oktober 2025 in werking getreden. Reeds daarom kan klager volgens verweerder geen aanspraak maken op een bevordering met ingang van een eerdere datum. Daarnaast stelt verweerder dat klager zich evenmin kan beroepen op de nieuwe formatie. De plaatsingsprocedure naar aanleiding van de nieuwe formatie is nog niet afgerond en klager is nog niet in een functie binnen de nieuwe formatie geplaatst. Klager heeft ook nimmer een nieuw plaatsingsbesluit ontvangen. Zolang geen nieuw plaatsingsbesluit is genomen, blijft de oude formatie en de daarbij behorende functiewaardering op klager van toepassing. Dat betekent volgens verweerder dat voor klager nog steeds de functie geldt die maximaal is gewaardeerd op schaal 7.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat klager sinds zijn schorsing niet meer tot zijn werkzaamheden is toegelaten. Volgens verweerder acht het hoofd van dienst een terugkeer van klager naar de werkvloer niet wenselijk, omdat de arbeidsverhouding onwerkbaar is geworden. Om die reden is klager in de overtolligheidspoule geplaatst en is hij evenmin betrokken bij de plaatsingsprocedure in het kader van de nieuwe organisatiestructuur. Ten slotte heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat klager geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn bezwaar, nu hem inmiddels, op zijn eigen verzoek, met ingang van 1 september 2026 VUT is verleend.
Wat zegt de wet?
Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.
Ingevolge artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht (gunstige beoordelingsvereiste).
Voor een bevordering naar de rang van commies (schaal 8) en commies 1ste klasse (schaal 9) is vereist dat de door de betrokkene beklede functie een waardering op het niveau van commies en commies 1ste klasse rechtvaardigt (functiewaarderingsvereiste) en voorts met dien verstande dat de betrokkene reeds ten minste twee jaar dienst in de eerdere rang moet hebben volbracht (anciënniteitsvereiste).
Wat vindt het gerecht?
Het geschil spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of verweerder het verzoek van klager om bevordering naar de rang van commies (schaal 8) en commies 1ste klasse (schaal 9) heeft mogen afwijzen.
Uit het landsbesluit van 28 oktober 2020 (het plaatsingsbesluit) blijkt dat klager met ingang van 27 september 2019 is geplaatst in de functie van medewerker registratie proces-verbaal. In dat plaatsingsbesluit is uitdrukkelijk vermeld dat deze functie maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 7. Vaststaat dat klager bij landsbesluit van 15 september 2022 met ingang van 1 december 2018 reeds naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7) is bevorderd. Daarmee heeft hij dan ook het maximumschaalniveau bereikt dat aan de functie van medewerker registratie proces-verbaal is verbonden. Bevordering is gelet hierop dus niet mogelijk.
Klager stelt zich op het standpunt dat de reorganisatie van het OM reeds met ingang van 1 maart 2023 in werking is getreden en dat hij al vanaf 2022, althans vanaf de gestelde datum van de inwerkingtreding van de nieuwe formatie, feitelijk werkzaamheden heeft verricht die behoren bij de hoger gewaardeerde functie van medewerker ‘paga bo boet’.
Het gerecht is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting niet blijkt dat de nieuwe formatie reeds in 2022 dan wel met ingang van 1 maart 2023 in werking is getreden. Uit het advies van de directeur van DRH van 20 mei 2025 (productie 21 van verweerder), waaruit klager ter zitting heeft geciteerd, volgt slechts dat de ministerraad in zijn vergadering van 6 september 2022 besloten heeft om de herindeling van de verschillende afdelingen binnen het OM door te voeren, vooruitlopend op de nieuwe organisatie en het opstarten van het herstructureringsproces en dat het OM een nieuw casemanagementsysteem “Paga Bo Boet” medio oktober 2022 in gebruik heeft genomen. Daaruit volgt niet dat de nieuwe formatie reeds in 2022 of 1 maart 2023 in werking is getreden. Naar het oordeel van het gerecht blijkt uit het door verweerder als productie 23 overgelegde uittreksel van de besluitenlijst van de ministerraad van 5 september 2025 dat de ingangsdatum is vastgesteld op 1 oktober 2025.
Klager heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 2022 of 1 maart 2023 structureel was belast met de werkzaamheden van de functie medewerker 'paga bo boet'. Uit de door hem ter zitting geciteerde passages uit het advies van de directeur van DRH van 20 mei 2025 volgt slechts dat er medewerkers zijn die al vanaf 2022 werkzaam zijn in functies volgens de nieuwe structuur en dat daarmee rekening zal worden gehouden in de plaatsingsprocedure. Daarin staat echter niet dat klager een van die medewerkers was. Bovendien geldt dat de omstandigheid dat klager gedurende een bepaalde periode feitelijk werkzaamheden heeft verricht die het niveau van zijn formele functie overstegen, op zichzelf niet zonder meer aanspraak geeft op bevordering naar een hogere salarisschaal. Indien en voor zover daadwerkelijk sprake is geweest van het verrichten van werkzaamheden behorende bij een hoger gewaardeerde functie, had het op de weg van klager gelegen verweerder te verzoeken hem een waarnemingstoelage toe te kennen dan wel een gratificatie te verlenen.
Ten aanzien van de stelling van klager dat hij in het kader van de reorganisatie reeds in een nieuwe functie had moeten worden geplaatst, is het gerecht van oordeel dat die stelling in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het gerecht motiveert dat als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een nieuwe formatie binnen het OM in werking is getreden, waarbij een nieuwe organisatiestructuur is ingevoerd en nieuwe functies zijn gecreëerd. Vast staat dat klager sinds zijn schorsing feitelijk niet meer tot zijn werkzaamheden is toegelaten, ook niet nadat het gerecht bij uitspraak van 24 maart 2025 de schorsingsbeslissing had vernietigd. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de plaatsingsprocedure naar aanleiding van de reorganisatie inmiddels gaande is, maar dat klager daarin niet is meegenomen omdat hij ten tijde van die procedure was geschorst, het hoofd van dienst hem niet wenste te laten terugkeren en hij daardoor in de overtolligheidspoule is terechtgekomen. In deze procedure ligt echter uitsluitend de rechtmatigheid van de afwijzing van het verzoek om bevordering naar schaal 8 en schaal 9 ter beoordeling voor. De vraag of klager aanspraak kan maken op plaatsing in een functie binnen de nieuwe organisatiestructuur vergt een afzonderlijk besluit van verweerder en valt daarom buiten de omvang van het onderhavige geding. Indien klager van mening is dat hij ten onrechte niet is betrokken bij de plaatsingsprocedure of ten onrechte niet in een functie binnen de nieuwe formatie is geplaatst, ligt het op zijn weg verweerder te verzoeken daarover alsnog een besluit te nemen.
Ten overvloede overweegt het gerecht dat het feit dat aan klager inmiddels met ingang van 1 september 2026 VUT is verleend, anders dan verweerder meent niet zonder meer meebrengt dat hij geen belang meer heeft bij een beslissing over zijn plaatsing binnen de nieuwe formatie. Een plaatsing in een hoger gewaardeerde functie brengt weliswaar op zichzelf niet mee dat klager aanspraak heeft op bevordering naar een hogere salarisschaal, maar kan voor klager wel aanleiding vormen om opnieuw een verzoek om bevordering bij verweerder in te dienen.
CONCLUSIE
7. Het gerecht is van oordeel dat verweerder het verzoek van klager om bevordering naar schaal 8 en schaal 9 heeft mogen afwijzen. Klager is geplaatst in een functie die maximaal is gewaardeerd op schaal 7. Het bezwaar is ongegrond.
8. Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S. Lanshage, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. drs. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 17 juli 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.