GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar als bedoeld in de
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Klager],
wonend in Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: mr. R.P. Lee,
gericht tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: mrs. J.J.S. Poeran en Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).
INLEIDING
1. In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klager tegen de ingangsdatum van zijn bevordering naar de rang van onderhoudsmedewerker A in schaal 4 (zaaknummer AUA202501062) en zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om te worden geplaatst in de functie van 1ste projectmedewerker infrastructuur en verkeer tevens te worden bevorderd naar de rang van onderopzichter 1ste klasse in schaal 5 (zaaknummer AUA202501063).
Deze beslissingen heeft verweerder genomen bij Landsbesluit van 20 februari 2025 no. 9 (hierna: het bestreden bevorderingsbesluit), respectievelijk beschikking van 20 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
Verweerder heeft in juli 2025 contramemories met onderliggende stukken ingediend.
Het gerecht heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 23 februari 2026, waar klager in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. Y.F.M. Kaarsbaan.
OVERWEGINGEN
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken.
Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.
Klager heeft zijn bezwaarschriften op 4 respectievelijk 8 april 2025, dus na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Hij heeft aangevoerd het bestreden bevorderingsbesluit en de bestreden beschikking op 10 maart 2025 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat de bezwaren zijn ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Klager is ontvankelijk in zijn bezwaren.
Waar gaan deze zaken over?
3. Deze zaken gaan over de vraag of verweerder de ingangsdatum van de bevordering van klager naar schaal 4 terecht heeft bepaald op 1 januari 2023 en of verweerder terecht het verzoek van klager om te worden geplaatst in een andere functie en te worden bevorderd naar schaal 5, heeft afgewezen.
4. Voor de beantwoording van die vragen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Klager is met ingang van 1 oktober 2009 aangesteld als ambtenaar in de rang van onderhoudsmedewerker C in schaal 2 bij de Dienst Openbare Werken (DOW), en met ingang van 1 oktober 2012 bevorderd naar de rang van onderhoudsmedewerker B in schaal 3, dienstjaar 8.
Klager is over het jaar 2014 beoordeeld, waarbij het resultaat amper voldoende was. Over de jaren 2015 tot en met 2021 is klager niet formeel beoordeeld. Hij heeft wel meerdere brieven en schriftelijke waarschuwingen ontvangen, waarbij hij werd gewezen op zijn onacceptabel gedrag en houding tegenover collega’s. In september 2014 heeft een controleur van de DOW aangifte wegens bedreiging tegen klager gedaan. Bij Landsbesluit van 7 december 2020 no. 2, is klager voorwaardelijk ontslagen voor de duur van 1 jaar, wegens plichtsverzuim gepleegd op 28 juni 2019. Over het jaar 2022 is klager beoordeeld, waarbij het resultaat matig was.
Bij brief van 15 december 2023, ingediend op 18 december 2023, heeft klager de betreffende minister verzocht om hem te bevorderen naar schaal 4 met ingang van 1 januari 2015 en naar schaal 5 met ingang van 1 januari 2019. Volgens klager oefent hij al jaren werkzaamheden uit die behoren tot de functie van 1ste projectmedewerker.
De directeur van de DOW heeft bij schrijven van 18 april 2024 geadviseerd klager met ingang van 1 januari 2023 te bevorderen naar schaal 4 en zijn verzoek om intern te worden overgeplaatst af te wijzen. In dat advies schrijft de directeur – voor zover hier van belang – het volgende:
“(…) Betrokkene vervult de functie van 2de Projectmedewerker Infrastructuur en Verkeer (…). De functie (…) is maximaal gewaardeerd op schaal 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (BRA). (…) Vanwege ongunstige beoordeling in de afgelopen jaren, voldeed betrokkene niet aan alle vereisten voor een bevordering. Over het jaar 2023 heeft betrokkene een positieve beoordeling, hetgeen betekent dat betrokkene vanaf het jaar 2023 bevorderd kan worden.
Voor wat betreft een interne overplaatsing op dit moment is er geen passende functie en/of vacatures die aansluiten bij het profiel van de heer [klager]. (…).
Inhoud van de bestreden beslissingen
Bij het bestreden bevorderingsbesluit heeft verweerder besloten om klager met ingang van 1 januari 2023 te bevorderen naar de rang van onderhoudsmedewerker A (schaal 4, dienstjaar 8). Daarbij heeft verweerder overwogen, dat klager de functie van 2de projectmedewerker bij de DOW bekleedt, dat deze functie maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 4, dat klager sedert 1 oktober 2012 de rang van onderhoudsmedewerker B bekleedt, dat het functioneren van klager een bevordering naar schaal 4 rechtvaardigt, en dat hij met ingang van 1 januari 2023 voldoet aan de bevorderingseisen en in aanmerking komt voor een bevordering.
Bij de bestreden beschikking heeft verweerder het verzoek van klager om te worden geplaatst in de functie van 1ste projectmedewerker infrastructuur en verkeer en om te worden bevorderd naar schaal 5, afgewezen. Aan die beslissing heeft verweerder -samengevat en zakelijk weergegeven- ten grondslag gelegd, dat klager niet op het vereiste niveau functioneert, en dat hij gelet op zijn ongunstige beoordelingen en negatieve houding, gedrag en attitude niet aan de richtlijnen inzake proefplaatsing, benoeming en bevordering, vermeld in de circulaire van 14 december 2022, voldoet om te worden geplaatst in een functie met een hogere eindwaardering.
Wat vindt klager?
Klager heeft zich op het standpunt gesteld, dat hij al met ingang van 1 oktober 2016 naar schaal 4 had moeten worden bevorderd en dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom zijn bevordering met ruim zes jaar is vertraagd. Volgens klager kan het feit dat hij sinds 2012 niet meer is beoordeeld en dat het beoordelingssysteem van de DOW jegens hem niet functioneert, niet in zijn nadeel werken. Hij hoeft niet om een bevordering te vragen, aldus klager. Het bestreden bevorderingsbesluit is daarom in strijd met het motiverings-, het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, zodat het dient te worden vernietigd.
Wat betreft de afwijzing van zijn verzoek om naar schaal 5 te worden bevorderd, heeft klager zich primair op het standpunt gesteld, dat het bestreden bevorderingsbesluit geen beslissing bevat op zijn verzoek om naar schaal 5 te worden bevorderd, en dat de bestreden beschikking aangemerkt moet worden als een aanvulling op het bestreden bevorderingsbesluit, zodat sprake is van een verboden getrapte besluitvorming. Het bestreden bevorderingsbesluit kan ook om deze reden niet in stand blijven.
Klager heeft verder aangevoerd, dat hij vanaf 2010 tot en met 2019 met zwaar materieel heeft gewerkt, terwijl het bedienen van zwaar materieel behoort tot de werkzaamheden van een 1ste projectmedewerker. Nu hij al vanaf 1 januari 2015 (sic) naar schaal 4 had moeten worden bevorderd, had hij met ingang van 1 januari 2019 naar schaal 5 moeten worden bevorderd. Dat hij vanaf 2019 niet meer werd toegestaan om de werkzaamheden van de functie van 1ste projectmedewerker te verrichten, is geen grond om hem niet te bevorderen, aldus klager.
Wat is het standpunt van verweerder?
7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bezwaarschriften van klager ongegrond dienen te worden verklaard en heeft daartoe -samengevat en voor zover van belang- het volgende aangevoerd.
Klager is op goede gronden met ingang van 1 januari 2023 bevorderd naar schaal 4, nu hij pas in 2023 een positieve beoordeling heeft gekregen en zijn functie maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 4. De functie laat een verdere bevordering naar schaal 5 niet toe.
Het verzoek van klager om te worden geplaatst in de functie van 1e projectmedewerker, is eveneens op goede gronden afgewezen, nu klager deze functie nimmer heeft uitgevoerd, er geen vacature bestaat op dat niveau, en klager niet voldoet aan de vereisten voor een interne overplaatsing.
Wat staat er in de wet over bevordering?
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.
Artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (BRA) bepaalt, dat een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering of voor overgang naar een andere betrekking, dient te voldoen aan de in bijlage B van die regeling opgenomen bevorderingseisen (eerste lid) en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht (tweede lid).
Uit het rangenstelsel voor onderhoudsmedewerkers/opzichters volgt, voor zover hier van belang, dat klager een jaar na het bereiken van het maximum in schaal 3 bevorderd kan worden naar de rang van onderhoudsmedewerker A in schaal 4.
Wat vindt het gerecht?
Ten aanzien van het bestreden bevorderingsbesluit
Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten om klager ingaande 1 januari 2023 naar schaal 4 te bevorderen. Bij de beoordeling stelt het gerecht voorop dat bevordering geen recht van de betrokken ambtenaar is noch een automatisme, doch een discretionaire bevoegdheid van het bevoegde gezag. Dit betekent dat bij de toetsing van dat gebruik het gerecht dient te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
In dit geval staat vast, dat klager een functie bekleedt die maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 4. Nu klager laatstelijk met ingang van 1 oktober 2012 naar schaal 3, dienstjaar 8 werd bevorderd en hij met ingang van 1 oktober 2016 het maximum in die schaal heeft bereikt, voldoet hij op grond van de hierboven aangehaalde bevorderingseisen, pas vanaf 1 oktober 2017 aan de anciënniteitsvereiste voor een bevordering naar schaal 4. Zijn verzoek om met ingang van 1 januari 2015 (verzoek d.d. 15 december 2023), dan wel 1 oktober 2016 (bezwaarschrift nr. 1) te worden bevorderd, is dan ook op goede grond afgewezen.
Anders dan klager kennelijk meent is het enkele tijdsverloop niet de enige vereiste waaraan klager dient te voldoen om te kunnen worden bevorderd. Uit hetgeen hierboven in r.o. 4.2 tot en met r.o. 4.4 staat vermeld, stelt het gerecht vast dat klager pas in 2023 geschikt en bekwaam is bevonden voor de vervulling van de functie op het niveau van schaal 4. Gelet hierop is het gerecht van oordeel, dat verweerder in redelijkheid klager met ingang van 1 januari 2023 mocht bevorderen. Van een ongeoorloofde vertraging van bevordering is geen sprake.
Ten aanzien van de bestreden beschikking
Wat betreft de afwijzing van zijn verzoek om te worden geplaatst in de functie van 1ste projectmedewerker, overweegt het gerecht het volgende.
Klager meent dat hij in deze functie moet worden geplaatst, omdat hij jarenlang werkzaamheden behorende bij die functie, met name het bedienen van zwaar materiaal, heeft uitgevoerd. Ter zitting heeft hij toegelicht, dat hij jarenlang trucks heeft gereden bij het repareren van asfaltwegen en dat hij ook veegmachines heeft bediend.
Uit de overgelegde functiebeschrijving voor de functie 1e projectmedewerker, volgt dat de werkzaamheden behorende bij deze functie onder andere zijn:
“(…)
- Het zorgdragen voor de kwaliteit en de uitvoering van de verschillende werkzaamheden aan wegen, kunstwerken en riolering, door:
o Het zorgen dat het benodigd materiaal op de werkplek aanwezig is;
o Het geven van instructies waar nodig voor het gebruik van het materiaal;
o Het begeleiden van, geven van aanwijzingen aan en het houden van toezicht op de 2e projectmedewerkers bij het uitvoeren van werkzaamheden;
o Het verrichten van opmetingen en het berekenen van de te gebruiken materialen;
o (…)
o Het rapporteren over dagelijkse controle en rapportage over geconstateerde onregelmatigheden en/of mankementen aan de assistent-projectleider chef;
o (…)
- Het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan wegen, kunstwerken en riolering, indien nodig door:
o (…)
o Het onderhouden en repareren van asfaltwegen, oliewegen, zandwegen, parkeerplaatsen, etc;
o Het schoonhouden van terreinen, straten, trottoirs, wegen, bermen en percelen;
o (…)
De 1e projectmedewerker neemt beslissingen bij het bepalen van welke onderhouds/reparatiewerkzaamheden, de wijze en tijdstip van verrichten van bedoelde onderhoudswerkzaamheden alsmede over de inhoud van de voorstellen voor verbeteringen. (…)”.
In het emailbericht van 4 maart 2026 van de Chef Personeel & Organisatie van de DOW, staat -voor zover hier van belang- dat een 1e projectmedewerker een voorman is, die zijn team begeleidt en controleert op werkzaamheden en projecten, en dat een 2de projectmedewerker een helper is. Klager heeft in het verleden een patchtruck en een veegmachine bediend, omdat hij het daartoe benodigde rijbewijs had en mankracht nodig was.
Uit het voorgaande leidt het gerecht af, dat in de praktijk 2e projectmedewerkers doorgaans geen trucks en machines bedienen, maar hun onderhoudswerkzaamheden met eenvoudige apparaten (zoals kruiwagens) verrichten. Klager heeft een tijdlang wel een veegmachine en een asfaltwagen bediend, maar niet is gebleken dat hij ook als voorman heeft opgetreden, dat hij andere 2e projectmedewerkers heeft begeleid en gecontroleerd, of dat hij over deze dagelijkse controles rapportages heeft uitgebracht. Klager heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt, dat hij jarenlang de functie van 1e projectmedewerker (grotendeels) heeft verricht.
Nu de DOW heel wat aan te merken heeft op de houding, gedrag en attitude van klager in de voorgaande jaren, en voor klager bij de DOW geen passende (vacante) functie op het niveau van schaal 5 bestaat, heeft verweerder op goede gronden besloten hem niet intern te plaatsen in de functie van 1e projectmedewerker.
Voor een bevordering van klager naar schaal 5 is, gelet op zijn functiewaardering, geen ruimte.
Conclusie en gevolgen
11. Het bezwaar is ongegrond.
12. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten is geen aanleiding.
DE UITSPRAAK
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend:
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.