ECLI:NL:OGAACMB:2026:63

ECLI:NL:OGAACMB:2026:63

Instantie Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer SXM202600794
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Treffen van een beperkte voorziening, nu door tijdsverloop de mogelijkheid van herplaatsing in de functie verloren kan gaan. Indien de functie aan een derde wordt toegewezen, bestaat het risico dat verzoeker niet langer voor herplaatsing in aanmerking komt.

Uitspraak

[verzoeker],

Zaaknummer: SXM202600794 - GAZ00027/2026

Uitspraakdatum: 31 augustus 2026

GERECHT IN AMBTENRAENZAKEN VAN SINT MAARTEN

BESLISSING

op het verzoek tot het treffen van een beslissing bij voorraad

als bedoeld in artikel 94 van de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (hierna: RAr) van:

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.G. BLOEM,

tegen

DE GOUVERNEUR VAN SINT MAARTEN,

DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, SOCIALE ONTWIKKELING EN ARBEID VAN SINT MAARTEN,

hierna afzonderlijk te noemen: de Gouverneur respectievelijk de minister, en gezamenlijk te noemen: verweerders,

gemachtigde: mr. D.I. SCHRAM.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 17 juli 2026 een verzoekschrift (met producties) als bedoeld in artikel 94 van de RAr bij het Gerecht ingediend.

Verweerders hebben op 13 augustus 2026 een contra-memorie (met producties) ingediend.

Op 13 en 14 augustus 2026 heeft verzoeker aanvullende producties in het geding gebracht.

Het Gerecht heeft het verzoek behandeld in raadkamer van 17 augustus 2026. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerders zijn verschenen [naam medewerker] (medewerker P&O) en [naam HoAD] (Head of Ambulance Department), bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Verzoeker heeft op schrift gestelde pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

Overwegingen

Het voorlopige karakter en het toetsingskader

Het Gerecht stelt voorop dat de beoordeling in het kader van artikel 94 RAr een voorlopig karakter heeft. Het Gerecht beoordeelt of, gelet op hetgeen thans voorligt, aanleiding bestaat om ter voorkoming van nadeel voor verzoeker een beslissing bij voorraad te geven. Dit oordeel bindt het Gerecht niet bij de beoordeling van de hoofdzaak.

Voor het treffen van een voorziening is vereist dat sprake is van onverwijlde spoed, in die zin dat het treffen van een voorziening ter voorkoming van nadeel voor verzoeker wenselijk is. Bij de beoordeling daarvan betrekt het Gerecht mede de voorlopig te maken inschatting van de rechtmatigheid van de bestreden beslissing en de belangen van partijen.

De feiten en omstandigheden

Verzoeker is bij landsbesluit van de Gouverneur sinds 2017 in vaste dienst aangesteld als Ambulance Chauffeur bij de Dienst Ambulance Hulpverlening van het Ministerie van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid.

Verzoeker is sinds 2021 wegens ziekte uitgevallen. In het kader van zijn re-integratie verricht verzoeker sinds mei 2024 werkzaamheden als centralist bij de ambulancedienst. Deze werkzaamheden verrichtte hij aanvankelijk voor 50% en vervolgens voor 75%. Vanaf juni 2026 verricht verzoeker deze werkzaamheden voor zijn volledige werktijd. Hij verricht daarbij geen nachtdiensten.

Naar aanleiding van een medisch assessment op 24 september 2025 heeft Medwork in een rapport van 26 september 2025 geconcludeerd dat verzoeker permanently unfit is voor het verrichten van de werkzaamheden van Ambulance Chauffeur. In het rapport is voorts vermeld dat verzoeker aangewezen blijft op aangepast werk, waarbij onder meer als voorwaarden zijn gesteld dat hij zittende werkzaamheden verricht met de mogelijkheid om kortdurend te staan of te lopen, dat hij ongeveer vier uur per dag werkt, geen nachtdiensten verricht en geen werkzaamheden uitvoert die aanzienlijke fysieke inspanning of fijne motorische precisie vereisen.

Bij brief van 7 april 2026 is aan verzoeker een dienstopdracht gegeven, waarbij hij is opgedragen mee te werken aan het traject ter beoordeling van zijn aanspraken op een disability pension en daartoe een geneeskundig onderzoek bij APS te ondergaan.

Bij brief van 11 juni 2026, gericht aan het hoofd van de afdeling, de secretaris-generaal en het hoofd P&O, heeft verzoeker verzocht om interne herplaatsing in de functie van centralist.

Bij brief van 18 juni 2026 heeft het hoofd van de afdeling op dit verzoek gereageerd. In deze brief is meegedeeld dat de werkzaamheden van verzoeker als centralist een tijdelijke voorziening in het kader van zijn re-integratie vormden in afwachting van de uitkomst van de Medwork-beoordeling, dat deze werkzaamheden niet hebben geleid tot een aanstelling in de functie van centralist en dat daaruit geen aanspraak, verwachting of garantie op overplaatsing naar die functie is ontstaan. Tevens is verzoeker opgedragen mee te werken aan het traject bij APS.

Verzoeker heeft bij e-mail van 16 juli 2026 een bezwaarschrift ingediend bij de minister, gericht tegen de dienstopdracht van 7 april 2026 en de brief van 18 juni 2026. Bij e-mailbericht van 17 juli 2026 is namens de minister de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd.

De functie van centralist waarin verzoeker thans feitelijk werkzaamheden verricht, is vacant. Voor deze functie loopt een sollicitatieprocedure die zich in een vergevorderd stadium bevindt. Er zijn uit deze procedure geschikte kandidaten naar voren gekomen.

De dienstopdracht van 7 april 2026

Vaststaat dat verzoeker bezwaar heeft gemaakt tegen de dienstopdracht van 7 april 2026. Dit bezwaar is echter niet binnen de daarvoor geldende bezwaartermijn van 30 dagen ingediend. Niet is gesteld of gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Gelet hierop moet er voor de beoordeling van deze voorlopige voorziening voorshands van worden uitgegaan dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Bij gebreke van een ontvankelijk bezwaar bestaat geen grond om met toepassing van artikel 94 RAr een voorziening te treffen die ertoe strekt de gevolgen van de dienstopdracht van 7 april 2026 voorlopig te beperken of op te schorten.

Reeds daarom ziet het Gerecht geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de dienstopdracht van 7 april 2026.

De brief van 18 juni 2026

Verweerders hebben zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het verzoek van 11 juni 2026 niet aan het bevoegd gezag was gericht, maar aan het hoofd van de afdeling, de secretaris-generaal en het hoofd P&O. Voorts hebben verweerders in raadkamer aangevoerd dat de brief van 18 juni 2026 slechts interne correspondentie betreft en niet kan worden aangemerkt als een beschikking van het bevoegd gezag.

Het Gerecht volgt verweerders niet in de stelling dat het enkele feit dat het verzoek niet rechtstreeks aan het bevoegd gezag was gericht, meebrengt dat daaraan reeds daarom geen betekenis toekomt. Het verzoek is immers binnen de ambtelijke organisatie ontvangen en heeft geleid tot een inhoudelijke reactie op het verzoek om interne herplaatsing in de brief van 18 juni 2026. Daarin is onder meer uiteengezet dat de werkzaamheden van verzoeker als centralist slechts een tijdelijke voorziening in het kader van zijn re-integratie vormden, dat deze werkzaamheden niet hebben geleid tot een aanstelling in de functie van centralist en evenmin aanspraak op overplaatsing naar die functie hebben doen ontstaan. Tevens is verzoeker opgedragen mee te werken aan het traject bij APS.

Het voorgaande brengt evenwel niet zonder meer mee dat de brief van 18 juni 2026 als een beschikking van het bevoegd gezag moet worden aangemerkt. De Gouverneur is op grond van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht het bevoegd gezag. Naar voorlopig oordeel is niet gebleken dat de brief van 18 juni 2026 door of namens de Gouverneur als bevoegd gezag is genomen.

Het Gerecht kan en behoeft in deze voorlopige voorzieningenprocedure niet definitief te beoordelen welke juridische betekenis aan de brief van 18 juni 2026 toekomt. Op het daartegen gerichte bezwaar van verzoeker is nog niet beslist. Bij de beslissing op bezwaar kan het bevoegd gezag, mede aan de hand van het onderzoek naar de geschiktheid van verzoeker voor andere werkzaamheden en de mogelijkheden van herplaatsing, het verzoek om herplaatsing beoordelen.

De onverwijlde voorziening

De brief van 18 juni 2026 moet gelet op de inhoud daarvan naar voorlopig oordeel worden aangemerkt als een inhoudelijke beslissing op het verzoek van verzoeker om interne herplaatsing. Nu niet is gebleken dat deze beslissing door of namens het bevoegd gezag is genomen, bestaat aanleiding te twijfelen aan de rechtmatigheid daarvan. Dat is evenwel op zichzelf onvoldoende voor het treffen van een voorlopige voorziening. Beoordeeld moet worden of het belang van verzoeker een onverwijlde voorziening vereist en, zo ja, welke voorziening noodzakelijk is om te voorkomen dat verzoeker door het uitblijven daarvan in een onevenredig nadeel komt te verkeren.

Anders dan verzocht, ziet het Gerecht geen grond om verweerders thans te bevelen verzoeker in de functie van centralist te plaatsen dan wel hem hangende het bezwaar de feitelijke werkzaamheden als centralist te laten voortzetten. Het verrichten van werkzaamheden als centralist in het kader van re-integratie brengt immers niet mee dat verzoeker in die functie is aangesteld of dat hij aanspraak op die functie heeft verkregen. Daarbij komt dat verzoeker deze werkzaamheden op dit moment nog steeds verricht. Een voorziening is daarom niet nodig om de voortzetting van die werkzaamheden gedurende de bezwaarprocedure te waarborgen.

Het Gerecht ziet evenmin aanleiding om het lopende traject bij APS te schorsen. Het is niet onredelijk dat verweerders de uitkomst van het geneeskundig onderzoek afwachten, nu daarbij gelet op het bepaalde in artikel 14, vijfde lid, van de Pensioenlandsverordening mede wordt vastgesteld of verzoeker geschikt is voor een andere betrekking. De uitkomst daarvan kan derhalve van belang zijn voor de beoordeling van de mogelijkheden van herplaatsing. Niet is gebleken dat voortzetting van dit traject tot zodanig nadeel leidt dat een voorziening noodzakelijk is.

Het Gerecht ziet voorts geen aanleiding verweerders thans te bevelen een afzonderlijk herplaatsingsonderzoek te verrichten. Daarvoor kan de uitkomst van het geneeskundig onderzoek worden afgewacht. Het verzoek is in zoverre prematuur.

Voor het treffen van een beperkte voorziening ziet het Gerecht wel aanleiding in de omstandigheid dat de concrete mogelijkheid van herplaatsing in de functie van centralist door tijdsverloop verloren kan gaan. Ter zitting is gebleken dat binnen de functie van centralist zes FTE beschikbaar zijn, waarvan vier FTE zijn vervuld. Voor de resterende twee FTE loopt een sollicitatieprocedure, waaruit reeds geschikte kandidaten naar voren zijn gekomen.

Indien beide FTE hangende de bezwaarprocedure definitief aan derden worden toegewezen, bestaat een reëel risico dat verzoeker niet meer voor herplaatsing in de functie van centralist in aanmerking kan komen. Een eventuele gegrondverklaring van het bezwaar kan dan haar praktische betekenis verliezen.

Daarbij weegt mee dat verzoeker reeds geruime tijd in het kader van zijn re-integratie werkzaamheden als centralist verricht en deze inmiddels voor 100% verricht, behoudens nachtdiensten. Dit brengt geen aanspraak op de functie mee, maar maakt de mogelijkheid van herplaatsing wel voldoende concreet.

Onder deze omstandigheden ziet het Gerecht aanleiding te voorkomen dat deze mogelijkheid door tijdsverloop verloren gaat. Verweerders zullen daarom worden gelast ten minste één van de twee resterende FTE binnen de functie van centralist niet definitief aan een derde toe te wijzen zolang niet op het bezwaar van verzoeker tegen de brief van 18 juni 2026 is beslist. Deze voorziening strekt uitsluitend tot behoud van de mogelijkheid van herplaatsing en loopt niet vooruit op de uitkomst van het bezwaar.

Verweerders kunnen het geneeskundig onderzoek bij APS voortzetten, de geschiktheid van verzoeker voor andere werkzaamheden onderzoeken en de verdere vervulling van de functie van centralist voorbereiden, zolang ten minste één van de twee resterende FTE beschikbaar blijft.

De voorlopige voorziening zal gelden totdat op het bezwaar van verzoeker tegen de brief van 18 juni 2026 is beslist.

Proceskosten

6. In de uitkomst van deze procedure ziet het Gerecht aanleiding te bepalen dat verweerders aan verzoeker een vergoeding dienen te betalen als bijdrage in zijn kosten van juridische bijstand. Deze vergoeding bepaalt het Gerecht op 2 punten à Cg 700,-, zulks naar analogie van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

De rechter in dit gerecht:

Deze beslissing is gegeven door mr. B. Martinez-Hammer, ambtenarenrechter, en uitgesproken in raadkamer op 31 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand