ECLI:NL:OGAACMB:2026:64

ECLI:NL:OGAACMB:2026:64

Instantie Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer CUR2026H0068
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:OGAACMB:2026:38

Samenvatting

Ontslag op grond van artikel 99, tweede lid, van de Lma houdt stand. Mondelinge aankondiging van beëindiging dienstverband met opzegtermijn is aan te merken als rechtsgeldige opzegging. Ontslag wordt terughoudend getoetst. De Raad komt tot de conclusie dat de regering, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, gebruik heeft mogen maken van haar ontslagbevoegdheid. Niet houden aan verplichting pet te dragen en ongeoorloofd verzuim. Wat [appellante] heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat haar belang bij het voortzetten van haar opleiding zwaarder had moeten wegen dan het belang van de regering bij beëindiging van het dienstverband. Ontslag is niet onevenredig.

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr)

RAAD VAN BEROEP

Uitspraak

[Appellante],

de Regering van Curaçao,

Uitspraakdatum: 3 september 2026

Zaaknummer: CUR2026H00068

IN AMBTENARENZAKEN

VAN CURAÇAO

op het hoger beroep van:

Appellante, hierna: [appellante],

gemachtigde: mr. A.V.E. Vilchez,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 13 februari 2026, zaaknummer CUR202505061 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[appellante]

en

geïntimeerde, hierna: de regering,

gemachtigde: mr. J.G. Ricardo.

Procesverloop

[Appellante] heeft hoger beroep ingesteld.

De regering heeft op 12 augustus 2026 op verzoek van de Raad een nader stuk ingediend.

De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 13 augustus 2026. [Appellante] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [A], hierna: [A], teamleider beveiliging bij Sentro di Detenshon i Korekshon Korsou, hierna: SDKK.

Waar gaat de zaak over?

1. De zaak gaat over de vraag of de regering [appellante] met het besluit van 11 september 2025, hierna: ontslagbesluit, met ingang van 1 oktober 2025 eervol ontslag mocht verlenen. De Raad komt net als het Gerecht tot het oordeel dat het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond is. De Raad motiveert dit als volgt.

Wat ging er aan de zaak vooraf?

Appellante] is per 1 september 2024 in tijdelijke dienst benoemd als aspirant beveiligingsmedewerker bij het Gevangeniswezen en Huis van bewaring, SDKK. De tijdelijke benoeming gold voor de duur van de opleiding van [appellante] tot beveiligingsmedewerker. Deze opleiding werd verzorgd door Opleidingsinstituut Rechtshandhaving en Veiligheidszorg, hierna: ORV.

Met een e-mailbericht van 5 juni 2025 heeft de opleidingsbegeleider van [appellante] en sector manager van het ORV, hierna: begeleider, [appellante] gewaarschuwd. De waarschuwing zag op het herhaaldelijk niet naleven van de huisregels op het terrein, namelijk het niet dragen van een pet door [appellante]. Daarbij heeft de begeleider aangegeven dat het een laatste waarschuwing betreft en dat bij verdere overtredingen disciplinaire maatregelen worden genomen.

Op 6 juni 2025 is een gesprek gevoerd tussen [appellante] en de waarnemend directeur van het SDKK, het unithoofd beveiliging en het hoofd HR. Volgens het hiervan door het hoofd HR opgemaakte verslag, heeft [appellante] uiteengezet dat zij de waarschuwing terecht vond maar dat zij de post Vreemdeling Opvang en Detentie Centrum, hierna: VODC, waar zij geplaatst was, niet prettig vond.

Appellante] heeft haar begeleider met een brief van 11 juni 2025 verzocht de waarschuwing te herzien. Zij heeft daarbij betwist dat het dragen van een pet verplicht is bij het SDKK. Volgens [appellante] maakt de pet geen onderdeel uit van het officiële uniform.

Het hoofd HR van het SDKK heeft de waarnemend directeur op 11 juni 2025 schriftelijk bericht dat [appellante] zich schuldig heeft gemaakt aan dienstweigering door op 26 en 28 mei 2025 zonder toestemming niet op de post VODC te verschijnen.

Appellante] heeft met een brief van 18 juni 2025 aan de waarnemend directeur van het SDKK gereageerd op de gestelde dienstweigering. Zij heeft uiteengezet dat zij op de genoemde dagen afwezig was in verband met haar opleiding Sociaal Pedagogisch Werk, hierna: SPW, en dat zij haar afwezigheid bij [A], haar direct leidinggevende, had gemeld. Ook vermeldt zij in deze brief dat zij terugkomt op haar uitlating op 6 juni 2025 dat zij het werken op de post VODC niet prettig vindt en ze geeft aan dat zij bereid is de twee verzuimdagen alsnog in te halen. Tot slot vermeldt [appellante] dat zij openstaat voor begeleiding bij haar mondigheid, zoals zij dat zelf noemt.

De begeleider van [appellante] heeft op 18 juli 2025 een rapport opgemaakt omdat hij [appellante] op die dag heeft aangetroffen zonder dat zij de verplichte pet droeg. Volgens de begeleider heeft [appellante] zich daarmee structureel nalatig gedragen.

De waarnemend directeur van het SDKK heeft de minister van justitie op 25 juli 2025 bericht dat het dienstverband met [appellante] per 1 augustus 2025 zal worden beëindigd.

Op 1 augustus 2025 is er met [appellante] gesproken door de waarnemend directeur van het SDKK, het unithoofd beveiliging en het hoofd HR. Dit gesprek ging over de door [appellante] overtreden regels en de opleiding SPW, die [appellante] naast haar opleiding bij het SDKK volgde. [Appellante] is tijdens dit gesprek meegedeeld dat haar dienstverband met ingang van 1 oktober 2025 niet verlengd zou worden.

Het ontslagbesluit

3. Met het ontslagbesluit van 11 september 2025, door [appellante] ontvangen op 18 november 2025, heeft de regering [appellante] met toepassing van artikel 99, tweede lid, sub b, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, hierna Lma, met ingang van 1 oktober 2025 eervol ontslag verleend. Daaraan heeft de regering ten grondslag gelegd dat [appellante] herhaaldelijk de kledingvoorschriften heeft overtreden en dat zij heeft verzuimd zich op 26 en 28 mei 2025 te melden op de post VODC. Het gedrag van [appellante] acht de regering niet verenigbaar met binnen de opleiding geldende afspraken en met de discipline die van op te leiden beveiligingsmedewerkers mag worden verwacht. Ondanks herhaalde waarschuwingen is de regering niet gebleken van enige verbetering in het gedrag van [appellante].

De uitspraak van het Gerecht

4. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellante] tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Volgens het Gerecht heeft de regering op 1 augustus 2025 tijdig en correct opgezegd. Gelet op het gedrag van [appellante] mocht de regering volgens het Gerecht tot de conclusie komen dat de attitude van [appellante] niet passend is voor iemand die een opleidingstraject volgt binnen het SDKK.

Het hoger beroep van [appellante]

Appellante] heeft in hoger beroep zowel formele als inhoudelijke gronden aangevoerd. Voor wat betreft de formele gronden heeft [appellante] allereerst gesteld dat een opzegging is vereist voor het ontslag en dat de mondelinge mededeling op 1 augustus 2025 niet is aan te merken als een rechtsgeldige opzegging. De rechtsgevolgen van de opzegging kunnen volgens haar pas intreden na kennisname van het ontslagbesluit op 18 november 2025. [Appellante] betwist in dit licht ook het oordeel van het Gerecht dat zij vooraf niet gehoord hoefde te worden over het ontslag. [Appellante] acht het ontslagbesluit om deze redenen niet zorgvuldig tot stand gekomen.

De inhoudelijke gronden van [appellante] komen erop neer dat zij betwist dat de regering voldoende heeft onderbouwd dat zij structureel de regels van de opleiding heeft overtreden. In dat licht voert zij aan dat niet vaststaat dat het dragen van een pet verplicht is. Verder staat volgens [appellante] alleen het dienstverzuim op 28 mei 2025 vast, omdat zij voor haar afwezigheid op 26 mei 2025 toestemming had gevraagd en gekregen.

Appellante] heeft tot slot nog aangevoerd dat het ontslagbesluit niet evenredig is.

Wat is het oordeel van de Raad?

Het ontslag van [appellante] is gebaseerd op artikel 99, tweede lid, van de Lma. Dit artikel geeft de regering de bevoegdheid om een ambtenaar, die voor onbepaalde tijd in tijdelijke dienst is benoemd, eervol te ontslaan. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moet de regering de geldende opzegtermijn in acht nemen. De duur van die termijn hangt af van de periode waarin de ambtenaar voorafgaand aan de opzegging in dienst is geweest en varieert van drie maanden tot één maand.

De formele beroepsgronden

Uit artikel 99, tweede lid, van de Lma volgt dat een opzegtermijn in acht moet worden genomen. Anders dan [appellante] betoogt volgt hieruit niet dat dit schriftelijk en door het bevoegd gezag zelf moet worden gedaan. De mondelinge aankondiging van de beëindiging van haar dienstverband per 1 oktober 2025 kan worden aangemerkt als de vereiste opzegging. Deze is gedaan tijdens het gesprek op 1 augustus 2025, zo volgt uit het van dat gesprek opgemaakte schriftelijke verslag. Daarmee is sprake van een rechtsgeldige opzegging.

Op 1 augustus 2025 was [appellante] elf maanden in dienst. Voor haar gold daarom op grond van artikel 99, tweede lid, sub b, van de Lma een opzegtermijn van twee maanden. Die termijn liep af op 30 september 2025, zodat de regering haar met ingang van 1 oktober 2025 eervol ontslag kon verlenen.

Evenmin is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding. [appellante] heeft voldoende gelegenheid gehad om te reageren op de aanmerkingen op haar gedrag. Zij is meerdere keren aangesproken op haar gedrag en heeft op 6, 11 en 18 juni 2025 daarop gereageerd. Ook tijdens het gesprek op 1 augustus 2025 is [appellante] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de uiteengezette redenen voor het ontslag.

De formele gronden slagen niet. De Raad beoordeelt hierna de inhoudelijke gronden van het hoger beroep.

De inhoudelijke beroepsgronden

Toetsingskader

Voorop staat dat ontslag, verleend op grond van artikel 99, tweede lid, van de Lma, niet is gebaseerd op plichtsverzuim noch op ongeschiktheid. Voor het toetsingskader van dit ontslag verwijst de Raad naar vaste rechtspraak, bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:543, overweging 4.3.1, en naar de uitspraak van de Raad van Beroep van 21 september 2018, ECLI:NL:ORBAACM:2018:12, overwegingen 7 en 8. Hieruit volgt dat de Raad dit ontslag terughoudend toetst en beoordeelt of de regering, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, gebruik heeft mogen maken van haar ontslagbevoegdheid.

Het niet dragen van een pet

De regering heeft de Algemene gedragsregels opleidingen, bekendmaking no. 03/2022, hierna: gedragsregels, overgelegd.

Volgens de regering golden deze gedragsregels tijdens de opleiding van [appellante], ook al wordt in de stukken verwezen naar gedragsregels no. 03/2018. Gelet op de data van het [appellante] verweten gedrag ziet de Raad geen reden om aan de toepasselijkheid van de overgelegde gedragsregels 03/2022 te twijfelen. In artikel 15 van de gedragsregels is bepaald dat binnen het daarin genoemde tijdvak het dragen van het uniform van de betreffende dienst verplicht is. De Raad is op grond van het volgende van oordeel dat een pet onderdeel uitmaakt van dat uniform.

Appellante] heeft op de zitting bij de Raad verklaard dat haar bij de start van de opleiding een uniform is uitgereikt. Verder heeft zij verklaard een draagtas te hebben ontvangen (“goody bag”) waar haar pet aan was vastgemaakt. Volgens [appellante] heeft ze de pet cadeau gekregen, maar maakt de pet geen onderdeel uit van het uniform. De Raad volgt [appellante] hierin niet. De uitreiking van de pet in combinatie met de overige onderdelen van het uniform en de mededeling van de leidinggevende dat een beveiligingsmedewerker in opleiding een pet moet dragen, maakte voldoende duidelijk dat de pet moet worden geacht onderdeel te zijn van dat uniform en dat het dragen daarvan verplicht was.

Appellante] is die verplichting desondanks blijven betwisten, omdat zij geen antwoord had gekregen op de vraag waarop de verplichting een pet te dragen precies was gebaseerd. Ook na de laatste waarschuwing heeft zij zich niet aan deze verplichting gehouden. De Raad volgt de regering daarom in haar standpunt dat [appellante] met deze houding heeft laten zien niet geschikt te zijn voor de opleiding tot beveiligingsmedewerker binnen de SDKK.

Het verzuim op 26 en 28 mei 2025

A] heeft op zitting verklaard dat hij [appellante] toestemming heeft gegeven om enkele uren te verzuimen op 26 mei 2025 om in die tijd een opdracht te kunnen maken voor haar andere opleiding SPW. Ze is echter de rest van die dag weggebleven. Niet is gebleken dat ze toestemming had om ook de rest van de dag weg te blijven van haar opleiding tot beveiligingsmedewerker. [Appellante] heeft op de zitting bevestigd dat zij voor haar afwezigheid op 28 mei 2025 geen toestemming had. Zij is die dag weggebleven omdat zij verder moest werken aan een stageopdracht voor haar opleiding SPW.

Door zonder voorafgaande toestemming van haar werk weg te blijven op 26 mei 2025 (gedeeltelijk) en op 28 mei 2025 (gehele dag), is de Raad van oordeel dat de regering zich terecht op het standpunt stelt dat [appellante] ook in zoverre gedrag heeft getoond dat niet past bij het gedrag dat mag worden verwacht van een beveiligingsmedewerker in opleiding binnen de SDKK.

Is het ontslag evenredig?

De Raad volgt [appellante] niet in haar standpunt dat het ontslag onevenredig is.

Bij de beoordeling van de evenredigheid moet worden bezien of de regering de belangen van [appellante] zorgvuldig heeft afgewogen en of de nadelige gevolgen van het ontslag in verhouding staan tot de met het ontslag te dienen doelen.

Wat [appellante] heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat haar belang bij het voortzetten van haar opleiding zwaarder had moeten wegen dan het belang van de regering bij beëindiging van het dienstverband. Daarbij is van betekenis dat het ging om een opleidingstraject waarin discipline, betrouwbaarheid en het naleven van instructies essentieel zijn.

Conclusie

De Raad komt tot het oordeel dat de regering, gelet op de concrete omstandigheden van dit geval, gebruik heeft mogen maken van haar bevoegdheid om [appellante] eervol te ontslaan. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak daarom bevestigen.

Omdat het hoger beroep niet slaagt, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J. Sybesma en mr. M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026 in tegenwoordigheid van mr. M.F.G. Maes, griffier.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B.J. van Ettekoven
  • mr. J. Sybesma
  • mr. M.A. Evertsz

Griffier

  • mr. M.F.G. Maes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand