GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
uitspraak
in de zaak van:
[klager],
wonende in Curaçao,
klager,
gemachtigde: mr. N.B. Louisa,
advocaat,
tegen
De Regering van Curaçao,
verweerster,
hierna: de Regering,
gemachtigde: mr. J.G. Ricardo.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het uitblijven van een beschikking op het verzoek van klager van 19 november 2024 (hierna: het verzoek).
Klager heeft op 12 mei 2026 bezwaar gemaakt daartegen.
De Regering heeft op 3 juli 2026 een contramemorie ingediend.
Het bezwaar is op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, die was vergezeld van mr. N. Martis, jurist-C bij de [afdeling].
Overwegingen
2. Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak de weigering te beschikken op het verzoek. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en dat die termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het bezwaar zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
Klager is als ambtenaar aangesteld en tewerkgesteld bij het Korps Politie Curaçao in de functie Takenpakket. Klager heeft de Regering bij het verzoek verzocht hem een functie toe te kennen die is gewaardeerd in schaal 7. Daarbij heeft hij onder meer toegelicht dat hij het maximum van schaal 6 heeft bereikt, geen doorgroeimogelijkheden meer heeft en dat collega’s in vergelijkbare situaties wel zijn bevorderd.
Klager heeft bij brief van 5 augustus 2025 zijn eerdere verzoek gerappelleerd en nader toegelicht. Hij heeft daarbij opnieuw verzocht om definitief te worden benoemd in een passende functie die hoger is gewaardeerd dan schaal 6.
Zoals blijkt uit het voorgaande, heeft het Gerecht de brief van 19 november 2024 aangemerkt als het verzoek en de brief van 5 augustus 2025 als een rappel daarvan. Dit omdat klager in de brief van 5 augustus 2025 zijn eerdere verzoek slechts nader heeft toegelicht. Daarmee heeft hij geen nieuw of ander verzoek gedaan. Daarbij neemt het Gerecht ook in aanmerking dat klager in die brief zelf heeft vermeld dat het om een rappel gaat.
Anders dan klager betoogt, bevat de brief van 5 augustus 2025 naar het oordeel van het Gerecht geen nieuw verzoek. De omstandigheid dat klager daarin nader heeft toegelicht dat hij definitief in een andere functie dan de functie Takenpakket wenst te worden geplaatst en opnieuw een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, maakt dit niet anders. Deze onderwerpen maakten al deel uit van het verzoek van 19 november 2024. De brief van 5 augustus 2025 bevat daarom voornamelijk een herhaling en nadere onderbouwing van dat verzoek.
Heeft klager tijdig bezwaar gemaakt?
Het Gerecht dient als eerste ambtshalve te beoordelen of klager tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het uitblijven van een beschikking op het verzoek. Het Gerecht moet in dat kader eerst vaststellen op welk moment de weigering om op het verzoek te beschikken is ontstaan.
Op grond van artikel 41, eerste lid, van de RAr dient een bezwaarschrift te worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop de aangevallen weigering is uitgesproken. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt een bestuursorgaan geacht een weigering tot het nemen van een beschikking te hebben uitgesproken als het niet binnen de daarvoor gestelde termijn, dan wel bij het ontbreken daarvan binnen een redelijke termijn, een beschikking heeft genomen. In dat geval vangt de bezwaartermijn aan op de dag waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.
Bij verzoeken als deze, waarvoor geen wettelijke beslistermijn geldt, moet het Gerecht eerst vaststellen op welk moment het bestuursorgaan redelijkerwijs had moeten beschikken op het verzoek. Pas op dat moment is namelijk sprake van een weigering te beschikken waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
Het Gerecht acht in dit geval een beslistermijn van één jaar redelijk. Nu één jaar na de indiening van het verzoek nog niet daarop is beschikt, is op 19 november 2025 een weigering om op het verzoek te beschikken ontstaan.
De bezwaartermijn van 30 dagen vangt aan nadat de redelijke beslistermijn is verstreken. Dat betekent dat klager bezwaarschrift uiterlijk op 19 december 2025 had moeten indienen bij het Gerecht. Klager heeft het bezwaarschrift echter pas op 12 mei 2026 en dus ruim buiten de wettelijke termijn van 30 dagen ingediend.
Een termijnoverschrijding kan verschoonbaar worden geacht als de indiener redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig bezwaar te maken.
Klager stelt dat hij sinds 2016 meerdere brieven aan de minister van Justitie heeft geschreven over dit onderwerp. Volgens hem is zijn bezwaar tijdig, uitgaande van de rappelbrief van 5 augustus 2025.
Zoals onder 4 en 4.1 is overwogen, heeft het Gerecht de brief van 5 augustus 2025 aangemerkt als een rappel van het verzoek van 19 november 2024. Anders dan klager meent, strekt een rappel er uitsluitend toe een eerder verzoek opnieuw onder de aandacht van het bestuursorgaan te brengen. Een rappel doet daarom in beginsel geen nieuwe beslistermijn ontstaan, tenzij uit de inhoud daarvan blijkt dat sprake is van een nieuw verzoek. Daarvan is in dit geval geen sprake. Met die brief is daarom geen nieuwe beslistermijn aangevangen.
Klager heeft gelet hierop geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Het bezwaar dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
6. De slotsom is dat het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard, omdat klager te laat bezwaar heeft gemaakt. Dit betekent dat het Gerecht de Regering in deze procedure niet kan opdragen om alsnog op het verzoek te beschikken.
7. Het voorgaande neemt niet weg dat de Regering gehouden blijft om op het verzoek van klager te beschikken. De gemachtigde van de Regering heeft ter zitting toegelicht dat er wordt gewerkt aan een oplossing voor de rechtspositie van klager en de andere voormalige LBD’ers, maar dat dit een omvangrijke klus is die de nodige tijd in beslag neemt. Het Gerecht heeft begrip voor de frustratie van klager, die al jaren wacht op plaatsing in een andere functie dan Takenpakket en op een beslissing op zijn verzoek. Het Gerecht gaat er dan ook vanuit dat de Regering zich zal inspannen om binnen afzienbare tijd een beslissing te nemen op het verzoek van klager.
8. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
- verklaart het bezwaar van klager niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, P.N.F. Pereira do Tanque.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.