[klaagster],
DE GOUVERNEUR VAN HET LAND SINT MAARTEN,
Zaaknummer: SXM202500628-GAZ 13/2025
Datum: 23 februari 2026
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:
wonende te Sint Maarten,
klaagster,
gemachtigde: mr. J.J. ROGERS,
tegen
zetelend te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. C.M. MARICA,
Procesverloop
Bij landsbesluit van 15 mei 2025 met nummer 25/106 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder de rechtspositie van klaagster met ingang van 1 januari 2023 vastgesteld waarbij zij is geplaatst in de functie van Administratief Medewerker bij het Korps Politie Sint Maarten (hierna: KPSM) in schaal 6, trede 20, hetgeen overeenkomt met een maandelijks bezoldigingsbedrag van Cg 4.774,-.
Daartegen heeft klaagster op 2 juni 2025 een pro forma bezwaarschrift (met productie) bij het Gerecht ingediend. Daarna zijn de gronden (met producties) aangevuld.
Verweerder heeft een contra- memorie (met productie) ingediend.
Bij brief van 19 november 2026 heeft klaagster een aanvullende productie ingediend.
Het bezwaar is behandeld ter zitting van het Gerecht op 26 januari 2026. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw C. Pecht, werkzaam als hoofd bedrijfsvoering stafbureau bij het KPSM, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Beide gemachtigden hebben pleitnotities voorgedragen en overgelegd.
De uitspraak is (nader) bepaald op vandaag.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Klaagster is sinds 1 augustus 1992 werkzaam bij het Korps Politie Sint Maarten (hierna: KPSM).
Bij brief van 1 maart 2005 heeft de hoofdcommissaris van KPSM de volgende personeelsmutatie bekendgemaakt:
‘- de hoofdklerk [klaagster] thans werkzaam bij het Secretariaat zal per ingaande 1 maart 2005 tijdelijk naar het afdeling Voorlichting en Communicatie verplaatst worden.’
Per 10 oktober 2010 zijn, in het kader van de staatkundige hervorming waarbij de Nederlandse Antillen zijn ontmanteld en Sint Maarten de status van land binnen het Koninkrijk der Nederlanden heeft verkregen, de dienstbetrekkingen van ambtenaren van het voormalige eilandgebied Sint Maarten en van het Land Nederlandse Antillen, voor zover zij hun standplaats hadden op Sint Maarten, van rechtswege overgegaan op het Land Sint Maarten. Deze overgang vond plaats onder de voorwaarden en beperkingen zoals neergelegd in het Sociaal Statuut.
Bij landsbesluit van 25 juni 2012 heeft verweerder de rechtspositie van klaagster met ingang van 10 oktober 2010 vastgesteld. Daarbij is zij geplaatst in de functie van Medewerker Voorlichting en Communicatie bij het KPSM, ingeschaald in schaal 6, trede 9.
Bij plaatsingsaanbod van 15 maart 2023 is aan klaagster meegedeeld dat de plaatsingscommissie voornemens is haar met terugwerkende kracht over de periode van 2011 tot en met 2023 te plaatsen in de functie van Administratief Medewerker bij het Ministerie van Justitie in schaal 6, aanvankelijk trede 14 oplopend tot trede 20. Daarbij is vermeld dat sprake is van plaatsing in een ongewijzigde functie.
Bij brief van 27 maart 2023 heeft klaagster op dit plaatsingsaanbod gereageerd. Zij verwijst daarin naar een eerder verzoek uit 2010 aan de korpschef om een correcte inschaling in schaal 9. Voorts stelt zij dat haar functie volgens het nieuwe Functieboek is gewaardeerd op schaal 11 en verzoekt zij om correctie.
Bij brief van 6 december 2023 is aan klaagster bericht dat haar verzoek tot correctie niet wordt ingewilligd.
Daarna heeft met klaagster een overleg plaatsgevonden bij het kabinet van de Minister van Justitie ter bespreking van de voorgenomen plaatsing en het ontwerp-landsbesluit. Bij e-mail van 16 april 2025 is aan klaagster bericht dat het ontwerp-landsbesluit wordt gehandhaafd.
Bij de bestreden beschikking heeft verweerder de rechtspositie van klaagster met ingang van 1 januari 2023 vastgesteld in de functie van Administratief Medewerker bij het KPSM, ingeschaald in schaal 6, trede 20. Daarbij is vermeld dat de rechtspositie van klaagster over de periode van 10 oktober 2010 tot en met 31 december 2022 in een nader af te geven landsbesluit zal worden vastgesteld.
De standpunten van partijen
Klaagster kan zich niet verenigen met de vastgestelde functie en inschaling. Zij stelt dat zij sinds 2005 conform afspraken met de voormalig korpschef in de functie van Medewerker Voorlichting en Communicatie is geplaatst. De voormalig korpschef heeft daarbij een hogere inschaling toegezegd. Dat zij in de functie van Medewerker Voorlichting en Communicatie is geplaatst, volgt ook uit het landsbesluit van 25 juni 2012 en uit haar loonstroken, waarin als functie is vermeld ‘Med.comm&Protocol’. De onjuiste inschaling is echter nooit gecorrigeerd, ondanks schriftelijke verzoeken daartoe van klaagster. Klaagster wijst op het functieboek dat per 1 juni 2019 gold, waarin de functie van Medewerker Communicatie gekoppeld was aan schaal A11. In het thans geldende Functieboek is deze functie ingeschaald op B10. Klaagster stelt dat zij middels de bestreden beschikking in een compleet andere functie is geplaatst, namelijk die van Administratief Medewerker, en dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook is klaagster van mening dat vanwege de toezegging van de korpschef in 2005 bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat haar inschaling zou worden gecorrigeerd. Klaagster is van mening dat de voorgeschiedenis, en met name haar langdurige dienstverband, niet in voldoende mate bij de beschikking zijn meegewogen. Klaagster wijst er tenslotte op dat zij niet beschikt over een HBO-diploma zoals vereist voor de functie, maar zij gezien haar jarenlange ervaring het vereiste werk- en denkniveau heeft verworven.
Verweerder stelt dat klaagster een vertekend beeld geeft van haar arbeidsverleden. Klaagster heeft altijd administratieve werkzaamheden verricht binnen KPSM en dit doet zij nu nog steeds. De bestreden beschikking is tot stand gekomen door (de zwaarte van) de feitelijk door klaagster verrichte werkzaamheden te waarderen en deze werkzaamheden passen bij de bestaande functie van Administratief Medewerker in het geldende Functieboek. Klaagster is daarom terecht (ongewijzigd) geplaatst in schaal 6. Klaagster beschikt niet over de vereiste deskundigheid en scholing om in een hogere schaal te worden geplaatst en zij heeft nimmer de werkzaamheden behorende bij de functie Medewerker Voorlichting en Communicatie verricht. De tijdelijke interne overplaatsing naar de afdeling Communicatie en Voorlichting in 2005 betreft geen promotie en uit de overgelegde stukken blijkt niet dat klaagster is toegezegd dat zij in een hogere schaal zou worden geplaatst. Deze overplaatsing bracht ook geen verzwaring van de werkzaamheden van klaagster mee; zij bleef immers administratieve werkzaamheden verrichten. Verder heeft klaagster geen rechtsmiddelen aangewend tegen het landsbesluit uit 2012, waarin de plaatsing van klaagster in schaal 6 ook is vastgesteld.
Beoordeling van het Gerecht
In geschil is of verweerder klaagster terecht heeft geplaatst en ingeschaald in de functie van Administratief Medewerker, schaal 6, dan wel of klaagster aanspraak kan maken op plaatsing en inschaling in de functie van Medewerker Voorlichting en Communicatie in een hogere schaal.
Het Gerecht stelt bij de beoordeling voorop dat de rechtspositie van klaagster bij landsbesluit van 25 juni 2012 is vastgesteld en dat zij daarbij is ingeschaald in schaal 6. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. Dit landsbesluit vormt daarmee het formele uitgangspunt van de rechtspositie van klaagster ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking. Klaagster heeft aangevoerd dat in het landsbesluit tevens de functie Medewerker Voorlichting en Communicatie is vermeld. Het Gerecht overweegt dienaangaande dat de bij landsbesluit vastgestelde salarisschaal het rechtspositionele gevolg bepaalt, nu de bezoldiging daaraan rechtstreeks is gekoppeld. Aan de enkele vermelding van een functiebenaming kan, zonder dat daarbij een hogere schaal is vastgesteld, geen aanspraak op hogere bezoldiging worden ontleend. Dat op loonstroken een bepaalde functieaanduiding is opgenomen, kan evenmin worden aangemerkt als een rechtspositioneel besluit.
De volgende vraag die voorligt is of verweerder gehouden was de functie van klaagster nadien anders vast te stellen of te herwaarderen. Voor de beantwoording van die vraag is bepalend welke werkzaamheden klaagster structureel zijn opgedragen en feitelijk heeft verricht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat klaagster werkzaamheden heeft verricht die naar aard, inhoud en zwaarte overeenkomen met de in het Functieboek omschreven functie van Medewerker Voorlichting en Communicatie. Uit de verklaring van klaagster ter zitting blijkt dat zij administratieve werkzaamheden verrichtte en verricht. Niet is gebleken dat deze werkzaamheden naar aard of zwaarte uitstegen boven hetgeen binnen de functie van Administratief Medewerker gebruikelijk is. Dat klaagster werkzaam was binnen de afdeling Communicatie en Voorlichting maakt dit niet anders, nu niet de organisatorische plaatsing maar de aard en zwaarte van de opgedragen werkzaamheden beslissend zijn. Onder deze omstandigheden bestond voor verweerder geen aanleiding tot herwaardering of een hogere inschaling.
Ten aanzien van het beroep van klaagster op het vertrouwensbeginsel, overweegt het Gerecht dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist is dat sprake is van een concrete en ondubbelzinnige toezegging die aan het bevoegde gezag kan worden toegerekend. Klaagster stelt dat de voormalig korpschef haar in 2005 een hogere inschaling heeft toegezegd, maar van een dergelijke toezegging is uit de stukken niet gebleken. Voorts is niet gebleken dat de korpschef bevoegd was zelfstandig een wijziging van de inschaling bij landsbesluit te bewerkstelligen. Reeds hierom kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.
Klaagster heeft aangevoerd dat zij met de bestreden beschikking in een andere functie is geplaatst. Het Gerecht volgt haar hierin niet. Uit de stukken blijkt dat klaagster steeds administratieve werkzaamheden heeft verricht en in schaal 6 is ingeschaald gebleven. De bestreden beschikking bevestigt de bestaande rechtspositie en brengt daarin geen wijziging ten nadele van klaagster. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is daarom geen sprake.
Dat klaagster door haar jarenlange ervaring het vereiste werk- en denkniveau zou hebben bereikt, leidt niet tot een ander oordeel. Nu niet is gebleken dat zij structureel werkzaamheden van het niveau van de hogere functie heeft verricht, kan haar ervaring niet leiden tot aanspraak op plaatsing in een hogere schaal.
Conclusie
Gelet op het voorgaande ziet het Gerecht geen grond voor nietigverklaring van de bestreden beschikking. Het bezwaar zal ongegrond worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het Gerecht in ambtenarenzaken:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het Gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 23 februari 2026.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest; en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van de toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.