[klager],
DE GOUVERNEUR VAN SINT MAARTEN,
Uitspraakdatum: 16 februari 2026
Zaaknummers: SXM202500857-GAZ 15/2025
SXM202401256-GAZ 13/2024
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In de gedingen van:
klager,
gemachtigde: mr. J. Deelstra
tegen
zetelend te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigden: mrs. R.F. Gibson en I.Z. Guardiola.
Procesverloop
Bij landsbesluit van 21 augustus 2024 met nummer LB-24/577 (hierna: de primaire beschikking) is aan klager bijzondere vrijstelling van dienst zonder behoud van inkomen verleend, beginnend op 14 februari en eindigend op 31 oktober 2024.
Klager heeft op 24 oktober 2024 bij het Gerecht een proforma bezwaarschrift (met producties) ingediend tegen de primaire beschikking. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer SXM202401256-GAZ 13/2024. Daarna zijn de gronden van het bezwaar (met producties) aangevuld. Verweerder heeft op 17 april 2025 een contra-memorie (met producties) ingediend.
Klager heeft op 24 oktober 2024 tevens een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij landsbesluit van 13 juni 2025 met nummer 25/159 (hierna: de beschikking op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van klager ongegrond verklaard.
Klager heeft op 31 juli 2025 bij het Gerecht een proforma bezwaarschrift (met producties) ingediend tegen de beschikking op bezwaar. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer SXM202500857-GAZ 15/2025. Daarna zijn de gronden van het bezwaar (met producties) aangevuld. Verweerder heeft op 27 oktober 2025 een contra- memorie (met producties) ingediend.
De mondelinge behandeling van bovengenoemde bezwaren heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 26 januari 2025. Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd die een overzicht van de overgelegde producties en op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft overgelegd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Hakkens, werkzaam bij de afdeling HR, bijgestaan door de gemachtigden voornoemd, die eveneens op schrift gestelde pleitaantekeningen hebben overgelegd. De gemachtigden hebben de door hen overgelegde pleitaantekeningen ter zitting voorgedragen.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Klager is ambtenaar in vaste dienst van het Land Sint Maarten en bekleedt sinds 1 februari 2021 de functie van Senior Beleidsmedewerker bij de Afdeling Buitenlandse Betrekkingen (hierna: DBB) van het Ministerie van Algemene Zaken.
Bij brief d.d. 17 januari 2024, ingekomen op 19 januari 2024, gericht aan de toenmalige Minister-President, Secretaris-Generaal en directeur van DBB, heeft klager medegedeeld dat hij door de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties in New York (hierna: PVNY) is geselecteerd voor de tijdelijke functie van Senior Policy Officer voor Future Generations met als startdatum 1 februari 2024. Hij heeft verzocht om betaald verlof (studieverlof) voor de duur van 8 maanden met behoud van zijn rechtspositie.
Op 22 en 24 januari 2024 heeft klager aanvullende informatie verstrekt, waaronder een functieomschrijving. Hieruit blijkt dat het een voltijdse betrekking betreft voor bepaalde tijd.
In een e-mail van 26 januari 2024 heeft het Hoofd P&O aan klager medegedeeld dat de bestaande regelgeving geen bepaling lijkt te bevatten die rechtstreeks op de situatie ziet. Daarbij is vermeld dat P&O geneigd is de optie van een studieopdracht te onderzoeken, onder uitdrukkelijk voorbehoud van goedkeuring door het bevoegde gezag. Tevens is aangegeven dat een formeel verzoek door het hoofd van de afdeling moest worden ingediend om het proces te starten.
Op 8 februari 2024 heeft klager per e-mail gewezen op de naderende startdatum, inmiddels uitgesteld tot 15 februari 2024. Diezelfde dag heeft P&O bericht dat de kwestie was besproken en dat een plan van aanpak was opgesteld, waarbij werd benadrukt dat het proces gaande was en klager op de hoogte zou worden gehouden.
Op 14 februari 2024 is klager naar New York afgereisd en is hij in dienst getreden bij de PVNY in de functie van Senior Policy Officer.
Op 27 februari en 6 maart 2024 hebben besprekingen plaatsgevonden tussen onder meer de directeur van DBB en vertegenwoordiger(s) van de PVNY. Tussen deze besprekingen heeft klager op 28 februari 2024 per e-mail aan de voormalig Minister-President, de Secretaris-Generaal, het Hoofd P&O en de directeur van DBB bericht dat hij fulltime werkzaam was bij de PVNY, maar in de veronderstelling verkeerde dat hij daarnaast – waar mogelijk – werkzaamheden voor Sint Maarten zou blijven verrichten. Voor het geval sprake zou zijn van een misverstand hierover, heeft klager als alternatief voorgesteld hem onbetaald verlof te verlenen op grond van artikel 30 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma), waarbij hij aangaf gedurende die periode niet beschikbaar te zijn voor Sint Maarten.
Bij brief van 8 maart 2024 heeft de directeur van DBB aan klager meegedeeld dat zijn verzoek om een studieopdracht wordt afgewezen. Daarbij is overwogen dat sprake is van een fulltime betaalde functie bij PVNY waarop klager via een open sollicitatieprocedure heeft gereageerd, en dat werkzaamheden voor Sint Maarten hoogstens als nevenactiviteiten zouden kunnen worden verricht. Voorts is meegedeeld dat ook onbetaald verlof niet wordt gefaciliteerd vanwege dienstbelangen, en dat zijn aanwezigheid bij de PVNY niet wordt geautoriseerd. Klager is verzocht terug te keren in actieve dienst.
Op verzoek van klager heeft op 5 april 2024 een vergadering plaatsgevonden tussen klager, de directeur van DBB, de Secretaris-Generaal, P&O en de Minister-President.
In een e-mail van 23 april 2024 is namens DBB – met samenvatting van hetgeen was besproken op het overleg – uiteengezet dat zal worden voorgesteld om aan klager onbetaald verlof te verlenen over de periode van 14 februari 2024 tot en met 31 oktober 2024. Daarbij is vermeld dat gedurende dit verlof geen kosten zouden worden vergoed en dat geen sprake was van bezoldiging.
In een intern advies van DBB en P&O van 24 mei 2024 is voorgesteld om op grond van artikel 30 van de Regeling vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (hierna: de Regeling) aan klager onbetaald verlof te verlenen. Dit advies is op 4 juli 2024 door de Secretaris-Generaal en de minister van Algemene Zaken voor akkoord getekend, waarna de primaire beschikking door het bevoegd gezag is genomen.
De inhoud van de primaire beschikking en de beschikking op bezwaar
In de primaire beschikking heeft verweerder aan klager bijzondere vrijstelling van dienst zonder behoud van inkomen verleend voor de periode van 14 februari 2024 tot en met 31 oktober 2024. Aan deze vrijstelling is onder meer de voorwaarde verbonden dat klager uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de termijn van vrijstelling zijn leidinggevende schriftelijk moet melden of hij in actieve dienst hersteld wil worden. Ook is hierin bepaald dat er geen garantie wordt gegeven op terugkeer in de oorspronkelijke functie in geval van herstel in actieve dienst. Het niet naleven van de voorwaarden wordt aangemerkt als het willekeurig verbreken van het dienstverband, met ontslag tot gevolg.
In de beschikking op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van klager ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe gesteld dat klager zonder toestemming elders in dienst was, waardoor geen recht bestond op doorbetaling van salaris. Er was geen sprake van een schending van opgewekt vertrouwen, mede gelet op de brief van 8 maart 2024. Uit de overgelegde stukken bleek niet dat klager gedurende de verlofperiode voltijds werkzaamheden voor Sint Maarten verrichtte; incidenteel contact met de dienst is onvoldoende om aanspraak op salaris te rechtvaardigen.
Standpunten van partijen
Klager betwist de rechtmatigheid van de loonstop en stelt dat hij met instemming van betrokken functionarissen naar New York is uitgezonden voor tijdelijke werkzaamheden bij de PVNY, waarvoor een studieopdracht ex artikel 76 van de Lma met behoud van salaris behoort te worden toegekend. Hij wijst op door hem overgelegde verklaringen van de voormalig Minister-President van 17 februari en 11 september 2025, alsmede een verklaring van de voormalig directeur van DBB van 28 augustus 2025, waarin wordt gesteld dat klager met uitdrukkelijke toestemming van de Minister-President naar New York is afgereisd en daar verbleef, dat klager in deze periode in actieve dienst is gebleven, dat hij werkzaamheden is blijven verrichten voor Sint Maarten en met P&O was afgesproken dat klager hiervoor (deels) betaald zou worden. Ook verwijst klager naar een overgelegde verklaring van het voormalig waarnemend Hoofd DBB van 17 februari 2025. Klager voert aan dat hij tijdens de uitzendperiode werkzaamheden voor Sint Maarten is blijven verrichten, en dat het achteraf aanwijzen van onbetaald verlof in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Klager bestrijdt voorts de drie-maanden-termijn en het ontbreken van een terugkeergarantie, omdat hij hieraan feitelijk niet kon voldoen en hij gedurende de verlofperiode actief in dienst is gebleven.
Verweerder stelt zich samengevat op het standpunt dat klager op eigen initiatief en zonder volledige openheid van zaken heeft gesolliciteerd naar een voltijdse functie in New York, terwijl hij reeds in voltijdse dienst was bij de overheid van Sint Maarten. Klager is zelf verantwoordelijk voor de ontstane situatie en heeft door eigen toedoen zijn rechtspositie in gevaar gebracht. De door klager overgelegde en achteraf opgestelde verklaringen zijn in strijd met de correspondentie uit 2024 en daarom kan aan de betrouwbaarheid daarvan worden getwijfeld. Verweerder benadrukt dat nimmer een besluit is genomen over betaald verlof, en de primaire beschikking de formalisering betreft van een overeengekomen verlofvorm waarbij klager aantoonbaar betrokken was. Klager heeft volgens verweerder niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat hij werkzaamheden is blijven verrichten voor Sint Maarten en daarom recht heeft op salaris. Uit de overgelegde verklaringen blijkt dit evenmin. Daarbij is een voltijdse functie bij de PVNY feitelijk onverenigbaar met de gelijktijdige voortzetting van de ambtelijke werkzaamheden door klager. Al met al bestaat er geen grond om aan te nemen dat klager door verweerder onjuist, onzorgvuldig of onbillijk is behandeld.
Wettelijk kader
Artikel 76, eerste lid, van de Lma bepaalt dat aan de ambtenaar door het bevoegd gezag een studieopdracht naar het buitenland kan worden verstrekt.
Artikel 30, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden ook zonder behoud van inkomen op daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de ambtenaar bij beschikking van het bevoegde gezag kan worden verleend in de gevallen waarin dit gezag oordeelt dat daartoe aanleiding bestaat. Deze vrijstelling van dienst wordt verleend voor de duur van ten hoogste vijf jaren en kan geheel of gedeeltelijk in het buitenland worden doorgebracht.
Het beleid van verweerder ter zake de toekenning van bijzonder verlof, zoals neergelegd in de bijalge bij LB 14/0270 van 3 september 2014 luidt – voor zover hier van belang – als volgt.
Bij het verlenen van onbetaald verlof op grond van artikel 30 van de Regeling zijn de volgende beleidsregels van toepassing: (…)
d. Onbetaald kan worden verleend indien de reden van het verzoek is: (…)
- het gaan volgen van een studie in het belang van de dienst; (…)
f. De oude functie wordt niet beschikbaar gehouden. Bij herstel in actieve dienst zal gezocht worden naar een passende functie. (…)
h. Aan de overheidsdienaar worden de volgende verplichtingen opgelegd gedurende de periode van onbetaald verlof: (…)
- Uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de termijn schriftelijk contact op te nemen met het hoofd om aan te geven of hij/zij in actieve deinst hersteld wilt worden aan het einde van die periode.
i. Het niet voldoen aan de verplichtingen die zijn gesteld in de beschikking geldt als het willekeurig verbreken van het dienstverband wat leidt tot ontslag op grond van artikel 101 van de LMA.
j. Onbetaald verlof kan alleen verleend worden door middel van een beschikking van het bevoegd gezag (zie procedure paragraaf 3.2). Door middel van deze beschikking wordt betrokkene ingelicht over zijn rechten, plichten en de rechtspositionele gevolgen van onbetaald verlof.
Beoordeling van het Gerecht
Het geschil concentreert zich op de vraag of verweerder op goede gronden toepassing heeft gegeven aan artikel 30 van de Regeling door aan klager vrijstelling van dienst zonder behoud van bezoldiging te verlenen over de periode van 14 februari 2024 tot en met 31 oktober 2024.
Voor zover klager stelt dat hij aanspraak had op een studieopdracht met behoud van salaris op grond van artikel 76 van de Lma, stelt het Gerecht voorop dat dit artikel het bevoegd gezag een discretionaire bevoegdheid verleent. Het betreft geen recht waarop de ambtenaar zonder meer aanspraak kan maken. Toekenning vereist een besluit daartoe van het bevoegde gezag.
Het Gerecht zal hierna toetsen of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen en of daarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht zijn genomen.
Had een studieopdracht moeten worden toegekend?
Klager betoogt dat zijn werkzaamheden bij de PVNY in het belang waren van de dienst en dat verweerder daarom gehouden was hem een studieopdracht als bedoeld in artikel 76 Lma toe te kennen.
Het Gerecht volgt dit standpunt niet. Daarbij neemt het Gerecht tot uitgangspunt dat de functie bij de PVNY blijkens de stukken een fulltime functie betrof waarvoor klager via een open sollicitatieprocedure heeft gesolliciteerd. De functie werd extern bezoldigd en de werkzaamheden werden primair verricht ten behoeve van de PVNY op basis van een dienstverband met de PVNY. Een studieopdracht in de zin van artikel 76 Lma veronderstelt dat het bevoegd gezag de uitzending initieert of uitdrukkelijk als dienstbelang aanmerkt. In dit geval is het initiatief geheel bij klager gelegen en is het dienstbelang van de uitzending vooraf niet door het bevoegd gezag vastgesteld. Dat de functie bij de PVNY inhoudelijk relevant of leerzaam kon zijn voor klager in zijn functie bij DBB, betekent niet dat verweerder gehouden was deze aan te merken als een studieopdracht in de zin van de Lma. Het bevoegd gezag beschikt ter zake over beleidsvrijheid. Verweerder heeft onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kunnen besluiten dat het verrichten van betaalde werkzaamheden voor een externe organisatie, waarbij sprake is van een zelfstandig dienstverband met die organisatie, naar zijn aard niet kan worden aangemerkt als studie of opleiding als bedoeld in artikel 76 van de Lma. Het betoog van klager faalt dan ook.
Is er vertrouwen gewekt dat is toe te rekenen aan het bevoegd gezag?
Klager stelt dat hij met instemming van de betrokken functionarissen naar New York is uitgezonden voor tijdelijke werkzaamheden bij PVNY en dat hij ervan uit mocht gaan dat deze uitzending was met behoud van inkomen.
Dit betoog faalt. Uit de overgelegde correspondentie van januari en februari 2024 blijkt dat het verzoek van klager nog in behandeling was en dat P&O bij de optie van een studieopdracht uitdrukkelijk een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van goedkeuring door het bevoegde gezag. Ten tijde van het vertrek van klager was geen besluit genomen. Bij brief van 8 maart 2024 heeft de directeur van DBB expliciet meegedeeld dat het verzoek om een studieopdracht werd afgewezen en dat de werkzaamheden bij de PVNY niet werden goedgekeurd. Daarmee ontbreekt een grondslag voor de stelling dat aan klager een toezegging is gedaan.
De in 2025 opgestelde verklaringen van de voormalig Minister-President en de voormalig directeur van DBB, waarin melding wordt gemaakt van uitdrukkelijke instemming met de uitzending van klager onder (gedeeltelijk) behoud van salaris, zijn naar hun inhoud niet verenigbaar met de schriftelijke correspondentie uit 2024 en vinden daarin geen enkele steun. Daarbij weegt mee dat de voormalig Minister-President in de relevante e-mailcorrespondentie was meegenomen en op geen enkel moment heeft gereageerd of gecorrigeerd. Klager heeft destijds evenmin melding gemaakt van een expliciete toezegging door de Minister-President. De brief van 8 maart 2024 laat daarbij, anders dan in de latere verklaring door de voormalig directeur van de DBB wordt gesuggereerd, geen ruimte voor een andere uitleg. Het Gerecht kent daarom doorslaggevende betekenis toe aan de schriftelijke stukken uit 2024 en hecht geen bewijskracht aan de achteraf opgestelde verklaringen.
De conclusie is dat van een ondubbelzinnige, aan het bevoegde gezag toe te rekenen toezegging niet is gebleken. Klager komt dan ook geen geslaagd beroep toe op het vertrouwensbeginsel.
Het verlenen van onbetaald verlof met terugwerkende kracht
Klager voert aan dat het onaanvaardbaar is dat met terugwerkende kracht onbetaald verlof is verleend, terwijl hij in die periode werkzaamheden heeft verricht. Het Gerecht overweegt hierover het volgende.
Het Gerecht stelt vast dat op het moment van het vertrek van klager geen rechtspositioneel besluit bestond dat de situatie regelde. Daarmee was sprake van een ongereguleerde rechtspositie van klager. Verweerder was gehouden deze situatie alsnog formeel te duiden. De primaire beschikking strekt ertoe de feitelijk ontstane situatie – te weten het afwezig zijn in Sint Maarten en het gedurende langere tijd verrichten van andere werkzaamheden wegens een fulltime externe functie in het buitenland – rechtspositioneel vast te leggen. Het verlenen van onbetaald verlof over een reeds aangevangen periode is in dat kader niet ongeoorloofd, mits daarvoor een toereikende grondslag bestaat.
Die grondslag kan naar het oordeel van het Gerecht worden gevonden in artikel 30 van de Regeling. Door toepassing te geven aan artikel 30 van de Regeling en vrijstelling van dienst zonder behoud van inkomen te verlenen, heeft verweerder de rechtspositie van klager behouden en een formele grondslag gecreëerd voor zijn afwezigheid. Tegelijkertijd heeft verweerder hiermee het ontbreken van een grond voor bezoldiging tot uitdrukking gebracht. Het Gerecht acht deze keuze niet onredelijk of onevenredig.
Dat de primaire beschikking ziet op een reeds aangevangen periode, maakt het niet onrechtmatig, nu geen aanspraak op bezoldiging bestond bij gebreke van een besluit tot betaald verlof. Daarbij neemt het Gerecht tevens in aanmerking dat klager wist, althans behoorde te weten, dat geen goedkeuring was verleend en de situatie door zijn eigen vertrek zonder voorafgaande goedkeuring is ontstaan. Van een ontoelaatbare terugwerkende kracht is onder deze omstandigheden geen sprake.
Gestelde voortgezette dienstverrichting
Klager stelt dat hij gedurende zijn verblijf in New York werkzaamheden voor Sint Maarten is blijven verrichten en reeds daarom recht heeft op salaris.
Het Gerecht volgt hem daarin niet. Incidentele contacten of een beperkte bijdrage aan lopende dossiers kunnen niet worden aangemerkt als het structureel verrichten van de eigen voltijdse functie. Daarbij is van belang dat klager gedurende deze periode een fulltime functie bij de PVNY vervulde, zodat volledige uitoefening van zijn ambtelijke betrekking feitelijk niet mogelijk was. De achteraf opgestelde verklaringen van leidinggevenden over zijn bijdrage aan dossiers doen hieraan niet af. Klager heeft ter zitting wel gesteld dat hij gemiddeld 30 uur per week werkzaamheden voor Sint Maarten verrichtte, maar deze stelling is door verweerder betwist en niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Bovendien is niet gebleken dat het bevoegde gezag hem opdracht heeft gegeven om tijdens zijn verblijf bij de PVNY werkzaamheden voor Sint Maarten te verrichten. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat geen sprake was van dienstverrichting die een zelfstandige aanspraak op bezoldiging rechtvaardigt.
Drie maanden-termijn en terugkeergarantie
De primaire beschikking bevat de verplichting dat klager uiterlijk drie maanden vóór afloop van de verlofperiode schriftelijk kenbaar maakt of hij herstel in actieve dienst wenst. Tevens is bepaald dat geen garantie wordt gegeven op terugkeer in de oorspronkelijke functie.
Het Gerecht overweegt dat deze voorwaarden overeenstemmen met het geldende beleid bij toepassing van artikel 30 van de Regeling. De drie-maanden-termijn is in het beleid voorgeschreven om de continuïteit van de dienst te waarborgen en duidelijkheid te scheppen over de rechtspositionele gevolgen van onbetaald verlof. Het ontbreken van een terugkeergarantie is eveneens beleidsmatig bepaald; bij herstel in actieve dienst wordt voorzien in plaatsing in een passende functie, niet per definitie in de oorspronkelijke functie.
In dit concrete geval is de primaire beschikking echter pas genomen op een moment waarop het feitelijk niet meer mogelijk was volledig aan de drie-maanden-termijn te voldoen. In zoverre is de toepassing van deze beleidsregel in dit specifieke geval niet zorgvuldig geweest. Het gebrek in de toepassing van de drie-maanden-termijn leidt echter niet tot vernietiging van de beschikking. Niet is gebleken dat klager hierdoor in zijn belangen is geschaad. Het niet strikt voldoen aan de gestelde termijn van drie maanden is hem niet tegengeworpen en heeft daarom geen rechtspositionele gevolgen gehad. Het Gerecht ziet daarom aanleiding dit gebrek te passeren.
Conclusie
Het Gerecht komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen studieopdracht toe te kennen aan klager. Ook heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om klager onbetaald verlof te verlenen gedurende de periode dat hij in dienst was bij de PVNY. Het hiertegen gemaakte bezwaar is op goede gronden ongegrond verklaard. De bestreden beschikkingen kunnen om deze redenen in stand blijven.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bezwaren ongegrond zijn.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het Gerecht in ambtenarenzaken:
verklaart de bezwaren ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 16 februari 2026.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest; en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van de toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.