ECLI:NL:OGAACMB:2026:9

ECLI:NL:OGAACMB:2026:9

Instantie Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 23-02-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer BON202500277
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Disciplinair ontslag. Bij de vaststelling van het plichtsverzuim bij gedraging 1 heeft de minister in strijd gehandeld met de onschuldpresumptie. Gedragingen 2, 3 en 4 leveren wel plichtsverzuim op. Het plichtsverzuim is toerekenbaar. De opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Aan een politieambtenaar mogen hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Het ondertekenen van een proces-verbaal van aangifte, terwijl ze van mening was dat de inhoud niet klopte is, gelet op het feit dat dat kan leiden tot de onterechte veroordeling van een burger, een ernstige vorm van plichtsverzuim. Bezwaar is ongegrond.

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Uitspraak

in de zaak van:

[klaagster],

wonende te Bonaire,

klaagster,

gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas, advocaat,

tegen:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

hierna: de minister,

verweerder,

gemachtigde: mr. T. Breugom, advocaat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klaagster tegen het besluit van de minister van 29 april 2025 om klaagster wegens plichtsverzuim met onmiddellijke ingang primair disciplinair te ontslaan en subsidiair ontslag te verlenen wegens functionele ongeschiktheid (het ontslagbesluit).

De minister heeft een contramemorie met producties ingediend.

Het bezwaar is op 12 januari 2026 ter zitting behandeld. De behandeling heeft plaatsgevonden via een videoverbinding tussen het Gerechtsgebouw in Curaçao, alwaar de rechter en de griffier aanwezig waren, en het Gerechtsgebouw Bonaire, alwaar partijen aanwezig waren. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door het Gerecht

Wettelijk kader

3. Het Gerecht gaat uit van het volgende wettelijk kader:

Op grond van artikel 101, tweede lid, van het Besluit rechtspositie korps politie BES (Brkp BES) kan de ambtenaar van politie die zijn ambtelijke verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Volgens het derde lid van dat artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar van politie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Verder bepaalt het vierde lid van dat artikel dat een strafrechtelijke vervolging wegens een feit dat medeplichtsverzuim inhoudt, een disciplinaire strafoplegging wegens dat feit niet uitsluit.

Volgens artikel 102, eerste lid, aanhef en onder i, van het Brkp BES is ontslag één van de disciplinaire straffen die de ambtenaar van politie kan worden opgelegd.

Artikel 119, eerste lid, aanhef en onder e, van het Brkp BES bepaalt dat buiten de gevallen bij dit besluit of bij krachtens enige wettelijke regeling, anders dan het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES, bepaald, de ambtenaar van politie kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

Klaagster is per 1 november 2023 voor de duur van 1 jaar in dienst getreden bij het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN) en aangesteld in de functie van Medewerker Basispolitiezorg (allround). Bij besluit van 23 september 2024 is de aanstelling van klaagster verlengd tot en met 31 december 2024 en is haar functie met ingang van 1 juli 2024 gewijzigd naar Informatie Rechercheur. Bij besluit van 12 december 2024 is de aanstelling van klaagster verlengd tot en met 30 april 2025. In dat besluit is de functie van klaagster aangeduid als Medewerker Basispolitiezorg (allround). Ter zitting is verduidelijkt dat klaagster ten tijde van het ontslag formeel benoemd was in de functie van Medewerker Basispolitiezorg maar feitelijk werkzaam was als informatierechercheur.

Op 2 maart 2004 heeft klaagster samen met een collega [collega 1] assistentie verleend aan twee andere collega’s, [collega 2] en [collega 3], die een witte personenauto achtervolgden. [collega 1] plaatste het dienstvoertuig, dat hij bestuurde en waarin klaagster bijrijder was, schuin op de weg om de witte auto te blokkeren. De witte auto reed op hoge snelheid links achter langs het dienstvoertuig van klaagster en [collega 1], gevolgd door het dienstvoertuig van [collega 2] en [collega 3]. De witte auto is even later door een ongeluk tot stilstand gekomen waarna de inzittenden door klaagster en haar drie collega’s zijn aangehouden. Eén van de twee aangehouden verdachten die door klaagster en [collega 1] werden vervoerd, [verdachte 1], heeft verklaard dat hij tijdens die rit door [collega 1] op zijn neus is geslagen. De andere verdachte die bij klaagster en [collega 1] in de auto zat, [verdachte 2], heeft verklaard dat hij bij zijn aanhouding door [collega 1] is geslagen. Tijdens de aanhouding van de andere twee verdachten zijn door [collega 2] en [collega 3] schoten gelost.

Naar aanleiding van het (vermoedelijke) geweldsgebruik bij de aanhouding is de rijksrecherche een strafrechtelijk onderzoek gestart. Nadat het voor de rijksrecherche duidelijk werd dat klaagster een proces-verbaal van bevindingen en een aangifte van poging doodslag had ondertekend, richtte het onderzoek zich ook op de verdenkingen van meineed, valsheid in geschrift en het doen van een valse aangifte. Het vermoeden was dat processen-verbaal zo waren opgesteld of aangepast dat sprake was van een poging tot doodslag door de bestuurder van de witte auto die langs de auto van klaagster en [collega 1] was gereden.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is klaagster meermalen door de rijksrecherche gehoord, op 11 en 15 april 2024 als getuige en op 16 juli 2024 als verdachte. Tijdens het daarop volgende disciplinair onderzoek is klaagster gehoord door Bureau Interne Zaken tijdens een hoorgesprek op 28 november 2024.

Bij brief van 9 januari 2025 heeft de korpschef aan klaagster bericht dat zij op grond van een concreet vermoeden van plichtsverzuim buiten functie wordt gesteld en dat haar de toegang tot alle dienstgebouwen en werkplekken van KPCN wordt ontzegd. Op diezelfde datum dient klaagster ontslag op eigen verzoek in.

Op 28 februari 2025 vindt een verantwoordingsgesprek met klaagster plaats, waarbij de korpschef, de plaatsvervangend korpschef en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.

In het voornemensbesluit van 11 april 2025 deelt de minister aan klaagster mede dat hij voornemens is om haar primair de straf van disciplinair ontslag op te leggen en subsidiair ongeschiktheidsontslag. Klaagster wordt in dit besluit in de gelegenheid gesteld om zich binnen zeven dagen over het voornemen te verantwoorden. Nadat de reactietermijn op verzoek van klaagster met nog eens zeven dagen is verlengd, laat klaagster op 25 april 2025 per email weten dat zij niet in staat is om een zienswijze te geven door een te korte termijn en omdat zij geen gelegenheid heeft gehad tot inzage in de stukken.

Bij besluit van 28 april 2025 heeft de minister het verzoek van klaagster om ontslag op eigen verzoek afgewezen, gezien het lopende disciplinaire onderzoek en de aard en ernst van de feiten die daaraan ten grondslag liggen.

Bij besluit van 29 april 2025 heeft de minister op grond van toerekenbaar plichtsverzuim aan klaagster met onmiddellijke ingang primair disciplinair strafontslag opgelegd, subsidiair ongeschiktheidsontslag.

Het Gerecht heeft klaagster bij zijn vonnis van 17 juni 2025 in de strafzaak vrijgesproken van meineed. Aan klaagster was tenlastegelegd -kort gezegd- dat zij opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd door in het proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2024 in strijd met de waarheid te vermelden “dat zij verbalisanten een fatale aanrijding alleen konden voorkomen door snel uit te wijken met hun dienstvoertuig” en door weg te laten “dat het witte voertuig op het laatste moment naar links was uitgeweken.” Het Gerecht heeft niet met voldoende zekerheid kunnen vaststellen dat de passage over het naar voren bewegen van de dienstauto onwaar is. Ditzelfde geldt voor het weglaten van de passage dat het witte voertuig op het laatste moment naar links was uitgeweken. Daarom heeft het Gerecht meineed niet bewezen geacht.

Wat heeft de minister aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegd?

Het Gerecht zal eerst beoordelen of het primair opgelegd disciplinair strafontslag de rechterlijke toets kan doorstaan.

De minister heeft beoogd de volgende gedragingen ten grondslag te leggen aan het ontslagbesluit:

het opmaken van een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen in strijd met de waarheid;

het opmaken van een ambtsedig proces-verbaal van aangifte poging tot doodslag in strijd met de waarheid;

het niet ingrijpen toen collega [collega 1] in het dienstvoertuig ongerechtvaardigd geweld toepaste tegen een geboeide verdachte en het nalaten waarheidsgetrouw daarover te rapporteren;

het delen van gevoelige informatie en videobeelden met derden.

Ter onderbouwing van het plichtsverzuim wegens de gedragingen 1 en 2 schrijft de minister het volgende.

In het proces-verbaal van aanhouding, dat is opgemaakt door klaagster op 3 maart 2024 en mede ondertekend door [collega 1], staat: “Wij zagen dat het witte voertuig op het allerlaatste moment ons ontweek door naar links uit te wijken. Doordat het voertuig ons op het allerlaatste moment pas ontweek kregen wij verbalisanten de indruk dat het voertuig ons met opzet had willen aanrijden.”

In het proces-verbaal van bevindingen, dat is opgemaakt door [collega 1] op 4 maart 2024 en mede ondertekend door klaagster staat: “We konden een fatale aanrijding alleen voorkomen door snel uit te wijken. Nadat we ons voertuig aan de kant hadden gezet, raasde het witte voertuig langs ons (…). Gezien de hoge snelheid en het gebrek aan reactie van de bestuurder, kregen we de indruk dat de bestuurder ons opzettelijk wilde aanrijden, wat als een poging tot doodslag werd beschouwd.”

Klaagster en [collega 1] hebben op 6 maart 2024 elk een aangifte van poging tot doodslag ondertekend. Deze aangiftes zijn opgemaakt door een collega en daarbij is de tekst uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2024 gebruikt.

De minister baseert zich in zijn besluit op de verklaringen en feiten en omstandigheden uit het strafrechtelijk en disciplinair onderzoek. Omdat de minister ter zitting heeft toegevoegd dat het plichtsverzuim vooral berust op de eigen verklaringen van klaagster, beperkt het Gerecht zich tot de weergave van enkele in het besluit opgenomen citaten uit de verklaringen van klaagster.

Klaagster heeft op 11 en 15 april 2024 verklaard dat de zinsnede in het proces-verbaal van 4 maart 2024 “We konden een aanrijding alleen voorkomen door snel uit te wijken” niet klopt en dat zij hun dienstvoertuig niet hebben verplaatst.

Verder verklaart klaagster op 11 en 15 april 2024:

“(…) Ze hebben gewoon, ja eigenlijk de andere weghelft gebruikt om langs ons heen te gaan;

(…) Wij hebben ons dienstvoertuig niet verplaatst en zij zijn gewoon langs ons heen gereden. Later is op het bureau bedacht dat we het zo in ons pv moesten zetten omdat dat dan een reden zou zijn voor die andere gasten om te schieten;

(…) ze hebben dan bedacht dat [collega 1] en ik aangifte moesten doen om het dan nog zwaarder te maken. Iemand anders van de opsporing heeft voor mij een aangifte op papier gezet en ik moest alleen mijn handtekening eronder zetten. Toen vroegen ze aan mij of ik het nog wilde lezen of het klopte. Ik heb toen gezegd, als jullie dit zo in een pv zetten, dan klopt het niet meer met mijn pv. (…) Dus wat klopt is dat zij met flinke snelheid op ons af kwamen rijden en dat het in eerste instantie leek dat zij niet de intentie hadden om te stoppen. En dat was ook zo, maar zij zijn vlak voor het moment dat zij bij ons waren, op het laatste moment hadden zij uitgeweken en zijn ze langs ons gereden;

(…) V: heb jij dit zelf beleefd als een poging tot doodslag? A: neen.”

In het verhoor van 16 juli 2024 bevestigt klaagster dat het verplaatsen van het dienstvoertuig zoals [collega 1] heeft geschreven in het proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2024 niet is gebeurd. Klaagster verklaart dat zij het proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2024 nooit had moeten tekenen, omdat de inhoud niet klopte, maar dat zij anders IGO, haar eigen ploeg en BPZ over zich heen zou krijgen.

Klaagster verklaart tijdens het disciplinair onderzoek, dat zij vanaf het begin dat zij bij KPCN kwam werken heel vaak de afweging heeft moeten maken of zij mee zou gaan in hoe de collega’s werken of dat zij bij haar eigen integriteit zou blijven. Iedereen zou volgens klaagster weten dat als je niet meegaat met de werkwijze van de collega’s, je het niet lang zult volhouden bij KPCN. De handtekening had zij nooit moeten zetten, maar zij was bang voor de reactie van collega’s en koos er daarom voor om voorbij te gaan aan haar eigen integriteit. Het was vooral een gevoel dat klaagster heeft gehad en zij is niet gedwongen om aangifte te doen, de aangifte te tekenen of veranderingen te maken aan een proces-verbaal.

De minister acht het, zoals vastgelegd in het besluit, op basis van de beschikbare verklaringen en objectieve feiten voldoende aannemelijk dat het dienstvoertuig van klaagster en [collega 1] niet is verschoven om een aanrijding te voorkomen. Daarnaast staat voor de minister vast dat er voldoende ruimte was om aan de linkerzijde van het dienstvoertuig te passeren. De minister acht het aannemelijk dat klaagster plichtsverzuim heeft gepleegd bestaande uit het in strijd met de waarheid opstellen van een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen en proces-verbaal van aangifte.

Klaagster heeft immers een proces-verbaal van bevindingen ondertekend met een onjuiste weergave van de situatie “We konden een aanrijding alleen voorkomen door snel uit te wijken”, terwijl zij wist dat dit niet waar was. Zij heeft herhaaldelijk verklaard dat de passage niet klopt. Later heeft zij erkend dat zij het document niet had moeten ondertekenen. Haar handelen was een bewuste keuze.

Ook heeft klaagster een proces-verbaal van aangifte van poging doodslag ondertekend, terwijl zij wist dat daarvan geen sprake was. Ook dit was een bewuste keuze. Zij had als politieambtenaar de plicht om objectief en naar waarheid te rapporteren. Nog kwalijker is dat klaagster nooit de verantwoordelijkheid heeft genomen deze aangifte in te trekken of te corrigeren, uit angst voor de reacties binnen KPCN.

Over de gedragingen 3 en 4 concludeert de minister het volgende.

De minister acht het op grond van de verklaringen, waaronder haar eigen verklaringen, voldoende aannemelijk geworden dat collega [collega 1] de heer [verdachte 1] in het dienstvoertuig heeft geslagen, terwijl hij geboeid was. De minister neemt het klaagster kwalijk dat zij niet heeft ingegrepen en ook achteraf geen melding ervan heeft gemaakt.

Verder heeft klaagster de geheimhoudingsplicht geschonden en de integriteit van het onderzoek in gevaar gebracht door gevoelige informatie en videobeelden met derden te delen. Uit het onderzoek is gebleken dat klaagster in een chat met een ex-collega, [naam ex-collega], filmpjes heeft gedeeld, waarvan één van de achtervolging van 2 maart 2024. Ook heeft klaagster in die chat informatie over het onderzoek gegeven en onder meer geschreven dat andere dingen in het proces-verbaal zijn gezet dan wat er echt was gebeurd.

Deze gedragingen leveren volgens de minister ernstig plichtsverzuim op, dat aan klaagster kan worden toegerekend. Gelet op de aard en de ernst van de gedragingen vindt de minister de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan dit plichtsverzuim.

Wat voert klaagster aan?

6. Klaagster voert aan dat geen sprake is van plichtsverzuim, althans dat het plichtsverzuim niet dusdanig ernstig is dat het de straf van ontslag rechtvaardigt. Daartoe heeft klaagster in de eerste plaats gesteld dat zij is vrijgesproken van meineed. Daarom kunnen die feiten niet meer dienen voor het strafontslag. Klaagster kan zich ook niet vinden in het verwijt dat zij niet heeft ingegrepen toen collega [collega 1] in het dienstvoertuig geweld toepaste tegen de heer [verdachte 1]. Klaagster wijst erop dat [collega 1] haar meerdere is, dat zij een klap heeft gehoord maar het niet heeft gezien en dat het niet duidelijk was dat het ging om onrechtmatig geweld. Tot slot heeft de minister het delen van gevoelige informatie en videobeelden met derden niet onderbouwd.

Klaagster betoogt overigens dat zij niet voldoende gelegenheid heeft gehad om zich over het voornemen tot disciplinaire straf van ontslag te verantwoorden, nu zij niet beschikte over het volledige dossier. Daarom heeft de minister zijn besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid, aldus klaagster.

Hoe oordeelt het Gerecht?

7. Het Gerecht stelt voorop dat voor het kunnen opleggen van de disciplinaire straf van ontslag sprake moet zijn van plichtsverzuim dat toerekenbaar is. Verder mag het ontslag niet onevenredig zijn aan het plichtsverzuim. Het Gerecht zal eerst ingaan op de vraag of klaagster zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Voordat het Gerecht tot dat laatste overgaat zal hij ten overvloede een algemene opmerking maken in verband met de omvang van het ontslagbesluit. Een ontslagbesluit moet duidelijk en begrijpelijk zijn voor een ambtenaar. Gelet daarop dient het bevoegde gezag in een ontslagbesluit kort en bondig te formuleren welk handelen of nalaten aan de ambtenaar wordt verweten met daarbij een beknopte toelichting waarom die gedraging of dat nalaten plichtsverzuim oplevert. Daarmee strookt niet dat een ambtenaar, zoals in deze zaak het geval is, zesentwintig pagina’s moet lezen en daaruit moet zien te begrijpen wat concreet het verwijt/de verwijten zijn en waarom dat plichtsverzuim oplevert. De kort en bondige formulering van het een en ander in de contramemorie in deze zaak heeft meer duidelijkheid gebracht over de concrete verwijten aan klaagster. Echter, dat had dus al bij het besluit dienen te gebeuren. Nu klaagster geen bezwaargronden specifiek hiertegen heeft gericht, kan het Gerecht verder hierover geen oordeel geven. Het Gerecht verstaat echter dat de minister in de toekomst bij het opstellen van ontslagbesluiten hiermee rekening zal houden.

Plichtsverzuim

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak vereist dat op basis van beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. De bewijslast ligt bij de minister.

Gedraging 1: een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen in strijd met de waarheid

Klaagster heeft onder verwijzing naar het strafvonnis waarbij zij is vrijgesproken gesteld dat gedraging 1 niet meer kan dienen als grondslag voor het ontslagbesluit. De minister heeft dit betwist en erop gewezen dat bij de vaststelling van plichtsverzuim andere maatstaven gelden dan in het strafrecht.

In de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van Mens (EHRM) is een toetsingskader bepaald voor de reikwijdte van de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in bestuursrechtelijke procedures. Dit toetsingskader wordt door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (RvBAz) toegepast en het Gerecht sluit zich daarbij aan. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM niet is beperkt tot strafrechtelijke procedures, maar dat deze zich in voorkomend geval kan uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure, indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit en samenhangen met een strafrechtelijke procedure. Deze situatie kan zich voordoen tijdens een strafrechtelijke procedure alsook na het staken van de strafrechtelijke procedure of na een vrijspraak.

Disciplinaire maatregelen wegens gedragingen in verband waarmee ook nog een strafrechtelijke procedure loopt, zijn niet uitgesloten. In de parallelle disciplinaire procedure moet wel de onschuldpresumptie in acht worden genomen. Dit betekent dat het bestuursorgaan en de bestuursrechter zich bij de beoordeling van het plichtsverzuim strikt moeten beperken tot de vraag of het betreffende handelen of nalaten plichtsverzuim oplevert dat een disciplinaire straf rechtvaardigt. Het bestuursorgaan en de bestuursrechter moeten taalgebruik vermijden dat duidt op strafrechtelijke aansprakelijkheid, zoals strafrechtelijke kwalificaties. De woordkeuze van bestuursorganen en bestuursrechters is van kritisch belang bij de beoordeling of de onschuldpresumptie is geschonden.

In dit geval is sprake van voldoende verband tussen de strafrechtelijke procedure en de voorliggende procedure, nu de tenlastelegging waarvan de strafrechter klaagster heeft vrijgesproken, is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex en strafrechtelijk onderzoek als die ten grondslag liggen aan het bestreden ontslagbesluit.

De minister heeft in zijn besluit eerst de gebeurtenissen op 2 maart 2024 beoordeeld door de verklaringen en overige objectieve feiten en omstandigheden te wegen en het vervolgens aannemelijk geacht dat [collega 1] het dienstvoertuig niet heeft verschoven om een aanrijding te voorkomen. Daaruit volgt volgens de minister dat het plichtsverzuim van klaagster erin bestaat dat zij in strijd met de waarheid een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen heeft opgesteld, door bewust dat proces-verbaal bevattende een onjuiste weergave van de situatie te ondertekenen.

De strafrechter heeft over dezelfde gebeurtenissen op 2 maart 2024 aan de hand van dezelfde verklaringen en feiten en omstandigheden geoordeeld, maar is in het strafvonnis van 17 juni 2025 tot een andere conclusie gekomen. Het Gerecht heeft in de strafzaak niet met voldoende zekerheid kunnen vaststellen dat de passage over het naar voren bewegen van de dienstauto onwaar is en dus ook niet dat het proces-verbaal van bevindingen een onjuist beeld geeft van de gebeurtenissen.

Het Gerecht is van oordeel dat de minister in zijn motivering buiten de grenzen is getreden van wat strikt noodzakelijk was om tot vaststelling van plichtsverzuim te komen. De minister had zich moeten beperken tot de vraag of de gedragingen van klaagster plichtsverzuim opleveren. Door in zijn afwegingen ook een eigen beoordeling van de gebeurtenissen van 2 maart 2024 te geven, heeft hij een voorschot genomen op de schuld van klaagster aan de haar in de (ten tijde van het ontslag nog) lopende strafprocedure verweten gedraging. Daarmee heeft de minister in strijd gehandeld met de onschuldpresumptie.

Het gevolg van dat laatste is dat de hier besproken stelling van klaagster slaagt en dat het Gerecht niet kan uitgaan van de door de door de minister als vaststaande feiten aangemerkte omstandigheden met betrekking tot gedraging 1. Gelet daarop dient het Gerecht te concluderen dat op grond van gedraging 1 geen sprake is van plichtsverzuim.

De minister heeft toegelicht dat het plichtsverzuim vooral berust op de verklaringen van klaagster zelf en dat het plichtsverzuim daarin bestaat dat zij door het ondertekenen van het proces-verbaal van bevindingen zich bewust heeft geconformeerd aan een lezing die niet overeenkwam met haar eigen waarneming.

De kern van het verwijt aan klaagster ligt uiteindelijk in de beweegreden voor haar handelen, namelijk dat zij vanwege haar afkomst voortdurend druk of angst heeft ervaren in de samenwerking met de collega’s en zoekende is geweest naar hoe zij bij haar eigen integriteit kon blijven of mee zou gaan in het gedrag van de collega’s. De minister heeft terecht overwogen dat dit geen reden kan en mag zijn om te handelen zoals klaagster heeft gedaan en dat juist dat haar onbetrouwbaar maakt in het ambt van politieagent. Indien de minister in plaats van delen uit het strafdossier te citeren, uitsluitend deze toelichting zou hebben opgenomen in het ontslagbesluit en tot de conclusie zou zijn gekomen dat het niet-integer handelen van klaagster een ernstige vorm van plichtsverzuim oplevert, had hij niet in strijd met de onschuldpresumptie gehandeld en was gedraging 1 waarschijnlijk wel in stand gebleven als ontslaggrond. Juist omdat het bewijs van de integriteitsschending gelegen is in de verklaringen van klaagster zelf had de minister zich dus daartoe kunnen en moeten beperken zonder over te gaan tot een eigen feitenvaststelling.

Gedraging 2: een ambtsedig proces-verbaal van aangifte in strijd met de waarheid

Hetgeen de minister in het ontslagbesluit over het handelen van klaagster met betrekking tot gedraging 2 heeft vastgesteld, leidt naar het oordeel van het Gerecht wel tot plichtsverzuim. Klaagster heeft een aangifte poging tot doodslag ondertekend, terwijl zij zelf niet vond dat van een poging tot doodslag sprake was. Uit de aangehaalde verklaring van klaagster blijkt dat deze aangifte volgens haar niet klopte met haar eigen waarneming zoals gerelateerd in haar proces-verbaal van aanhouding. Haar handelen had ertoe kunnen leiden dat een onschuldige jongeman wordt veroordeeld voor een ernstig misdrijf. Terecht heeft de minister overwogen dat het nog kwalijker is dat klaagster achteraf de aangifte niet heeft ingetrokken. Ook bij gedraging 2 ligt de kern van het verwijt aan klaagster in het feit dat zij uit angst voor de reacties van collega’s is ‘meegegaan’ in een handelswijze waar zij niet achter stond. Anders dan bij gedraging 1 blijkt deze kern van het verwijt bij gedraging 2 voldoende uit het ontslagbesluit. Hiermee toont klaagster aan dat zij de basiseisen van integriteit en betrouwbaarheid niet respecteert. Het Gerecht is het met de minister eens dat klaagster zich hiermee aan een ernstige vorm van plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt.

Gedraging 3: het niet ingrijpen bij toepassing geweld door collega en nalaten het te rapporteren. en het delen van gevoelige informatie en videobeelden met derden

De minister heeft onvoldoende toegelicht hoe klaagster had kunnen ingrijpen om te voorkomen dat haar collega de geboeide verdachte zou mishandelen. Het Gerecht is het met de minister eens dat klaagster niet integer heeft gehandeld door deze toepassing van geweld niet te rapporteren. Dat de betreffende collega een hogere rang heeft dan klaagster had daarvoor geen beletsel moeten zijn. Ook hier is dus sprake van niet-integer handelen door klaagster dat de minister in redelijkheid als plichtsverzuim heeft mogen aanmerken.

Gedraging 4: het delen van gevoelige informatie en videobeelden met derden

Dat laatste geldt ook voor het delen met ene [naam ex-collega] van informatie en beeldmateriaal over lopende onderzoeken. Als politievrouw had klaagster moeten weten dat die beelden uitsluitend bestemd waren voor gebruik binnen het politiekorps te Bonaire. De minister heeft dan ook terecht geoordeeld dat klaagster zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een ernstige integriteitsschending die ook een plichtsverzuim oplevert. Dat deze [naam ex-collega] een ex-collega van klaagster is die zelf ook bij de politie werkzaam is of was in Nederland, maakt dat niet anders.

Toerekenbaarheid

Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend.

Niet is gesteld of gebleken dat het plichtsverzuim niet aan klaagster kan worden toegerekend. Als politieambtenaar wist of behoorde zij te begrijpen dat deze gedragingen niet verenigbaar zijn met het ambt van politieagent. De keuze om niet-integer te handelen uit angst om uit de toon te vallen bij haar collega’s kan klaagster volledig worden toegerekend.

Uit het voorgaande volgt dat de minister bevoegd was om klaagster een disciplinaire straf op te leggen.

Evenredigheid

Het Gerecht is van oordeel dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Aan een politieambtenaar mogen hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Het opmaken van processen-verbaal is één van de kerntaken van de politie en aan een proces-verbaal komt bijzondere bewijskracht toe. Het ondertekenen van een proces-verbaal van aangifte terwijl ze van mening was dat de inhoud niet klopte is, gelet op het feit dat dat kan leiden tot de onterechte strafrechtelijke veroordeling van een burger, een ernstige vorm van plichtsverzuim. Het feit dat klaagster zich daarbij vooral heeft laten leiden door haar persoonlijke gevoelens in plaats van haar morele kompas maakt haar onberekenbaar en onbetrouwbaar en niet houdbaar in het ambt van politieambtenaar.

Overige stellingen van klaagster

Voor zover klaagster betoogt dat de voorbereiding van het ontslagbesluit onzorgvuldig is verlopen doordat zij vanwege het ontbreken van stukken niet haar zienswijze op het voornemensbesluit heeft kunnen inbrengen, volgt het Gerecht dit betoog niet. In het voornemensbesluit heeft de minister net als in het ontslagbesluit uitvoerig toegelicht waarop zijn besluit is gestoeld. Relevante verklaringen en stukken zijn samengevat of door middel van citaten weergegeven en het besluit was bovendien in het bijzonder gebaseerd op verklaringen van klaagster zelf. Klaagster is diverse malen gehoord door zowel de rijksrecherche als door de leiding van het KPCN en had aldus voldoende gelegenheid om inzage te vragen in het dossier. Aan klaagster was verder een verlenging van de reactietermijn gegund. Klaagster had de gelegenheid om te reageren, maar heeft ervoor gekozen dat niet te doen. Onder deze omstandigheden kan geen sprake zijn van een onzorgvuldige voorbereiding van het ontslagbesluit. Het betoog slaagt niet.

Gelet op het voorgaande komt het Gerecht tot de conclusie dat het disciplinair ontslag in stand kan blijven.

Ongeschiktheidsontslag

8. Bij een ongeschiktheidsontslag moet de Regering concrete gedragingen van de betrokken ambtenaar aannemelijk maken, waaruit genoegzaam blijkt dat deze niet beschikt over eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die nodig zijn voor het op goede wijze vervullen van zijn functie.

De minister heeft de volgende toelichting opgenomen in het besluit met betrekking tot het ontslag wegens functionele ongeschiktheid:

Uw handelen is onverenigbaar met de integriteit en onafhankelijkheid die van een politieambtenaar kan worden verwacht. Integriteit is niet onderhandelbaar en laat geen ruimte voor afwegingen die afhangen van sociale druk of persoonlijke belangen. Naar mijn oordeel is een verbetertraject dan ook zinloos.

Nu in het kader van deze procedure is komen vast te staan dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen 2, 3 en 4 heeft de minister in redelijkheid mogen oordelen dat klaagster niet geschikt was voor haar functie en dat een verbeterkans niet zinvol is. Bij dat laatste neemt het Gerecht in aanmerking dat klaagster zelf heeft toegelicht dat haar niet-integer handelen een gevolg is geweest van haar angst voor de reacties van collega’s. Deze mentaliteit maakt een verbeterkans niet zinvol.

Conclusie en gevolgen

8. De slotsom is dat het bezwaar ongegrond is. Klaagster heeft zich met gedragingen 2, 3 en 4 schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, dat haar kan worden toegerekend. Het disciplinair strafontslag is niet onevenredig. Deze gedragingen rechtvaardigen ook een ongeschiktheidsontslag.

9. Nu het bezwaar gegrond is, bestaat geen grond voor de door klaagster verzochte proceskosten veroordeling.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier mr. C. Anselma-Bernsen.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de RvBAz van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz) Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?