Uitspraak van 4 april 2016.
L.A.R. no. 2535 van 2014.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[appellante] ,
wonende in Aruba,
APPELLANTE,
gemachtigde: mr. J.J. Steward,
gericht tegen:
De minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie,
zetelende te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. N.R. Sneek en mevrouw J. Harewood (DIMAS)
1. PROCESVERLOOP:
Appellante heeft op 31 juli 2014 bezwaar gemaakt tegen de beschikking van verweerder van 20 juni 2014, waarbij is geweigerd een vergunning tot tijdelijk verblijf te verstrekken ten behoeve van haar minderjarige dochter.
Tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar heeft appellante op 21 oktober 2014 beroep ingesteld
Verweerder heeft 30 januari 2015 een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van 1 juni 2015, alwaar partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden voornoemd.
Hierna zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voortzetten van de procedure. Partijen hebben ter zitting van 28 september 2015 aktes ingediend.
De uitspraak is nader bepaald op heden.
2. OVERWEGINGEN:
Aan de beschikking van 20 juni 2014 is als motivering ten grondslag gelegd dat appellante als aanvrager van de vergunning ten behoeve van de dochter in het kader van gezinshereniging, zelf niet over een verblijfsvergunning beschikt, zodat zij niet garant kan staan voor iemand anders.
Ter zitting is gebleken dat op 26 maart 2015 ten behoeve van de dochter op verzoek van haar vader, de heer X, een voorlopige toelating tot Aruba is verstrekt en dat de vader inmiddels een vergunningsaanvraag voor de dochter heeft ingediend en bereid is garant te staan voor haar. Dat aan appellante een verblijfsvergunning is verleend is niet gebleken.
Naar het oordeel van het gerecht is hiermee het belang van appellante bij het onderhavige beroep komen te vervallen, waardoor het beroep van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Wat betreft het verzoek van appellant om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure, overweegt het gerecht als volgt.
Het verzoek is gebaseerd op artikel 52, lid 2 van de Lar. Ingevolge deze bepaling kan de rechter bepalen dat het bestuursorgaan wordt verplicht tot betaling van een vergoeding aan de wederpartij. Conform vaste jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof bestaat er bij niet-ontvankelijk verklaring van het beroep geen grondslag voor toepassing van artikel 52, tweede lid, van de Lar. De in die bepaling aan de rechter toegekende bevoegdheid ziet naar zijn aard slechts op gevallen, waarin het beroep tot vernietiging van de bestreden beschikking heeft geleid.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat derhalve geen grond.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
3. DE UITSPRAAK:
De rechter in dit gerecht:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing werd gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 april 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).