Uitspraak van 29 maart 2018
BBZ nr. AUA201701160
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[ X ] N.V., gevestigd op Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN, zetelend in Aruba,
de Inspecteur,
1. PROCESVERLOOP
Met dagtekening 13 juli 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling met kenmerk UTB/04/2017 (hierna: UTB) opgelegd van Afl. 216.508,65 aan invoerrechten. Tegelijkertijd heeft de Inspecteur aan [ WTH NV] (WTH NV) een UTB tot hetzelfde bedrag opgelegd (kenmerk UTB/03/2017).
Op 1 augustus 2017 heeft belanghebbende bezwaar ingesteld tegen de UTB met kenmerk UTB/03/2017.
Bij beslissing op bezwaar van 4 augustus 2017 is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing op bezwaar heeft belanghebbende op 1 september 2017 beroep ingesteld. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 150,-.
De Inspecteur heeft op 21 november 2017 een verweerschrift met producties ingediend.
Op 28 februari 2018 zijn partijen opgeroepen tot het bijwonen van een zitting. In dat verband zijn verschenen namens de Inspecteur [ A ] en [ B ] en namens belanghebbende de gemachtigde, [ C ] en de directeur [ D ]. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd.
2. FEITEN
Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende weersproken.
WTH NV (de importeur) is een onderneming die regelmatig goederen invoert. Zij maakt bij de invoer gebruik van de diensten van belanghebbende die werkzaam is als douane-expediteur. Belanghebbende treedt dan op als aangever en voert de goederen in op eigen naam maar voor rekening van WTH NV.
Door de afdeling Risk Management Team van de douane is op of rond 2017 een onderzoek ingesteld bij belanghebbende. Uitkomst van dat onderzoek was dat volgens de controle-ambtenaar belanghebbende, namens WTH NV, in de periode van april 2014 tot en met 30 september 2016 voor een totaal van 103 containers, goederen met onjuiste aangiften en valse of vervalste facturen heeft ingevoerd.
Op grond van het ingestelde onderzoek is met dagtekening 13 juli 2017 zowel aan belanghebbende als aan WTH NV een UTB opgelegd met een bedrag aan verschuldigde invoerrechten van Afl. 216.508,65. Belanghebbende heeft zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat hij niet betrokken was bij en evenmin op de hoogte was van de door de Inspecteur veronderstelde fraude.
Belanghebbende heeft bezwaar en beroep aangetekend tegen de aan WTH NV gerichte UTB.
WTH NV heeft ermee ingestemd om de douaneschuld te betalen en heeft de douane om een betalingsregeling verzocht. Hiervoor is een termijn van vier maanden gegeven, met ingang van eind september 2017. Ter zitting is komen vast te staan dat WTH NV de aan haar gerichte UTB inmiddels volledig betaald heeft. Gelet daarop heeft de Inspecteur ter zitting toegezegd de aan belanghebbende gerichte UTB te vernietigen.
3. ONTVANKELIJKHEID
Belanghebbende heeft bezwaar en beroep aangetekend tegen de aan WTH NV
opgelegde UTB. Naar het oordeel van het Gerecht kan belanghebbende niet
rechtstreeks aangesproken worden voor betaling van de aan WTH NV opgelegde
UTB. De Inspecteur kan belanghebbende slechts aansprakelijk stellen voor die
douaneschuld door aan belanghebbende zelf een UTB op te leggen (hetgeen de
Inspecteur ook gedaan heeft). Daartegen kan belanghebbende bezwaar en beroep
instellen, maar dat heeft zij niet gedaan. Nu belanghebbende, als derde, geen
belang heeft bij de aan WTH NV opgelegde UTB, is reeds om die reden het beroep
niet- ontvankelijk. Daar komt bij dat WTH NV zich, zo leidt het Gerecht uit de feiten af,
blijkbaar neergelegd heeft bij de aan haar opgelegde UTB en deze inmiddels ook
geheel betaald heeft. In zoverre geldt temeer dat belanghebbende geen belang heeft
bij een rechtelijke beslissing. Tenslotte stelt het Gerecht vast dat de Inspecteur ter
zitting heeft toegezegd dat de aan belanghebbende opgelegde UTB vernietigd zal
worden. Gelet op dit alles kan het beroep voor belanghebbende niet of niet meer tot
een gunstiger resultaat leiden, zodat zij geen belang meer heeft bij haar beroep. Het
Gerecht zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Gelet op het voorgaande komt het Gerecht niet toe aan de vraag of belanghebbende aangemerkt dient te worden als “bijzondere gemachtigde”. Wel is het Gerecht in zijn algemeenheid van oordeel dat degene die als aangever optreedt, ook indien hij de goederen op eigen naam maar voor rekening van een derde invoert, in de regel als “bijzondere gemachtigde” in de zin van artikel 53, lid 4 van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer moet worden aangemerkt. Die persoon zal dan ook normaal gesproken, samen met de importeur, als schuldenaar van de invoerrechten kunnen worden aangemerkt (zie uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 29 juli 2016, ECLI:NL:OGEAA:2016:927).
4. DE BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep niet- ontvankelijk.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2018, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël - van der Biezen BSc.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17b Landsverordening beroep in belastingzaken).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening dan wel toezending naar de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17c Landsverordening beroep in belastingzaken).