ECLI:NL:OGEAA:2019:845

ECLI:NL:OGEAA:2019:845, Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 11-12-2019, AUA201903793

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 11-12-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AUA201903793
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (ex artikel 54 van de Lar) - bestuurlijke boete.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

2. Curado Trust Services N.V.

De Centrale Bank van Aruba (CBA),

Uitspraak van 11 december 2019

Lar nr. AUA201903793

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

1. Curado Trust N.V. ,

gevestigd in Aruba,

gevestigd in Curaçao,

VERZOEKSTERS,

gemachtigden: de advocaten mr. B. Coffie en mr. G.P. Roth,

gericht tegen:

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: de advocaat mr. A.A.D.A. Carlo.

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 22 oktober 2019 heeft verweerder aan verzoekster sub 1 een bestuurlijke boete van Afl. 225.000,- opgelegd wegens overtreding van diverse bepalingen van de Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismebestrijding en de Landsverordening toezicht trustkantoren. Daarbij heeft verweerder bepaald dat betaling binnen zes weken na dagtekening van deze beschikking dient te geschieden. Verweerder heeft deze termijn verlengd tot de datum van deze uitspraak.

Hiertegen hebben verzoeksters op 30 oktober 2019 bezwaar gemaakt.

Op 30 oktober 2019 hebben verzoeksters het Gerecht verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het Gerecht heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 november 2019, waar verzoeksters, vertegenwoordigd door de advocaat mr. L.D. Gomez, voornoemde mr. Roth en E. Logeman, bestuurder van verzoekster sub 1, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.

2. Het verzoek strekt tot schorsing van de beschikking van 22 oktober 2019 in die zin dat de betalingsverplichting wordt opgeschort totdat de boete in rechte vaststaat, dan wel zes weken na bekendmaking van de beslissing op het gemaakte bezwaar. Verzoeksters hebben aan het verzoek ten grondslag gelegd dat nog niet vaststaat of de boete, een punitieve sanctie, terecht is opgelegd, dat voldoen aan de betalingsverplichting tot onomkeerbare gevolgen kan leiden voor de bedrijfsvoering van verzoekster sub 2, aandeelhoudster van verzoekster sub 1, en dat verweerder geen zwaarwegend belang heeft bij het onmiddellijk voldoen aan betaling van de opgelegde boete. Verzoekster hebben in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 21 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9126.

3. Naar voorlopig oordeel is verzoekster sub 2 geen belanghebbende bij de beschikking van 22 oktober 2019, nu haar belang daarbij niet rechtstreeks is betrokken. Het door verzoekster sub 2 gestelde belang bij die beschikking is een van verzoekster sub 1 afgeleid belang, dat is ontleend aan een contractuele relatie tussen verzoeksters. Dat brengt met zich dat het bezwaar, voor zover gemaakt door verzoekster sub 2, naar voorlopig oordeel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Gelet hierop, bestaat geen grond tot het treffen van een voorlopige voorziening in zoverre.

4. Ten aanzien van verzoekster sub 1 overweegt het Gerecht als volgt. Uit de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam volgt niet dat een bestuursrechter hoe dan ook gehouden zou zijn om in zijn uitspraak een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de betalingsverplichting wordt opgeschort zolang de boete niet onherroepelijk is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3527). In dit geval brengt uitvoering van de beschikking van 22 oktober 2019 geen zodanig onevenredig nadeel voor verzoekster sub 1 met zich in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang, dat ter voorkoming van dat nadeel een voorlopige voorziening, zoals verzocht, dient te worden getroffen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat betaling van de boete door verzoekster sub 1, aan wie de boete is opgelegd, niet leidt tot een acute financiële noodsituatie, hetgeen in beginsel vereist is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Desgevraagd heeft verzoekster sub 1 te kennen gegeven dat zij haar bedrijfsactiviteiten reeds enige tijd geleden heeft gestaakt en dat zij over eigen vermogen beschikt, bestaande uit een rekening-courant vordering op verzoekster sub 2, die nog altijd als trustkantoor actief is. Dat, zoals verzoeksters stellen en door verweerder wordt betwist, betaling van de boete kan leiden tot onomkeerbare gevolgen voor de bedrijfsvoering van verzoekster sub 2, brengt dan ook niet met zich dat betaling van de boete tot een financiële noodsituatie voor verzoekster sub 1 leidt. Daar komt nog bij dat verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven dat verzoekster sub 1 een betalingsregeling kon treffen dan wel een bankgarantie kon stellen. Anderzijds heeft verweerder ter zitting te kennen gegeven belang te hebben bij onmiddellijke uitvoering van de beschikking van 22 oktober 2019, bestaande uit een effectieve handhaving van de toezichtwetgeving ter voorkoming van verzwakking van de integriteit en de stabiliteit van de onder toezicht staande instellingen en schending van het vertrouwen in het Arubaanse financieel stelsel. Gelet hierop, bestaat ook in zoverre geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5. Het verzoek zal worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2019 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.E.B. de Haseth

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?