Vonnis van 6 mei 2020 (bij vervroeging)
Behorend bij B.B. nr. AUA201902969
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[EISERES],
wonende in Aruba,
eiseres,
hierna ook te noemen: [Eiseres],
gemachtigde: de advocaat mr. C.J. Hart,
tegen:
[GEDAAGDE],
wonende in Aruba te [adres],
gedaagde,
hierna ook te noemen: [Gedaagde],
procederende in persoon.
1. DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure tot 6 november 2019 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. De bij dat vonnis gelaste comparitie van partijen na antwoord heeft plaatsgevonden op 2 december 2019. Partijen zijn ter zitting verschenen. Zij hebben het woord gevoerd en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.
Vonnis is nader bepaald op heden.
2. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Eiseres] vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde]:
-beveelt om aan [eiseres] te betalen Afl. 2.175,-- aan schadevergoeding voor gederfde huur, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 24 juli 2019 en met
Afl. 375,-- aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;
-veroordeelt in de proceskosten.
Gedaagde] voert verweer dat strekt tot betaling van één maand huur ad Afl. 900,-- onder verrekening van de door hem betaalde borgsom ad Afl. 500,-- tot een bedrag van (500,-- minus 202,30 =) Afl. 297,70, en tot afwijzing van al hetgeen [eiseres] verder heeft gevorderd.
Voor zover van belang voor de uitkomst van deze procedure worden de stellingen van partijen hierna besproken.
3. DE BEOORDELING
Vast staat tussen partijen in elk geval het volgende. Krachtens een daartoe tussen partijen gesloten schriftelijke huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) heeft [gedaagde] tegen betaling van een maandelijkse huur ad Afl. 900,-- een aan [eiseres] toebehorende appartement gehuurd voor de periode vanaf 1 augustus 2018 tot en met 31 juli 2019, met mogelijkheid tot verlenging daarvan voor een periode van 1 jaar. Verder bepaalt de huurovereenkomst dat voor de beëindiging daarvan een opzegtermijn van 2 maanden in aanmerking genomen moet worden. Bij aanvang van de huur heeft [gedaagde] Afl. 500,-- borg betaald aan [eiseres].
De Hoge Raad heeft bij arrest van 21 oktober 1988 gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:1988:AD0483 kort gezegd bepaald dat huurovereenkomsten voor bepaalde tijd zoals de onderhavige in beginsel - zo de mogelijkheid daartoe niet is overeengekomen - niet tussentijds kunnen worden opgezegd. Nu is gesteld noch gebleken dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst met voormelde in de huurovereenkomst neergelegde opzegbepaling hebben bedoeld af te spreken dat ook tussentijdse opzegging mogelijk is, moet op grond van voormelde rechtspraak van de Hoge Raad worden geoordeeld dat tussentijdse opzegging van de tussen partijen overeengekomen huur niet mogelijk is.
Niet in geschil is tussen partijen dat [gedaagde] de huur op 3 maart 2019 heeft opgezegd tegen 1 april 2019, terwijl de huurovereenkomst liep tot 1 augustus 2019. Sprake is dus van een ongeoorloofde tussentijdse opzegging, die met zich brengt dat [gedaagde] schadeplichtig is jegens [eiseres] ter zake van de door haar over april tot en met juli 2019 gederfde huur ad Afl. 900,-- per maand, ofwel (4 x 900,-- =) Afl. 3.600,--. Om voor haar moverende redenen heeft [eiseres] haar vordering tot schadevergoeding echter uit coulance beperkt tot een bedrag van Afl. 2.175,--.
In het licht van die door [eiseres] naar [gedaagde] toe getoonde coulance is het naar het oordeel van het Gerecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde] zich beroept op verrekening van Afl. 297,20 aan borgsom op grond van de stelling dat hij anders dan Afl. 202,30 aan voor zijn rekening komende kosten voor water- en stroomverbruik dat deel van de borg niet verschuldigd is aan [eiseres] omdat hij het gehuurde naar behoren heeft achtergelaten. Het beroep op verrekening van [gedaagde] wordt daarom verworpen.
De slotsom luidt dat het in hoofdsom door [eiseres] gevorderde bedrag zal worden toegewezen. Zo ook de over dat bedrag gevorderde wettelijke rente gerekend vanaf 24 juli 2019, nu [gedaagde] die nevenvordering van [eiseres] niet heeft bestreden.
De nevenvordering ter zake van vergoeding van kosten van verkrijging van voldoening zal worden afgewezen, nu is gesteld noch gebleken dat [eiseres] te dezen werkzaamheden heeft verricht anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor artikel 63a Rv een voorziening geeft.
Gedaagde] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiseres], tot aan deze uitspraak begroot op (50,-- + 185,10 =) Afl. 235,10 aan verschotten (oproepkosten en kosten van betekening van het tussenvonnis aan [gedaagde]) en Afl. 500,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten, tarief 2).
4. DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
-veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen Afl. 2.175,-- ten titel van schadevergoeding voor gederfde huur, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 24 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
-veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiseres], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 735,10;
-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
-wijst af het meer of anders verzochte.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 6 mei 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.