Uitspraak van 25 oktober 2024
BBZ nr. AUA202400927
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], wonende te Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Aruba,
de Inspecteur.
1. PROCESVERLOOP
Aan belanghebbende is op 31 oktober 2019 een definitieve aanslag premie AOV/AWW voor het jaar 2015 opgelegd naar een premie-inkomen van Afl. 76.500 resulterende in een te betalen premie AOV/AWW (na verrekening) van NAf 3.244.
Belanghebbende is op 3 december 2019 in bezwaar gekomen tegen bovengenoemde aanslag.
De Inspecteur heeft op 8 februari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan en de aanslag gehandhaafd.
Op 25 maart 2024 is belanghebbende in beroep gekomen. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.
De Inspecteur heeft op 7 mei 2024 een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2024 te Oranjestad. Belanghebbende is verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen [A].
2. FEITEN
Belanghebbende heeft de aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2015 ingediend.
In 2015 is belanghebbende het hele jaar werkzaam geweest bij [X]. Uit de verzamelloonstaat [X] over 2015 blijkt dat aan AOV/AWW werknemersbijdrage in 2015 het bedrag van Afl. 3.013 van belanghebbende is ingehouden.
3. GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN
In geschil is of de definitieve aanslag premie AOV/AWW voor het jaar 2015 terecht is opgelegd.
Belanghebbende stelt dat de definitieve aanslag premie AOV/AWW voor het jaar 2015 onterecht is opgelegd en verminderd dient te worden. Subsidiair stelt belanghebbende dat de aanslag premie AOV/AWW 2015 verjaard is.
De Inspecteur stelt dat de definitieve aanslag premie AOV/AWW voor het jaar 2015 terecht, conform de ingediende aangifte inkomstenbelasting, over het jaar 2015 is opgelegd en gehandhaafd dient te worden. De aanslag premie AOV/AWW is volgens de Inspecteur nog niet verjaard.
4. BEOORDELING VAN HET BEROEP
In artikel 5 van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (hierna LAOV) en artikel 6 van de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (LAWW) is bepaald dat verzekerd is voor de AOV en de AWW de ingezetene die de leeftijd van 15 jaar, doch niet de pensioengerechtigde leeftijd, heeft bereikt.
De middelen tot dekking van de uit te keren pensioenen en uitkeringen worden gevonden door het heffen van premies van de verzekerden. De premies worden geheven naar de maatstaf van het door de verzekerde in een kalenderjaar genoten premie-inkomen en vastgesteld in een percentage van dat premie- inkomen (artikel 26 LAOV en artikel 29 LAWW).Onder premie-inkomen wordt verstaan het onzuiver inkomen in de zin van de Landsverordening Inkomstenbelasting, verminderd met de uitgekeerde pensioenen en gedane uitkeringen.
Het premiepercentage voor de AOV voor het jaar 2015 bedraagt 14,5% waarvan 10% voor de werkgever en 4,5% voor de werknemer (artikel 27 LAOV) en het premiepercentage voor de AWW bedraagt 1% waarvan 0,5% voor de werkgever en 0,5% voor de werknemer (artikel 30 LAWW), oftewel in totaal een tarief van 15,5% bestaande uit 10,5% werkgeversgedeelte en 5% werknemersgedeelte.
Hoogte van de aanslag
Het onzuiver inkomen van belanghebbende over 2015 bedraagt Afl. 76.500. Het premie-inkomen is daar gelijk aan. De verschuldigde premies AOV/AWW bedragen Afl. 11.857. Het werknemersdeel van de premies bedraagt Afl. 3.825. Nu reeds een bedrag van Afl. 3.013 van het werknemersdeel is ingehouden, is belanghebbende nog een bedrag van Afl. 812 aan premies verschuldigd. De eventueel door de werkgever tot een te laag bedrag betaalde premies kunnen niet op de werknemer/belanghebbende worden verhaald, zoals de Inspecteur heeft gedaan. In een dergelijk geval dient de Inspecteur na te heffen bij de werkgever. Zie ook GEA Curaçao van 7 oktober 2020, ECLI:NL:OGEAC:2020:232.
Verjaring
Met betrekking tot de vraag over de verjaring is de belastingrechter niet bevoegd te oordelen. Deze vraag dient voorgelegd te worden aan de civiele rechter (vgl. GEA Aruba van 5 november 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:732).
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor het vergoeden van de proceskosten. Wel dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4 LBB het betaalde griffierecht van Afl. 25 aan belanghebbende te vergoeden.
6. DE BESLISSING
Het Gerecht:
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en is uitgesproken op 25 oktober 2024, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Afl. 75
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300