GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
Uitspraak van 20 november 2024
Lar nr. AUA202401611
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Appellant],
en negen anderen,
allen wonend in Aruba,
APPELLANTEN,
gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN, INNOVATIE, OVERHEIDSORGANISATIE, INFRASTRUCTUUR EN RUIMTELIJKE ORDENING,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).
PROCESVERLOOP
Op 15 mei 2023 hebben appellanten verweerder verzocht om informatie en hoor en wederhoor inzake een op te richten rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) te [plaats 1/2].
Tegen het uitblijven van een beslissing op dit verzoek, hebben appellanten op 27 september 2023 bezwaar gemaakt.
Bij beschikking van 8 april 2024 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Hiertegen hebben appellanten op 17 mei 2024 beroep ingesteld. Zij hebben aanvullende beroepsgronden ingediend op 2 juli 2024.
Verweerder heeft op 19 augustus 2024 de gedingstukken en een verweerschrift ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld op de zitting van 9 oktober 2024. De gemachtigde van appellanten is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
Waarover gaat deze zaak?
Appellanten zijn bewoners van de [plaats 1]. Naar aanleiding van verschillende berichten dat er een RWZI gebouwd gaat worden in hun omgeving, hebben zij verweerder verzocht om op de hoogte gehouden te worden van het proces tot en rond de totstandkoming en afgifte van een bouwvergunning voor het plaatsen van deze RWZI en het proces over de toegangswegen die daarvoor gebruikt zullen worden. Appellanten willen vooraf gehoord worden over door verweerder in dit kader af te geven bouwvergunningen.
Verweerder heeft zich in de beschikking op bezwaar van 9 april 2024 op het standpunt gesteld dat het verzoek van appellanten niet is gericht op het verkrijgen van een beschikking, zoals bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). Het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek is dus niet gericht tegen een beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Lar. Er is geen sprake van een publiekrechtelijke handeling en daarom heeft verweerder het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee zijn appellanten het niet eens.
Welke vraag ligt hier voor?
2. Ter beantwoording ligt voor de vraag of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het verzoek van appellanten niet is gericht op het verkrijgen van een beschikking en de fictieve weigering dus ook geen beschikking is waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
Het wettelijk kader
Op grond van artikel, 2, eerste lid van de Lar, wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder beschikking verstaan: een op enig rechtsgevolg gericht schriftelijk besluit van een bestuursorgaan.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Lar, kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.
Het tweede lid van artikel 9 van de Lar bepaalt dat het uitblijven van een beschikking binnen de bij of krachtens landsverordening gestelde termijn, of, bij gebreke van een zodanige termijn, het uitblijven van een beschikking binnen twaalf weken nadat
daartoe door de belanghebbende een verzoek is ingediend, gelijkgesteld wordt met een afwijzende beschikking.
De beoordeling
Het algemene uitgangspunt is dat het verstrekken van informatie (of het niet verstrekken daarvan) een feitelijke handeling is, die niet is gericht op rechtsgevolg. Daardoor ontstaat namelijk niet een nieuwe juridische situatie. Dat is anders als er een (principe) recht bestaat op informatieverstrekking, zoals bijvoorbeeld op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (Lob). Dit standpunt vindt steun in de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraken van 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:98, en van 26 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3079.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat het verzoek van appellanten geen betrekking heeft op het verkrijgen van informatie op grond van de Lob. Het gaat dus enkel om een ‘gewoon’ verzoek om informatie waarop verweerder niet heeft beslist. Verweerder heeft het bezwaar van appellanten tegen het uitblijven van een beschikking in dit geval dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek om informatie te ontvangen geen aanvraag is die gericht is op het verkrijgen van een beschikking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Lar die is gericht op rechtsgevolg.
5. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het beroep van appellanten ongegrond is. Er is geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellanten.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. M.E.C. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 november 2024, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.
U wordt verzocht bij het indienen van het hoger beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het hoger beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het hoger beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de dag van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.