Parketnummer : P-2025/00648
Zaaknummer : 341 van 2025
Uitspraak : 21 november 2025
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats] te [adres 1],
thans verblijvende in [detentieplaats] in Aruba.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 oktober 2025.
Het Gerecht heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. G. Visser, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E. Kuster, advocaat in Aruba, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
1. [Adres 2]
dat hij op of omstreeks 15 maart 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning of op een bij een woning behorend besloten erf, te weten [adres 2] (in gebruik bij [slachtoffer 1]), terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk en wederrechtelijk in die woning/op dat erf, in gebruik bij de hierboven genoemde toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig was, vertoefde(n), onder meer heeft/hebben weggenomen
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierboven genoemde persoon/aangever, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of (een) valse sleutel(s);
(artikel 2:290 jo 2:289 jo artikel 2:288 van het Wetboek van Strafrecht)
althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht (kunnen) volgen
dat hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 maart 2025 tot en met 25 maart 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk onder meer
heeft verworden en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij/zij ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van voornoemd(e) goed(eren) wist(en) of begre(e)pe(n), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
(artikel 2:397 jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)
2. [Adres 3]
dat hij op of omstreeks 12 maart 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen te [adres 3], een (of meer) goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elke geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning of op een bij die woning behorend besloten erf te verschaffen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, opzettelijk daartoe een deur heeft vernield en hierdoor is/zijn binnengedrongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(artikel 2:289 jo artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht)
3. Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Inleiding
Naar aanleiding van een reeks woninginbraken vanaf januari 2025 in vakantiewoningen waar toeristen verbleven, werd een onderzoek onder de naam “Repeat” gestart, waarbij bob-middelen zijn ingezet.
Op 13 maart 2025 deed [slachtoffer 2] aangifte van een inbraak in zijn woning te [adres 3], gepleegd op 12 maart 2025 tussen 16:00u en 22:30u, waarbij er niks was weggenomen. Deze aangever heeft in zijn nadere verklaring te kennen gegeven, dat hij de videobeelden van de bewuste avond van de overburen had bekeken en dat hij de persoon die uit een witte Hyundai I10, de auto van zijn neef [verdachte] (de verdachte), stapte en over zijn erfmuur klom, herkende als de zoon van die neef.
Op 15 maart 2025 rond 19:09u werd een gesprek onderschept dat gevoerd werd tussen het afgetapte aansluitnummer [telefoonnummer 1], in gebruik bij verdachte en het nummer [telefoonnummer 2], in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1]. In dat gesprek vroeg de verdachte aan de medeverdachte of hij klaar was omdat ze onderweg naar hem waren. Het opsporingsteam herkende de stem van de voor hen bekende [medeverdachte 2] op de achtergrond, die aan de verdachte instructies gaf om een lange broek, lange mouwen en gezichtsbedekking te dragen. Op diezelfde dag rond 23:20u deed een toerist ([slachtoffer 1]) aangifte van diefstal uit zijn vakantiewoning te [adres 2].
Op 25 maart 2025 werd in de woning van de verdachte, waar ook de medeverdachte [medeverdachte 2] verbleef, een doorzoeking gehouden waarbij verschillende goederen werden aangetroffen, die later door de aangever [slachtoffer 1] zijn herkend als zijn eigendom.
Op 2 april 2025 werd in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] een doorzoeking gehouden. In zijn slaapkamer werd een doorzichtig etui, met daarin kredietkaarten ten name van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1], en cadeaukaarten, aangetroffen. Ook deze goederen werden door voornoemde aangever herkend als zijn eigendom.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, en heeft daartoe gewezen op een tapgesprek tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1], het proces-verbaal doorzoeking in de woning van de verdachte en de bekennende verklaring van de verdachte. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de stukken in het dossier verdachte niet als medepleger van de poging woninginbraak kan worden aangemerkt. Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich aan het oordeel van het Gerecht gerefereerd.
Het oordeel van het Gerecht
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2
Het Gerecht is -anders dan de verdediging en de officier van justitie- van oordeel dat verdachte wel degelijk als medepleger van het onder feit 2 ten laste gelegde dient te worden aangemerkt en overweegt daartoe als volgt.
Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd.
Het Gerecht is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en degene die feitelijk in de woning te [adres 3] heeft ingebroken, nu de aangever zowel de auto van de verdachte aldaar als de vermoedelijke dader -zijn eigen familielid- heeft herkend, en de verdachte ter zitting heeft verklaard, dat hij die avond daarheen is gereden omdat degene die in zijn auto zat, in de woning van zijn oom wilde inbreken.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:
1. [Adres 2]
dat hij op of omstreeks 15 maart 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning of op een bij een woning behorend besloten erf, te weten [adres 2] (in gebruik bij [slachtoffer 1]), terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk en wederrechtelijk in die woning/op dat erf, in gebruik bij de hierboven genoemde toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig was, vertoefde(n), onder meer heeft/hebben weggenomen
een rugtas (van het merk Eagle Brook),
een vrouwentas (van het merk Botkier),
een portemonnee (inhoudende een geldbedrag van US$ 1200,=),
een etui inhoudende muntjes van de Verenigde Staten van Amerika,
een (of meer) creditcard(s),
een Apple computer, een Apple Ipad, een JBL Charge 5 speaker, Beats headphones, een Air Pods,
een (of meer) oplader(s),
een (of meer) bril(len),
een (of meer) autosleutel(s) (van het merk Chevy en Mazda) en/of
een bijbel,
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierboven genoemde persoon/aangever, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of (een) valse sleutel(s);.
2. [Adres 3]
dat hij op of omstreeks 12 maart 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen te [adres 3], een (of meer) goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elke geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning of en op een bij die woning behorend besloten erf te verschaffen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, opzettelijk daartoe een deur heeft vernield en hierdoor is/zijn binnengedrongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hiernavolgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Hieronder wordt ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde een opgave gedaan van die bewijsmiddelen. Met deze opgave wordt volstaan, omdat de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en geen vrijspraakverweer is gevoerd.
Feit 1 primair ([adres 2]):
1. De bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 31 oktober 2025;
2. Een proces-verbaal van aangifte van 18 maart 2025 van [slachtoffer 1], bijlage 3.7;
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2025 (bijlage 5.5), met bijlagen, voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant met betrekking tot tapgesprek [medeverdachte 2], NN-[verdachte] en NN-man van 15 maart 2025;
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 25 maart 2025, bijlage 5.10, met bijlagen, voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant met betrekking tot de doorzoeking [adres 1];
5. Een proces-verbaal van bevindingen van 25 maart 2025, bijlage 5.12, met bijlagen, inhoudende het relaas van de verbalisant met betrekking tot de herkenning van goederen;
6. Een proces-verbaal van bevindingen van 2 april 2025, bijlage 5.17, met bijlagen, inhoudende het relaas van de verbalisant met betrekking tot de doorzoeking B. [adres 4];
7. Een proces-verbaal van bevindingen van 2 april 2025, bijlage 5.18, met bijlagen, inhoudende het relaas van de verbalisant met betrekking tot de herkenning van goederen.
Feit 2 (adres 3]):
* De verklaring van de verdachte , afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 31 oktober 2025, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:
Ik was op 12 maart 2025 samen met een andere persoon naar de [adres 3] gegaan. Toen wij daar aankwamen deed ik de autolichten uit. Ik stond voor het huis van mijn oom. Ik zag dat de andere persoon over de muur van de tuin van mijn oom was geklommen. Ik ben langzaam doorgereden. Ik ben op de hoek van de straat op hem gaan wachten. Toen hij terugkwam gelopen zijn wij weggegaan. Toen hij in de auto stapte had hij geen spullen bij zich. Het klopt dat het bij een poging is gebleven.
* Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 maart 2025 (bijlage 3.6), voor zover inhoudende, als verklaring van aangever [slachtoffer 2] , -zakelijk weergegeven-:
Plaats delict: [adres 3]
Op 12 maart 2025, omstreeks 16:00 uur, verliet ik mijn huis en liet ik het intact en op slot achter. Rond 22:30 uur keerde ik terug, opende mijn voordeur en liep de woonkamer binnen. Vervolgens liep ik naar de keukendeur en zag dat deze enigszins beschadigd was. Met mijn sleutel opende ik de deur en zag dat de achterdeur, die naar het erf leidt, openstond. Daarnaast zag ik dat onbekenden de deurknop van de achterdeur hadden vernield om hun ingang te verschaffen. Onbekenden waren mijn huis binnengedrongen, maar voor zover ik kon zien was er niets weggenomen.
* Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 maart 2025 (bijlage 5.6), inhoudende het relaas van de verbalisant met betrekking tot nader verhoor van aangever [slachtoffer 2] -zakelijk weergegeven-:
Ik kan verder verklaren dat het huis gelegen aan de overkant van mijn woning is voorzien van beveiligingscamera’s die beelden opnemen. De buurman heeft een aantal videobeelden naar mij gestuurd. Toen ik de videobeelden ging bekijken zag ik onder andere een witte auto aan komen rijden. Ter hoogte van mijn woning stapte iemand uit bedoelde witte auto en was over de erfmuur van mijn woning naar binnen geklommen. Een aantal minuten hierna was bedoelde man terug naar buiten geklommen, stapte terug in bedoelde witte auto en reed vandaar weg. Ik herkende bedoelde witte auto in de beelden als zijnde de auto van mijn neef, genaamd [verdachte]. De man die uit de auto van [verdachte] was gestapt en het erf van mijn woning had betreden, herkende ik als de zoon van [verdachte] genaamd [zoon van verdachte]. Aan de hand van bedoelde videobeelden weet ik dat [verdachte] en zijn zoon [zoon van verdachte] in mijn woning hadden ingebroken.
* Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2025 (bijlage 5.9), inhoudende het relaas van de verbalisant met betrekking tot onderzoek videobeelden:
Onderzoek videobeelden
12 maart 2025, omstreeks 21:30 uur
Tijdens het bekijken van de videobeelden zie ik linksboven in beeld een witte auto met zijn verlichting aan komen aanrijden. Kort hierna worden de lichten van de auto gedoofd en de auto komt langs de weg tot stilstand, enkele meters van de erfmuur van de woning van de aangever. Vervolgens gaat de rechter voorportier van de auto open en een persoon, geheel in het zwart gekleed, stapt uit. Op dat moment gaan de lichten van de auto weer aan en begint de auto langzaam op te trekken, terwijl de man in de richting van de erfmuur van de woning van aangever loopt. Ter hoogte van de erf muur komt de witte auto op de weg tot stilstand. De man loopt terug naar de auto en stapt weer in. De auto rijdt weg en verdwijnt uit beeld.
12 maart 2025, omstreeks 21:34 uur
Tijdens het bekijken van de videobeelden zie ik linksboven in het beeld de eerder genoemde witte auto zonder verlichting opnieuw aan komen rijden. De auto komt wederom langs de weg tot stilstand, enkele meters voor de erf muur van de woning van aangever. Vervolgens stapt de man, geheel in het zwart gekleed, via het rechter voorportier uit. Op dat moment gaat de verlichting van de auto weer aan en begint de auto langzaam op te trekken, terwijl de man in de richting van de erfmuur van de woning van aangever loopt. Bij de erfmuur aangekomen klimt hij eroverheen en betreedt het erf van de woning. Ondertussen rijdt de witte auto verder en verdwijnt uit beeld, terwijl de man verder het erf oploopt.
12 maart 2025, omstreeks 21:42 uur
Tijdens het bekijken van de videobeelden zie ik de man, geheel in zwart gekleed, over de erfmuur van de woning van aangever naar buiten klimmen. Eenmaal buiten loopt hij weg en verdwijnt uit beeld. Hij draagt een lange zwarte broek en een zwarte jas met capuchon. Hij draagt een pet, heeft een lichte huidskleur, een slank postuur en een lange gestalte.
5. De kwalificatie en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
Feit 1 primair:
diefstal in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, terwijl het misdrijf wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en gepleegd ten opzichte van een toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is;
strafbaar gesteld bij artikel 2:290 in samenhang met artikelen 2:289 en 2:288 van het Wetboek van Strafrecht.
Feit 2:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking en inklimming, terwijl het misdrijf wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
strafbaar gesteld bij artikel 2:289 in samenhang met artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
7. Oplegging van straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit voor het onder feit 2 tenlastegelegde en subsidiair strafmaatverweer gevoerd ten aanzien van beide feiten en verzocht aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan zijn voorarrest, gelet op zijn proceshouding en zijn persoonlijke omstandigheden, met name dat hij hulp voor zijn verslavingsproblematiek heeft verzocht en gekregen en dat het nu goed gaat.
Het oordeel van het Gerecht
Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De inmiddels [leeftijd]-jarige verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een inbraak in de woning waarin een toerist op dat moment voor vakantie verbleef. Verdachte heeft zich daarnaast ook samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging woninginbraak in de woning van zijn eigen oom.
Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen materiële schade en financiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners wetende dat onbevoegden in hun verblijf zijn geweest en hun persoonlijke bezittingen hebben doorzocht. Bovendien betekenen dergelijke diefstallen voor de gedupeerde toeristen vaak ook een onverwachte en directe doorkruising van hun reisplannen en brengen daardoor veel bijkomend nadeel toe. Verdachte heeft door zijn handelen het imago van Aruba als relatief veilige toeristische bestemming schade berokkend. Daarnaast kan de inbraak in een vakantieverblijf van een toerist op termijn ook de economie en welvaart van het Land ondermijnen.
Het Gerecht neemt de verdachte dit zeer kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden
In zijn voordeel zal het Gerecht bij het bepalen van de straf rekening houden met het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten, zoals blijkt uit het hem betreffende uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 16 juni 2025. Verder houdt het Gerecht rekening met de omstandigheid dat verdachte thans behandeling ontvangt voor zijn verslavingsproblematiek.
De op te leggen straf
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het Gerecht ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om als stok achter de deur een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De verdediging heeft verzocht om een straf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding omdat dit geen recht doet aan de ernst van de feiten.
Conclusie
Het Gerecht is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat na te noemen deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Nu het Gerecht ook feit 2 bewezen heeft verklaard komt het uit op een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist.
8. Het beslag
Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld in de bijlage 8 opgenomen lijst van inbeslaggenomen goederen.
Het Gerecht is van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoon en polshorloge. Daarom zal daarvan de teruggave worden gelast aan de verdachte.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:62, 1:67, 1:68, 1:117 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.
DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 14 (veertien) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze straf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 (twee) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de mobiele telefoon en een zwart polshorloge van het merk G-Shock.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. N.K. Engelbrecht, bijgestaan door J. Spanner, (zittingsgriffier), en op 21 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.