ECLI:NL:OGEAA:2025:357

ECLI:NL:OGEAA:2025:357, Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 21-11-2025, P-2025/00700

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 21-11-2025
Datum publicatie 04-12-2025
Zaaknummer P-2025/00700
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Medeplegen inbraak in woning in gebruik bij toeristen in Aruba. Gestolen goederen in woning verdachten aangetroffen. Tapgesprek met instructies. Verklaring verdachte volstrekt ongeloofwaardig. Gevangenisstraf 8 maanden, met aftrek.

Uitspraak

Parketnummer : P-2025/00700

Zaaknummer : 342 van 2025

Uitspraak : 21 november 2025

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats,

wonende in [woonplaats] te [adres 1],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba.

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 oktober 2025.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. G. Visser, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.L. Emerencia, advocaat in Aruba, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

[Adres 2]

dat hij op of omstreeks 15 maart 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning of op een bij een woning behorend besloten erf, te weten [adres 2] (in gebruik bij [slachtoffer 1]), terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk en wederrechtelijk in die woning/op dat erf, in gebruik bij de hierboven genoemde toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig was, vertoefde(n), onder meer heeft/hebben weggenomen

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierboven genoemde persoon/aangever, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of (een) valse sleutel(s);

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht (kunnen) volgen

dat hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 maart 2025 tot en met 2 april 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk onder meer:

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij/zij ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van genoemd€ goed(eren) wist(en) of begre(e)p(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3. Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Inleiding

Naar aanleiding van een reeks woninginbraken vanaf januari 2025 in vakantiewoningen waar toeristen verbleven, werd een onderzoek onder de naam “Repeat” gestart, waarbij bob-middelen zijn ingezet.

Op 15 maart 2025 rond 19:09u werd een gesprek onderschept dat gevoerd werd tussen het afgetapte aansluitnummer [telefoonnummer 1], in gebruik bij ene [medeverdachte 1] en het nummer [telefoonnummer 2], in gebruik bij verdachte. In dat gesprek vroeg [medeverdachte 1] aan de verdachte of hij klaar was omdat ze onderweg naar hem waren. Het opsporingsteam herkende de stem van de voor hen bekende [medeverdachte 2] op de achtergrond, die aan de verdachte instructies gaf om een lange broek, lange mouwen en gezichtsbedekking te dragen. Op diezelfde dag rond 23:20u deed een toerist ([slachtoffer 1]) aangifte van diefstal uit zijn vakantiewoning te [adres 2].

Op 25 maart 2025 werd in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1], waar ook de medeverdachte [medeverdachte 2] verbleef, een doorzoeking gehouden waarbij verschillende goederen werden aangetroffen, die later door de aangever zijn herkend als zijn eigendom.

Op 2 april 2025 werd in de woning van de verdachte een doorzoeking gehouden. In zijn slaapkamer werd een doorzichtig etui, met daarin kredietkaarten ten name van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], en cadeaukaarten, aangetroffen. Ook deze goederen werden door de aangever herkend als zijn eigendom.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, en heeft daartoe gewezen op een tapgesprek tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1], de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] en het proces-verbaal doorzoeking in de woning van de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de stukken in het dossier verdachte niet als medepleger van de woninginbraak kan worden aangemerkt. Niet is gebleken dat het tapgesprek van 15 maart 2025 over het plegen van een inbraak gaat. Daarnaast blijkt uit het dossier dat er dagelijks contact is tussen de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en niet met verdachte. Alleen de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft belastend over verdachte verklaard, maar nu verdachte enige betrokkenheid ontkent is dat onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Het oordeel van het Gerecht

Bewijsoverweging

Het Gerecht is -anders dan de verdediging- van oordeel dat verdachte als medepleger van het ten laste gelegde feit dient te worden aangemerkt en overweegt daartoe als volgt.

Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd.

Het Gerecht is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, die bestaat uit een gezamenlijke uitvoering die gericht was op het wegnemen van goederen uit de vakantiewoning te [adres 2]. Uit het tapgesprek en zijn eigen verklaring ter zitting volgt dat de medeverdachten de verdachte zijn gaan halen en dat hij instructies kreeg over de kleding die hij aan moest trekken, uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] uit de auto is gestapt en dat zij even later terugkwamen met schoudertassen, en uit de processen-verbaal van doorzoeking volgt dat zowel bij de medeverdachten thuis als bij de verdachte thuis gestolen goederen zijn aangetroffen, die later door de aangever zijn herkend. De ter zitting afgelegde verklaring van verdachte dat hij inderdaad is opgehaald door de medeverdachten maar onderweg naar [locatie 1], ter hoogte van [locatie 2], uit de auto is gestapt acht het Gerecht volstrekt ongeloofwaardig. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande:

Primair ([adres 2])

dat hij op of omstreeks 15 maart 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning of op een bij een woning behorend besloten erf, te weten [adres 2] (in gebruik bij [slachtoffer 1]), terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk en wederrechtelijk in die woning/op dat erf, in gebruik bij de hierboven genoemde toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig was, vertoefde(n), onder meer heeft/hebben weggenomen

een rugtas (van het merk Eagle Brook),

een vrouwentas (van het merk Botkier),

een portemonnee (inhoudende een geldbedrag van US$ 1200,=),

een etui inhoudende muntjes van de Verenigde Staten van Amerika,

een (of meer) creditcard(s),

een Apple computer, een Apple Ipad, een JBL Charge 5 speaker, Beats headphones, een Air Pods,

een (of meer) oplader(s),

een (of meer) bril(len),

een (of meer) autosleutel(s) (van het merk Chevy en Mazda) en/of

een bijbel,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierboven genoemde persoon/aangever, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of (een) valse sleutel(s);.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hiernavolgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

* De verklaring van de verdachte afgelegd tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 31 oktober 2025, -zakelijk weergegeven-:

Op 15 maart 2025 heeft [medeverdachte 1] (het Gerecht begrijpt dat de verdachte hiermee de medeverdachte [medeverdachte 1] bedoelt) mij gebeld en gezegd dat hij mij kwam ophalen. Zij zaten beiden in de auto (verdachte wijst naar de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naast hem in de zittingszaal) toen ik in [locatie 3] werd opgehaald.

* Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 april 2025 (bijlage 2.4.5), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] , -zakelijk weergegeven-:

Bijzonder tapgesprek

Op maandag 15 maart 2025, omstreeks 19:09:50 uur werd een tapgesprek onderschept (productId [productienummer]) tussen het aansluitnummer [telefoonnummer 1] ([medeverdachte 1]) en het aansluitnummer [telefoonnummer 2] (NN-man).

[Medeverdachte 1]: Hey bo ta cla ?

NN-man: Si mi ta cla?

[Medeverdachte 1]: Seh

NN-man: Band’e cas mi ta

[Medeverdachte 1]: Awel para cla pa nos jega busca bo bai dibiaha. Esaki ta e ora di biaha nada kwenti pasa ningún kaminda. Awoki nos tan a cos viniendo ariba.

NN-man: bon bon bon

Opmerking: in de achtergrond hoor ik [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] het volgende zeggen:

“Karson largo, manga largo, koi tapa”

[Medeverdachte 1]: Karson largo, manga largo bo mes sa

NN-man: ehe pero warda mi no tin cos….jega jega jega

[Medeverdachte 1]: cuminsa prepara di biaha ta awoki cos ta pasa awoki. Bon?

NN-man: bon bon no papia mucho

V: Van wie zijn de stemmen in het gesprek?

A: ik herken mijn stem, de stem van [medeverdachte 1] en de stem van de vriend van [medeverdachte 1], de man bijgenaamd [medeverdachte 3]. Ik moet verder verklaren dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op die bewuste avond bij mijn woning kwamen opdagen. [Medeverdachte 1] deelde mij mede dat zij een “job” hadden om te gaan doen.

* Een proces-verbaal van aangifte d.d. 18 maart 2025 (bijlage 3.7), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] , -zakelijk weergegeven-:

Ik wens aangifte van inbraak te doen, omdat er in mijn woning [adres 2] ingeklommen werd. Er werden verschillende persoonlijke goederen weggenomen:

- Red Eagle brook backpack

- Portemonnee inhoudende 1200 dollars in cash

- Creditcards

- Three key fobs. One Chevy and twee Mazda $ 1500

- Apple Computer

- Apple IPAD

- JLB Charge 5 Speaker

- Beats headphones

- Bible

- Air Pods

- Two Maui Jims Glasses

- Orange portable charger

- Three phone chargers

Ik heb mijn woning, te [adres 2], op 15 maart 20205 omstreeks 20:54 uur intact achter gelaten. Op diezelfde dag omstreeks 23:00 uur kwam ik terug thuis. Mijn vrouw merkte toen dat de kleding die in haar bagage waren op de vloer lagen en gerommeld. Verder merkte ik dat verschillende persoonlijke lijfgoederen zijn meegenomen door onbekenden die in mijn huis waren geklommen.

Ik vermoed dat de onbekenden gebruikt gemaakt hebben van een valse sleutel.

* Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2025 (bijlage 5.5), met bijlagen, voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisant met betrekking tot tapgesprek [medeverdachte 2], NN-[medeverdachte 1] en NN-man van 15 maart 2025, -zakelijk weergegeven-:

In verband met het lopende onderzoek genaamd Repeat, gericht op inbraken in vakantiehuizen, werden de aansluitnummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 1] afgetapt en afgeluisterd. Hierbij is gebleken dat de weggenomen Samsung voorzien van IMEI-nummer [IMEI-nummer] door de welbekende recidivist genaamd [medeverdachte 2] wordt gebruikt. Verder bleek dat [medeverdachte 2] het aansluitnummer [telefoonnummer 2] in de gestolen mobiele telefoon had geplaatst en dat het aansluitnummer [telefoonnummer 1] door een onbekende man genaamd [medeverdachte 1] wordt gebruikt. Ook bleek dat [medeverdachte 2] en NN-[medeverdachte 1] dagelijks contact met elkaar hadden.

Bijzonder tapgesprek [medeverdachte 1]

Op 15 maart 2025 omstreeks 19:09 uur werd een gesprek onderschept (productId [productienummer]) dat werd gevoerd met het afgetapte aansluitnummer [telefoonnummer 1] in gebruik bij NN-[medeverdachte 1] en het aansluitnummer [telefoonnummer 2] in gebruik bij NN-man. In het gesprek vroeg NN-[medeverdachte 1] aan NN-man of hij gereed was, aangezien zij onderweg naar hem toe waren. Hij moest gereed staat, want dit was het moment om de dingen te laten gebeuren. Tevens werd aangegeven dat hij een lange broek en lange mouwen met “die dingen” moest dragen. Tijdens dit gesprek was [medeverdachte 2] in de achtergrond te horen, waarbij hij NN-[medeverdachte 1] instructies gaf om de NN-man te adviseren lange mouwen, een lange broek en gezichtsbedekking mee te nemen.

* Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 maart 2025 (bijlage 2.3.6.), voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] , -zakelijk weergegeven-:

Mijn telefoonnummer is [telefoonnummer 1].

Bijzonder tapgesprek

Op maandag 15 maart 2025, omstreeks 19:09:50 uur werd een tapgesprek onderschept (productId [productienummer]) tussen het aansluitnummer [telefoonnummer 1] ([medeverdachte 1]) en het aansluitnummer [telefoonnummer 2] (NN-man).

V: van wie zijn de stemmen in het gesprek?

A: ik herken mijn stem, die van [medeverdachte 3] en een kennis van ons, genaamd [verdachte].

V: waarom zeg je ‘esaki ta e ora’?

A: [Medeverdachte 3] zei tegen mij om dat tegen [verdachte] te vertellen.

V: wat gingen jullie doen?

A: Op die bewuste dag hadden wij [verdachte] in de binnenstad van [locatie 3] opgehaald. Hierna reden wij in de richting van [locatie 1]. Ik bestuurde de auto, een witte Hyundai I10.

Op instructie van [medeverdachte 3] moest ik op een gegeven moment stoppen. We waren in de omgeving van [locatie 1]. [Medeverdachte 3] en [verdachte] stapten uit en [medeverdachte 3] zei tegen mij om iets verderop te parkeren en op hen te wachten. Ze waren helemaal in donkerkleurige kleding gekleed. Na een tijdje kwamen zij terug. Zij hadden verschillende artikelen bij zich, onder andere rugtassen. Hierna reden wij naar huis en vervolgens naar [locatie 3].

* Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2025 (bijlage 5.10), met bijlagen, voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisant met betrekking tot de doorzoeking [adres 3], -zakelijk weergegeven-;

Op 25 maart 2025 is het perceel [adres 3] binnengetreden. Zijnde de woning en/of verblijfplaats van de verdachte [medeverdachte 2]. Tijdens de doorzoeking weden verschillende gestolen artikelen aangetroffen en in beslag genomen. Een gedetailleerde lijst hiervan werd opgemaakt en is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

* Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2025 (bijlage 5.12), met bijlagen, voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisant met betrekking tot de herkenning van goederen, -zakelijk weergegeven-:

Doorzoeking [adres 3]

Op 25 maart 2025 werd een doorzoeking verricht in de woning gelegen aan [adres 3], zijnde de verblijfplaats van de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Tijdens deze doorzoeking werden verschillende goederen aangetroffen en in het belang van het onderzoek in beslag genomen.

Herkenning van goederen

Op 26 maart 2025 heb ik de in beslag genomen goederen getoond aan de aangever [slachtoffer 1]. De aangever [slachtoffer 1] herkende de volgende goederen als zijn eigendom. Deze waren op 15 maart 2025 ontvreemd uit hun vakantiehuis gelegen aan [adres 2], te weten:

- Een rood/zwart rugtas van het merk THE NORTH FACE (Eagle Brook)

- Een groene draagbare luidspreker van het merk JBL

- Een zwarte oplader met opschrift 45W

- Een doorzichtig etui inhoudende muntjes van Verenigde Staten van Amerika

- Electrische tandenborstel van het merk OralB

- Een roze brillendoos inhoudende een leesbril van het merk Kate Spade

- Een grijze Apple MacBook voorzien van het serienummer [serienummer 1]

- Een grijze Apple iPad in een zwarte rubberhoes voorzien van het serienummer [serienummer 2]

- Een zwarte vrouwentas van het merk BOTKIER.

* Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 april 2025 (bijlage 5.17), met bijlagen, voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisant met betrekking tot de doorzoeking B. [adres 1], -zakelijk weergegeven-:

Op 2 april 2025 is het perceel B [adres 1] binnengetreden. Zijnde de woning en/of verblijfplaats van de verdachte [verdachte].

Tijdens de doorzoeking werden er enkele artikelen zeer waarschijnlijk van diefstal afkomstig aangetroffen en in beslag genomen. Een gedetailleerde lijst hiervan werd opgemaakt en is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

* Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 april 2025 (bijlage 5.18), met bijlagen, voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisant met betrekking tot de herkenning van goederen, -zakelijk weergegeven-:

Herkenning van goederen

Op 2 april 2025 heb ik de bij de huiszoeking bij de woning van de verdachte [verdachte] in beslag genomen goederen getoond aan de aangever [slachtoffer 1].

De aangever [slachtoffer 1] herkende de volgende goederen als zijn eigendom. Deze waren op 15 maart 2025 door middel van braak ontvreemd uit hun vakantiehuis, gelegen aan [adres 2].

- Een doorzichtig etui met een grijze katoenen bal

- De kredietkaart met opschrift KOHL’S

- Drie krediet/cadeau kaarten met opschrift VISA

- Cadeau kaart met opschrift TARGET

- Chase Bank kredietkaart ten name van [slachtoffer 2]

- Care Bank kredietkaart ten name van [slachtoffer 2]

- Discover Bank kredietkaart ten name van [slachtoffer 1]

5. De kwalificatie en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Primair:

diefstal in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, terwijl het misdrijf wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en gepleegd ten opzichte van een toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is.

strafbaar gesteld bij artikel 2:290 in samenhang met artikelen 2:289 en 2:288 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

7. Oplegging van straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair strafmaatverweer gevoerd en verzocht aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan zijn voorarrest.

Het oordeel van het Gerecht

Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De destijds [leeftijd]-jarige verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een inbraak in de woning waarin een toerist op dat moment voor vakantie verbleef. Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen materiële schade en financiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners wetende dat vreemden in hun verblijf zijn geweest en hun persoonlijke bezittingen hebben doorzocht. Bovendien betekenen dergelijke diefstallen voor de gedupeerden vaak ook een onverwachte en directe doorkruising van hun reisplannen en brengen daardoor veel bijkomend nadeel toe. Verdachte heeft door zijn handelen het imago van Aruba als relatief veilige toeristische bestemming schade berokkend. Daarnaast kan de inbraak in een vakantieverblijf van een toerist op termijn ook de economie en welvaart van het Land ondermijnen. Het Gerecht neemt de verdachte dit zeer kwalijk.

Persoonlijke omstandigheden

In zijn voordeel zal het Gerecht bij het bepalen van de straf rekening houden met het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten, zoals blijkt uit het hem betreffende uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 16 juni 2025.

De op te leggen straf

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdediging heeft verzocht om een straf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding omdat dit geen recht doet aan de ernst van de feiten.

Conclusie

Het Gerecht is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, zoals door de officier van justitie geëist, passend en geboden is. Verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

8. Het beslag

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld in de bijlage 8 opgenomen lijst van inbeslaggenomen goederen.

De twee handschoenen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. De voorwerpen behoren immers toe aan de verdachte en betreft voorwerpen met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan. Het Gerecht zal daarom de verbeurdverklaring gelasten.

Het Gerecht is van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoon. Daarom zal daarvan de teruggave worden gelast aan de verdachte.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62, 1:67 en 1:68 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

DE BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 8 (acht) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven twee zwarte handschoenen;

gelast de teruggave aan de verdachte van de zwarte Samsung mobiele telefoon;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. N.K. Engelbrecht, bijgestaan door J. Spanner, (zittingsgriffier), en op 21 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?