ECLI:NL:OGEAA:2025:360

ECLI:NL:OGEAA:2025:360, Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 26-11-2025, AUA202400486 AR

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer AUA202400486 AR
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Civiel, aansprakelijkheid voor aanvaring, aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, aansprakelijkheid gebaseerd op artikel 8:544 BW in verband met artikel 6:170 of 6:171 BW, aansprakelijkheidsregels van artikel 8:540 tot en met 546 BW, handelen in strijd met de Haven- en redeverordening en de Zeeaanvaringsverordening die in lijn is met het Verdrag van Londen (1972), kelderluikcriteria.

Uitspraak

Vonnis van 26 november 2025

Behorend bij A.R. AUA202400486 AR

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

1. [Eiseres],

te [locatie],

2. [Eiser],

te [locatie],

3. HELVETIA ASSURANCES S.A.,

te Le Havre, Frankrijk,

eisers, hierna ook te noemen: [Eiseres[, [eiser] en Helvetia,

gemachtigden: mr. D.W. Ormel, mr. M. Franken

tegen:

1. PELICAN ADVENTURES N.V.,

te Aruba,

2. [Gedaagde],

te Bonaire,

gedaagden, hierna ook te noemen: Pelican en [gedaagde]

gemachtigden: mr. M.A. Kock, mr. K.K. Arends

1. DE PROCEDURE

Na het incidenteel vonnis van 11 december 2024 heeft het Gerecht kennisgenomen van:

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek.

Vandaag wordt uitspraak gedaan.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

Eiseres] en [eiser] zijn eigenaar van een zeilschip genaamd [catamaran 1] (hierna: de catamaran). [Eiseres] en [eiser] namen met de catamaran deel aan een world rally die van september 2021 tot april 2024 duurt.

Pelican is eigenaar van het zeeschip [zeeschip] (hierna: het zeeschip). [gedaagde] is haar vaste kapitein die in opdracht van Pelican werkt. Het zeeschip heeft als thuishaven Aruba en wordt ingezet voor snorkeltochten en zonsondergangsdinertrips. Het is een houten schip met een verhoogd voorschip en twee masten, voorzien van een motor. Het zeeschip heeft geen positioning aid equipment (zoals radar, AIS: Automatic Identification System, enz.).

Op 11 februari 2022 in de avond toen het al donker was heeft er vlak voor de kust en dus binnen de territoriale wateren een aanvaring plaatsgevonden. Het zeeschip voer tegen de catamaran aan die voor de kust van Aruba was geankerd. De weersomstandigheden waren goed. De kustwacht heeft over de aanvaring onder andere het volgende gerapporteerd: “Ze [[Eiseres], GEA] heeft niet bij de havenmeester van Aruba gemeld dat ze hier zou ankeren/overnachten. (…) Onderweg terug naar de ligplaats van het [zeeschip, GEA] had de kapitein [de catamaran, GEA] niet gezien en raakte hij de voorkant van het zeilvaartuig. Hij zei dat er normaal daar geen zeilvaartuigen te anker staan en dat hij daarom geen extra aandacht had besteed. Ook gaf hij toe dat het zijn schuld was. (…).”

Door de aanvaring is schade aan de catamaran ontstaan. Daarvan hebben experts voor zowel de catamaran als het zeeschip een gezamenlijke, en door hen geaccordeerd, Joint Survey Report opgesteld op 9 maart 2022. Daarin staat welke onderdelen van de catamaran moeten worden vervangen.

De catamaran is tegen (onder andere) schade verzekerd bij Helvetia. Zij heeft Euro 82.500,00 aan [eiseres] en [eiser] uitbetaald en op grond van subrogatie treedt zij als eiseres op.

3. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Na eiswijziging vorderen eisers dat het Gerecht, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de volgende beslissingen neemt:

voor recht te verklaren dat Pelican en [gedaagde] aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseres], [eiser] en Helvetia als gevolg van de aanvaring hebben geleden en nog zullen lijden,

Pelican en [gedaagde] hoofdelijk, zodanig dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot vergoeding van de schade die [eiseres], [eiser] en Helvetia als gevolg van de aanvaring hebben geleden en nog zullen lijden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

Pelican en [gedaagde] hoofdelijk, zodanig dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan Helvetia van Euro 82.500,00, althans een door het Gerecht in goede justitie te betalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2022, dan wel vanaf een door het Gerecht in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van algehele betaling,

Pelican en [gedaagde] hoofdelijk, zodanig dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan [eiseres] en [eiser] van Euro 84.008,94, althans een door het Gerecht in goede justitie te betalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2022, dan wel vanaf een door het Gerecht in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van algehele betaling,

Pelican en [gedaagde] hoofdelijk, zodanig dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente.

Gedaagden verzoeken het Gerecht de vorderingen van eisers af te wijzen, met veroordeling van eisers in de proceskosten.

Wat betreft de aansprakelijkheid van Pelican en [gedaagde] voeren eiseressen, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aan. Op 11 februari 2022 rond 15.00 uur arriveerde de catamaran in Aruba en is voor anker gaan liggen voor de kust van Aruba. Rond 21.30 uur is het zeeschip tegen de catamaran, waarvan de bemanning aan boord was, aangevaren. Rond 22.00 uur zijn [gedaagde], de kapitein van de [catamaran 2] (een andere catamaran die ook deelnam aan de world rally) en de kustwacht aan boord van de catamaran gegaan. Toen heeft [gedaagde] aansprakelijkheid voor de aanvaring erkend. De catamaran had op het moment van de aanvaring haar ankerlicht aan en het was weliswaar donker maar de zee- en weercondities waren stabiel met goede zichtbaarheid. Het zeeschip had al haar lichten aan de binnenzijde aan wat haar zicht naar buiten toe zal hebben verminderd. De boegvorm en het stuurwiel achterop het zeeschip kunnen van invloed zijn geweest op het zicht tijdens het varen. De aansprakelijkheid van Pelican wordt gebaseerd op artikel 8:544 BW in verband met artikel 6:170 of 6:171 BW. Die van [gedaagde] wordt gebaseerd op onrechtmatige daad omdat hij zijn verplichtingen op grond van goed zeemanschap ernstig heeft verzaakt door tegen de geankerde catamaran aan te varen.

Pelican en [gedaagde] verweren zich, kort en zakelijk weergegeven, als volgt. De catamaran had zich niet aangemeld bij de havenmeester. De catamaran heeft gehandeld in strijd met de Haven- en redeverordening en de Zeeaanvaringsverordening die in lijn is met het Verdrag van Londen (1972). Evenmin heeft de catamaran zich bij de autoriteiten gemeld voor de vereiste inklaringsprocedures terwijl dat wel verplicht is. De ankerplaats was aanbevolen door kennissen van [eiseres] en [eiser]. Als de catamaran contact zou hebben opgenomen met de autoriteiten dan zouden die naar verwachting een andere ankerlocatie hebben aangewezen, namelijk ter hoogte van [strand] waar veel pleziervaartuigen ankeren. De ankerplaats waar de aanvaring plaatsvond ligt namelijk op de route die het zeeschip sinds 2015 dagelijks gebruikt op weg naar haar thuishaven; [jachthaven]. [Gedaagde] en de eerste officier van het zeeschip hebben het gebied, toen zij naar de thuishaven voeren, met een zaklamp gecontroleerd en alleen maar een witte boei waargenomen en niet de catamaran. Zij verklaren ook dat de navigatielichten van de catamaran niet waren ingeschakeld. Het ankerlicht was evenmin aan. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden die op grond van de kelderluikcriteria voor risico van de catamaran komt omdat zij een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen.

4. DE BEOORDELING

Toepasselijk recht en bevoegde rechter

Partijen zijn het erover eens dat Arubaans recht van toepassing is en dat het Gerecht de bevoegde rechter is. Het Gerecht ziet geen aanleiding daar anders over te denken zodat het Gerecht dit geschil zal beoordelen aan de hand van Arubaans recht.

Schuld van het schip

In deze zaak geldt dat sprake is van schuld van het zeeschip in de zin van artikel 5:544 BW indien er een fout van een persoon is voor wie de eigenaar van het schip aansprakelijk is volgens artikelen 6:169-6:171 BW. Als het Gerecht kan vaststellen dat door [gedaagde] een fout is gemaakt met als gevolg de aanvaring dan leidt dit tot aansprakelijkheid van Pelican als eigenaar van het schip voor de schade. De stelplicht en zo nodig de bewijslast dat een dergelijke fout is gemaakt rust op eisers.

Wat de erkenning van de aansprakelijkheid betreft wordt overwogen dat artikelen 8:260– 262 BW een regeling geven over de bevoegdheid van de kapitein rechtshandelingen te verrichten. Daaruit blijkt dat de kapitein slechts beperkte bevoegdheden heeft om de scheepseigenaar te vertegenwoordigen. Erkenning van aansprakelijkheid valt daar niet onder; dat kan alleen de scheepseigenaar doen. Dat de kapitein tegen de kustwacht heeft gezegd dat de aanvaring zijn schuld is betekent dus niet zonder meer dat daarmee de schuld van het schip in de zin van artikel 5:544 BW vaststaat.

Het Gerecht overweegt het volgende. Het zeeschip kwam in de avond in aanvaring met de geankerde catamaran onder normale weersomstandigheden en goed zicht. Ondanks dat, naar eigen zeggen, [gedaagde] en zijn eerste officier met een zaklamp de zee voor hen afspeurden, hebben zij de catamaran niet waargenomen. Als het zeeschip zou zijn voorzien van positioning aid equipment zou de aanvaring zeer waarschijnlijk niet hebben plaatsgevonden omdat dan de catamaran veel eerder zou zijn opgemerkt. Daarmee hebben eisers voldoende gesteld om uit te kunnen gaan van de schuld van het schip en is het aan gedaagden om dat te weerleggen.

Het Gerecht ziet eerst aanleiding in te gaan in op de regelgeving die ziet op de veiligheid op zee maar waar partijen niet op ingaan. Artikel 3 lid b van het Landsbesluit veiligheidsvoorschriften kleine schepen luidt als volgt: “Het schip moet voorzien zijn van:

a. (…)

b. de nodige middelen ter voorkoming van aanvaring, waaronder deugdelijke navigatiemiddelen (…)

c. (…)”

Uit de website [website] (http://www.monfortecruise.com) blijkt dat het zeeschip 115 voet (35 meter) lang is. Dat is geen klein schip als bedoeld in dit Landsbesluit. Dat betekent dat op grond van Hoofdstuk V, Voorschrift 19 van het Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee (Londen 1972, hierna: het Verdrag,) onder andere radar en een AIS transponder verplicht is. Met dergelijke apparatuur is het zeeschip echter niet uitgerust zodat wordt geoordeeld dat het zeeschip in strijd met de regels onvoldoende was uitgerust voor de zeevaart. Dat geldt dus ook als de informatie uit de website niet klopt: in dat geval bepaalt voormeld Landsbesluit immers dat het zeeschip voorzien moet zijn van deugdelijke navigatiemiddelen.

Volgens gedaagden is het op grond van artikelen 3 en 33 lid 1 van de Haven- en redeverordening Aruba (HRV) verboden om zonder toestemming van de havenmeester te ankeren in het redegebied. Duidelijk is dat de catamaran geen toestemming heeft gevraagd aan de havenmeester. Partijen discussiëren erover of deze bepaling vooral ziet op het heffen van havengeld of ook op de veiligheid op zee maar daar hoeft het Gerecht niet op in te gaan gelet op het volgende. Gedaagden stellen zelf dat de havenmeester, als de catamaran met hem contact zou hebben opgenomen, “naar verwachting” de catamaran naar een andere ankerplek zou hebben verwezen. Dat argument is echter onvoldoende overtuigend omdat daaruit al gelijk blijkt dat het onzeker is of de havenmeester de catamaran daadwerkelijk naar een andere ankerplek zou hebben gedirigeerd. Enige documentatie daarover, zoals een verklaring van de havenmeester, wordt niet in het geding gebracht. Het argument dat de catamaran de inklaringsprocedures niet in acht zou hebben genomen wordt door het Gerecht ook van de hand gewezen. Die procedures zien namelijk niet op veiligheid op zee. Bovendien onderbouwen gedaagden ook wat betreft dit argument niet dat als die procedures wél zouden zijn gevolgd dit tot een andere ankerplaats zou hebben geleid.

Door gedaagden wordt nog aangevoerd dat het zeeschip zo wat elke dag dezelfde route vaart. Dat argument overtuigt het Gerecht evenmin. Het is immers niet zo dat als een schip elke dag dezelfde route vaart andere schepen daarvan op de hoogte behoren te zijn en op een bepaald tijdstip niet mogen ankeren of extra moeten uitkijken als zij dat doen. Enige rechtsregel waarop dit kan worden gebaseerd bestaat niet.

Tot slot voeren gedaagden aan dat de catamaran geen verlichting voerde. Met verwijzing naar Voorschriften 23 en 25 van het Verdrag wijzen eisers erop dat de geankerde catamaran gehouden was “één lantaarn, gevoerd aan of nabij de top van de mast, waar deze het beste kan worden gezien.” te hebben. De verwijzing naar deze Voorschriften klopt niet omdat die gaan over varende schepen. Het Gerecht overweegt dat Voorschrift 30, van toepassing op geankerde schepen, bepaalt dat de catamaran voorzien had moeten zijn van één rondom zichtbaar wit licht. Daaruit volgt dat de catamaran niet meer verlichting hoefde te voeren zodat de andersluidende stelling (meer verlichting was noodzakelijk) van gedaagden niet opgaat. Gedaagden voeren aan dat het ankerlicht niet aan was en verwijzen naar verklaringen van [gedaagde] en de eerste officier die het Gerecht echter in de processtukken niet heeft aangetroffen. Wel is er een verklaring van de kapitein van de [catamaran 1] van 1 mei 2025: “I arrived with my boat [catamaran 2] in the night of February 11 on the west coast of Aruba and anchored just next to [catamaran 1]. I can confirm that both their and our anchor lights were on, both during the rest of that night and during the following night. We could clearly see catamaran’s [catamaran 1] anchor light.” Daarmee hebben eisers de stelling van gedaagden dat de catamaran geen ankerlicht voerde voldoende ontkracht.

De conclusie is dat gedaagden de stellingen van eisers niet hebben kunnen weerleggen. Aan een bewijsopdracht komt het Gerecht dan ook niet toe. Dat betekent dat het Gerecht oordeelt dat sprake is van schuld van het zeeschip in de zin van artikel 5:544 BW; het zeeschip was immers niet toegerust met de verplichte navigatieapparatuur waardoor een dergelijke aanvaring had kunnen worden voorkomen en de kapitein en de eerste officier namen de catamaran niet waar ondanks dat deze de voorgeschreven verlichting had ingeschakeld. Daarom is er geen sprake van gevaarzetting door de catamaran als bedoeld in de kelderluikcriteria waarbij het Gerecht aantekent het beroep daarop niet te begrijpen omdat gesteld noch gebleken is dat het zeeschip schade heeft ondervonden als gevolg van de aanvaring. Het zeeschip had bij normale oplettendheid en gebruik van de positioning aid equipment waarmee zij uitgerust had behoren te zijn de aanvaring kunnen vermijden, zelfs al zou komen vast te staan dat de catamaran niet voor anker mocht gaan op de plek waar de aanvaring plaatsvond. Daarom verwerpt het Gerecht ook het beroep op eigen schuld (in de zin van artikel 6:101 BW) van gedaagden.

Persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] als kapitein

Zoals hiervoor overwogen baseren eisers de aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad van [gedaagde] op de schuld van het schip en de aard van de aanvaring. Gedaagden wijden geen specifieke stellingen aan de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde]; zij volstaan met betwisting van de schuld van het schip.

Het wettelijk systeem, zoals neergelegd in boek 8 in het algemeen en in de artikelen 8:540 tot en met 546 BW in het bijzonder, houdt in dat primair wordt uitgegaan van de aansprakelijkheid van het schip en niet van de persoonlijke aansprakelijkheid van de kapitein. De reden daarvoor is dat de kapitein lang niet altijd de scheepseigenaar is maar vaak in loondienst, al dan niet van de scheepseigenaar, als zodanig is aangesteld. Om die reden dient eerst te worden gekeken naar de “schuld van het schip” zodat kan worden voorkomen dat de kapitein persoonlijk aansprakelijk zou zijn. Het schip is dan ook vaak verzekerd tegen aanvaringsschades. Dat betekent dat van eisers verwacht mag worden dat zij uitlegt om welke reden zij desalniettemin de kapitein persoonlijk uit onrechtmatige daad aanspreekt en hoe die onrechtmatige daad zich verhoudt tot de aansprakelijkheidsregels van artikel 8:540 tot en met 546 BW, temeer nu uit een polisblad blijkt dat het zeeschip is verzekerd tegen “third party liability” zodat verhaal van de schade op Pelican mogelijk is. Dat leggen eisers echter niet uit. Tot slot overweegt het Gerecht, op grond van wat hiervoor is overwogen, dat duidelijk is dat het zeeschip in strijd met de wettelijke regels door Pelican niet is uitgerust met positioning aid equipment. [Gedaagde] kan daarom een verwijt worden gemaakt dat hij met het zeeschip is gaan varen maar een veel ernstiger verwijt kan worden gemaakt aan Pelican die als scheepseigenaar ervoor moet zorgen dat het zeeschip veilig kan varen op zee zodat deze aanvaringsschade had kunnen worden voorkomen. De vorderingen tegen [gedaagde] wijst het Gerecht daarom af.

De vergoeding van de schade

De gevorderde schade wordt door eiseressen gespecificeerd met een factuur van 22 maart 2022 van Outremer, de scheepswerf die de catamaran heeft gebouwd. Op die factuur staan alle posten uitgesplitst. Die factuur sluit op Euro 166.508,94. Daarvan is Euro 82.500,00 door Helvetia uitgekeerd en het restant bedrag niet. Gedaagden voeren het verweer dat niet is gebleken dat de spoedreparaties op Aruba, waartoe [eiseres] en [eiser] hebben besloten, goedkoper zijn dan reguliere reparaties. Daarover is weliswaar een rapport opgesteld maar zij betwisten dat de afweging tussen spoed- en reguliere reparaties objectief en onderbouwd is gemaakt omdat er – kort gezegd – geen onderliggende bewijsstukken zijn. Bovendien was er helemaal geen sprake van spoed; er had kunnen worden volstaan met een minder vergaande vorm van herstel zodanig dat de world rally had kunnen worden voortgezet.

De stelplicht en zo nodig de bewijslast van de hoogte van de schade ligt op eisers. Het Gerecht verwerpt het verweer van gedaagden om de volgende redenen. In de eerste plaats omdat in het Joint Survey Report waarnaar zij verwijzen de volgende passage voorkomt: “Carrying out temporary and part permanent repair at Aruba to allow the vessel to sail was found to be the most cost-effective solution (alternatively, the boat could be shipped back to France for permanent repairs, which would have been a more costly solution).” Het rapport bevat dus al een overweging die het verweer van gedaagden ontkracht. In de tweede plaats geldt dat met het rapport en de factuur gedaagden genoeg aanknopingspunten in handen hebben om een eigen (verzekerings)deskundige kritisch te laten kijken naar de schadeposten zodat zij bij wijze van verweer specifiek op de hoogte van de schadeposten hadden kunnen ingaan. Het Gerecht oordeelt daarom dat de verweren van gedaagden tegenover de stellingen en documentatie van eisers te algemeen van aard zijn zodat aan verder onderzoek in het kader van een bewijsopdracht of onderzoek door een deskundige niet wordt toegekomen. De gevorderde bedragen worden daarom toegewezen, verhoogd met de wettelijke rente zoals gevorderd nu daar geen verweer tegen is gevoerd.

Proceskosten

In de procedure tussen eisers en Pelican wordt Pelican als verliezende partij in de proceskosten veroordeeld. In de procedure tegen [gedaagde] worden eisers in de proceskosten veroordeeld omdat hun vorderingen tegen hem worden afgewezen. Die kosten worden echter begroot op nihil omdat [gedaagde] geen eigen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en dus ook geen kosten daarvoor heeft gemaakt.

Uitvoerbaar bij voorraad

Zoals verzocht wordt dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. DE UITSPRAAK

Het gerecht:

verklaart voor recht dat Pelican aansprakelijk is voor de schade die [eiseres], [eiser] en Helvetia als gevolg van de aanvaring hebben geleden en nog zullen lijden,

veroordeelt Pelican tot betaling aan Helvetia van Euro 82.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2022 tot aan de dag van algehele betaling,

veroordeelt Pelican tot betaling aan [eiseres] en [eiser] van Euro 84.008,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2022 tot aan de dag van algehele betaling,

veroordeelt Pelican tot vergoeding van de meerdere schade die [eiseres], [eiser] en Helvetia als gevolg van de aanvaring hebben geleden en nog zullen lijden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

veroordeelt Pelican in de proceskosten van eisers, begroot op Afl. 440,00 aan oproepingskosten, Afl. 1.670,00 aan griffierecht en op Afl. 6.000,00 (2 punten x tarief 8) aan salaris van de gemachtigden, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente als de proces- en nakosten niet binnen 14 dagen na dit vonnis zijn voldaan,

veroordeelt eisers in de proceskosten van [gedaagde] die worden begroot op nihil,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 26 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.J.J. van Rijen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?