Vonnis in kort geding van 26 november 2025
Behorend bij AUA202503410 KG
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[Eiser]
te Aruba,
eiser,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee,
tegen:
1. [Gedaagde 1], hierna te noemen: [gedaagde 1],
2. [Gedaagde 2],
hierna te noemen: [gedaagde 2], te Aruba,
gedaagden,
eisers in reconventie,
gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,
en:
de naamloze vennootschap CARIBBEAN MERCANTILE BANK N.V. (CMB),
te Aruba,gedaagde,
hierna te noemen: CMB,
gemachtigden: de advocaten mrs. E.A. Suarez en A.A. Ruiz.
1. DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 17, ingediend op 15 oktober 2025;
- de akte overlegging producties 1 tot en met 12 en aankondiging van een eis in reconventie aan de zijde van [eiser], ingediend op 10 november 2025;
- de mondelinge behandeling op 11 november 2025.
Tijdens de mondelinge behandeling van 11 november 2025 is [eiser] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Lee. [Gedaagde 1] is in persoon verschenen. [Gedaagde 2] is niet verschenen, maar is ter zitting net zoals [gedaagde 1] vertegenwoordigd door hun gemachtigde mr. Mohamed. Namens CMB is verschenen mevrouw [medewerker van de bank], bijgestaan door haar gemachtigden mrs. Suarez en Ruiz. Partijen hebben tijdens de zitting het woord gevoerd (mede aan de hand van door partijen overgelegde spreekaantekeningen) en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.
Uitspraak is bepaald op vandaag.
2. DE FEITEN
Tussen de betrokkenen, met uitzondering van CMB, bestaat een familieband. [Eiser] is de vader van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de echtgenoot van [gedaagde 1].
Op 22 mei 2024 heeft [eiser] zijn woning aan [gedaagde 2] verkocht voor een koopprijs van Afl. 185.000,-. Op deze koopprijs zijn belastingen, belastingschulden en door [eiser] te verdelen gelden ten behoeve van zijn kinderen in mindering gebracht. Na deze verrekeningen resteerde een bedrag van Afl. 96.754,08. Op 24 september 2024 is de woning aan [gedaagde 2] geleverd waarna [eiser] de woning heeft verlaten. Diezelfde dag heeft [gedaagde 1] het bedrag van Afl. 96.754,08 overgemaakt van de en/ofbankrekening van haarzelf en [eiser] naar haar eigen bankrekening o.v.v. “agreement between my dad and me tru e [notaris]MOBILEAN”.
Op 22 oktober 2025 heeft [eiser] conservatoir derdenbeslag laten leggen op de bankrekeningen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
3. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
In conventie inzake [eiser] jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
Eiser] vordert, na intrekking op de zitting van een gedeelte van zijn vorderingen, van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – samenvattend - een bedrag van Afl. 96.754,08, te vermeerderen met de wettelijke rente, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.
Gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van het geding in conventie.
In reconventie inzake [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiser]
Gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen in reconventie dat de door [eiser] gelegde conservatoire beslagen worden opgeheven, met veroordeling van [eiser] in de kosten in reconventie.
Eiser] voert verweer en stelt dat het beslag een noodzakelijk middel is om zijn vordering veilig te stellen.
In conventie inzake [eiser] jegens CMB
Jegens CMB vordert [eiser] dat het origineel van de verklaring van schenking van 25 september 2024, dan wel een gewaarmerkt afschrift daarvan, wordt gedeponeerd bij het Gerecht, teneinde dit door een deskundige te laten onderzoeken.
CMB heeft verweer gevoerd en verzoekt [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tegen CMB, dan wel deze vordering af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4. DE BEOORDELING
In conventie inzake [eiser] jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
Eiser] vordert van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een geldbedrag van Afl. 96.754,08. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is terughoudendheid geboden. Het Gerecht moet beoordelen of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en of onverwijlde spoed een onmiddellijke betaling rechtvaardigt. Daarnaast weegt mee of sprake is van een restitutierisico, dat wil zeggen het risico dat een toegewezen bedrag bij een andersluidend oordeel in een bodemprocedure niet kan worden terugbetaald. Een dergelijk risico kan aanleiding zijn de voorziening te weigeren.
Eiser] legt aan zijn geldvordering ten grondslag dat het bedrag van Afl. 96.754,08 zonder zijn medeweten aan [gedaagde 1] is betaald. Volgens hem is daarmee sprake van onrechtmatig handelen door verduistering, diefstal of oplichting door [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2]. [Eiser] stelt dat gebruik is gemaakt van een verklaring van schenking met een vervalste handtekening op basis waarvan het geldbedrag aan [gedaagde 1] is overgemaakt. [Gedaagde 1] betwist dit. Zij stelt dat een schenking van het genoemde bedrag wél met [eiser] is overeengekomen en dat daartoe een verklaring van schenking is opgesteld, die vervolgens door [eiser] is ondertekend.
Het Gerecht stelt voorop dat een geldvordering in kort geding slechts kan worden toegewezen indien het bestaan daarvan voldoende aannemelijk is. [Eiser] heeft die aannemelijkheid niet voldoende inzichtelijk gemaakt. Zijn stelling dat het bedrag van Afl. 96.754,08 zonder zijn medeweten aan [gedaagde 1] is betaald en dat daarbij gebruik zou zijn gemaakt van een valse verklaring van schenking, is onvoldoende onderbouwd. [Gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] hebben namelijk gemotiveerd uiteengezet dat juist sprake was van een overeengekomen schenking waarvoor een verklaring van schenking is opgesteld die door [eiser] is ondertekend en die is uitgevoerd door de betaling vanaf de gezamenlijke en/of rekening. Deze lezing wordt ondersteund door de overgelegde verklaring en het bankafschrift, terwijl, naar voorlopig oordeel, [eiser] onvoldoende feiten heeft aangevoerd die het Gerecht laten twijfelen aan de totstandkoming of de echtheid van die verklaring van schenking. Gelet op het voorgaande overweegt het Gerecht dat de geldvordering onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De overige criteria die bij de beoordeling van een geldvordering in kort geding van belang zijn, behoeven daarom geen nadere bespreking meer. De vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen.
In conventie inzake [eiser] jegens CMB
Eiser] vordert van CMB dat zij het origineel van de verklaring van schenking, dan wel een gewaarmerkt afschrift daarvan, bij de griffie van het Gerecht deponeert. Voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a Rv is vereist dat CMB daadwerkelijk beschikt over het bescheid waarvan afgifte of inzage wordt gevorderd.
Ter zitting heeft CMB uitgelegd dat zij niet beschikt over een origineel, maar slechts over een kopie van de verklaring van schenking, die identiek is aan de kopie waarover [eiser] zelf beschikt. Dat is namelijk alles wat zij volgens haar compliance-procedure nodig heeft. In dat kader vergt zij geen originele documenten van haar klanten. Nu niet voldoende is komen vast te staan dat het gevorderde bescheid onder CMB berust, ontbreekt, naar voorlopig oordeel, een noodzakelijke voorwaarde voor toewijzing van de vordering. De vordering op grond van artikel 843a Rv wordt daarom afgewezen.
In reconventie inzake [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiser]
Op grond van artikel 705 lid 2 Rv kan opheffing van een beslag onder meer worden bevolen indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt dat het door de beslaglegger ingeroepen recht ondeugdelijk is, dat het beslag onnodig is gelegd, of, indien het beslag is gelegd ter zekerheid van een geldvordering, dat voor die vordering voldoende zekerheid is gesteld. Bij een opheffingsvordering dient het Gerecht tevens de belangen van partijen af te wegen.
Gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat zij door het beslag in financiële problemen zijn geraakt en zij in de problemen kwamen om hun vaste lasten te voldoen. Zij stellen daarnaast dat de vordering van [eiser] in conventie niet toewijsbaar is en verzoeken daarom de beslagen op te heffen. [Eiser] voert verweer en stelt dat de vordering wel toewijsbaar is op basis van hetgeen in conventie is gesteld.
In de onderhavige zaak wordt – zoals het Gerecht begrijpt – door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opheffing van het beslag gevorderd omdat summierlijk zou blijken dat het door de beslaglegger ingeroepen recht ondeugdelijk is. Deze toets vergt dat op het eerste gezicht twijfel bestaat over de rechtmatigheid of de noodzaak van het beslag. Van dergelijke twijfel is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake. In dit kort geding heeft het Gerecht enkel overwogen dat de vordering van [eiser] zich niet leent voor een inhoudelijke behandeling, nu een geldvordering in kort geding aan hoge eisen moet voldoen en daaraan niet is voldaan. Dit betekent niet – zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen – dat de vordering in conventie, na een volledige inhoudelijke beoordeling in een bodemprocedure, in het geheel niet toewijsbaar zou zijn en het ingeroepen recht daardoor in dit stadium ondeugdelijk zou zijn. Het feit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door de beslagen destijds in financiële problemen zijn geraakt, vormt op zichzelf geen grond voor opheffing van het beslag want het is nu eenmaal inherent aan bankbeslagen dat die voor ongemak zorgen. Onvoldoende is gesteld dat die problemen nog altijd voortduren zodat een belangenafweging uitvalt in het voordeel van [eiser]. De beslagen blijven dus liggen.
Proceskosten – in conventie en reconventie - inzake [eiser], [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
Nu partijen over en weer ([eiser] in conventie en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in reconventie) in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
Proceskosten inzake [eiser] jegens CMB
Het Gerecht overweegt dat, nu de vordering van [eiser] jegens CMB wordt afgewezen, [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van CMB, bestaande uit Afl. 1.250,- aan gemachtigdensalaris.
5. DE UITSPRAAK
Het gerecht:
Inzake [eiser] jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in conventie:
wijst de vorderingen van [eiser] af;
Inzake [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiser] in reconventie:
wijst de vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] af;
Inzake [eiser], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in conventie en in reconventie:
compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten van de procedure draagt;
Inzake [eiser] jegens CMB
wijst de vordering van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van CMB, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.000,-;
verklaart de veroordeling onder 5.5 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 26 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.