2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
dat hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 maart 2024 tot en met 28 maart 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of heeft vervoerd en/of in bezit en/of aanwezig heeft gehad;
(artikel 3 van de Landsverordening verdovende middelen jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)
3. Formele voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van het Gerecht
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is en dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, vanwege de door haar geconstateerde fundamentele gebreken in de opsporing en structurele vormverzuimen. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd, dat deze vormverzuimen moeten leiden tot bewijsuitsluiting en meer subsidiair, dat deze moeten leiden tot een vergaande strafvermindering.
Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsvrouw -samengevat- aangevoerd:
dat het politieonderzoek is gestart en werd voortgezet op basis van foutieve persoonsgegevens en zonder verificatie van de bewoners op het geobserveerde adres of controle via de bevolkingsadministratie;
dat het opsporingsteam zonder nadere onderbouwing, bewijs of controle stelt dat de verdachte gedurende de observaties wordt herkend, terwijl degenen van wie foto’s in het dossier zitten niet de verdachte zijn;
dat verdachte is verhoord, zonder dat hem vooraf cautie was gegeven of rechtsbijstand was verleend, wat in strijd is met het Salduz-arrest;
dat van de verhoren van vermeende kopers videobeelden ontbreken, waardoor niet kan worden vastgesteld of zij vrij en zonder beïnvloeding spraken. Dit tast de betrouwbaarheid van het bewijs ernstig aan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er in dit onderzoek geen sprake is van vormverzuimen, en heeft daartoe -samengevat- het volgende betoogd.
Een foutieve herkenning levert geen vormverzuim op. De herkenning van verdachte op foto’s, door zowel de verbalisant als de kopers, is een kwestie van bewijswaardering. Dat verdachte zou zijn verhoord zonder dat hij op zijn rechten is gewezen, klopt niet, nu in alle processen-verbaal staat dat de verdachte op zijn rechten is gewezen en dat hem cautie is gegeven. Aldus de officier van justitie.
De officier van justitie vordert dat het Gerecht, indien het tot een ander oordeel komt, het laat bij de enkele constatering dat er sprake is van enige vormverzuim.
Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht is van oordeel dat geen sprake is van onherstelbare vormverzuimen dan wel handelen in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn verder geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Uit het dossier volgt dat er een onderzoek onder de naam [onderzoeknaam] is gestart naar aanleiding van BCI-informatie dat [verdachte] vanuit [adres 2] verdovende middelen verkoopt, dat [verdachte] gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer] en dat met [verdachte] wordt bedoeld: [verdachte], geboren op Aruba op [geboortedatum] 1988.
De verdachte heeft verklaard, dat de woning te [adres 2] van zijn grootouders, althans grootmoeder, is, dat hij zich regelmatig daar bevindt, dat zijn telefoonnummer [telefoonnummer] is, en dat hij cocaïne verkoopt.
Tijdens het onderzoek zijn verschillende personen aangehouden, van wie werd vermoed dat zij kopers van verdovende middelen bij [adres 2] zijn. Deze personen hebben bekend dat zij bij die woning cocaïne hebben gekocht en hebben de verdachte aangewezen als een van degenen van wie zij daar kochten. Bij de doorzoeking in de woning en appartement te [adres 2] zijn verdovende middelen, onder andere cocaïne verpakt in kleine doorzichtige zakjes, aangetroffen. Daarnaast zijn in de woning van verdachte zeven kleine zakjes inhoudende cocaïne aangetroffen die qua verpakking overeenkomen met de zakjes inhoudende cocaïne die in de woning [adres 2] zijn aangetroffen (zie de foto’s bij bijlagen 44, 46 en 48).
Het Gerecht is, op grond van bovenstaande en het verhandelde ter terechtzitting, niet gebleken van enig vormverzuim door het openbaar ministerie. Verder is het Gerecht van oordeel dat er geen sprake is van een verkeerde identificatie of herkenning van verdachte.
Wat betreft de stelling van de verdediging, dat de verdachte is verhoord zonder dat hem cautie was gegeven en zonder hem op zijn recht op rechtsbijstand te wijzen, overweegt het Gerecht als volgt.
Uit het dossier, met name bijlagen 56, 60, 61, 62, en 64 tot en met 68, volgt dat verdachte bij zijn aanhouding, voorgeleiding en voorafgaand aan zijn verhoren telkens is gewezen op zijn rechten, is gevraagd of hij zijn rechten heeft begrepen waarop hij bevestigend antwoordde, en dat hij gebruik heeft gemaakt van zijn recht op rechtsbijstand. Verdachte heeft ook de formulieren, waarop deze rechten staan vermeld (zie bijlagen 56 en 64) voor gezien en ontvangst getekend.
Verder heeft verdachte op 31 maart 2025 ten overstaan van de rechter-commissaris en in aanwezigheid van zijn raadsvrouw volhard bij zijn verklaring die hij tegenover de politie heeft afgelegd.
Naar het oordeel van het Gerecht is genoegzaam vast komen te staan dat de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor op zijn rechten, met name zijn recht om geen antwoord te hoeven geven op vragen en zijn recht om zich door een advocaat te laten bijstaan tijdens de verhoren, is gewezen.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk.
Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.
4. Beoordeling van het bewijs
Inleiding
Naar aanleiding van een anonieme melding, ontvangen bij het Bureau Criminele Inlichtingen (BCI) in het eerste kwartaal van 2025 over de handel in verdovende middelen bij de [adres 2] door [verdachte], werd een onderzoek onder de naam [onderzoeknaam] gestart met [verdachte] als de verdachte.
Gedurende dat onderzoek zijn verschillende bijzondere opsporingsmethoden (zgn bob-middelen) ingezet, onder andere stelselmatige observatie op verschillende dagen en momenten in februari en maart 2025. Op 28 maart 2025 werden verschillende vermoedelijke kopers van verdovende middelen bij dat adres, aangehouden en verhoord. Naar aanleiding van de verhoren van de vermoedelijke kopers werden de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als verdachten aangemerkt en aangehouden. Ook de verdachte [verdachte] werd die dag aangehouden.
Na de aanhoudingen werden doorzoekingen verricht in de woning te [adres 2] en in een appartement op het erf. Tijdens die doorzoekingen zijn verdovende middelen, onder andere cocaïne verpakt in kleine doorzichtige plastic zakjes, aangetroffen en in beslag genomen. De verdachte heeft bij zijn aanhouding aan de verbalisanten te kennen gegeven dat hij in zijn woning verdovende middelen had en overhandigde verbalisanten een zwarte schoudertas met daarin 7 kleine doorzichtige plastic zakjes, inhoudende cocaïne. Deze zakjes inhoudende cocaïne kwamen qua verpakking overeen met de zakjes inhoudende cocaïne die tijdens de doorzoeking te [adres 2] zijn aangetroffen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aan de hand van schriftelijke aantekeningen primair integrale vrijspraak bepleit, subsidiair vrijspraak bepleit ten aanzien van de structurele handel, de locatie en de ten laste gelegde periode vóór februari 2025. Volgens de verdediging heeft de verdachte slechts incidenteel gedurende twee maanden aan een beperkt aantal personen, cocaïne verkocht. Verdachte heeft, aldus de verdediging, niets te maken met de drugshandel vanuit [adres 2].
Het oordeel van het Gerecht
Bewijsoverweging
Het Gerecht verwerpt het verweer van verdachte betreffende bewijsuitsluiting vanwege vormverzuimen, zoals hierboven onder 3.2.1 vermeld, om dezelfde redenen als in overweging 3.2.3 gegeven.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:
dat hij op een (of meerdere) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 maart 2024 tot en met 28 maart 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of heeft vervoerd en/of in bezit en/of aanwezig heeft gehad;.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hiernavolgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Voor zover geschriften worden gebruikt, worden deze slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit of dezelfde feiten betrekking hebben.
*De verklaring van de verdachte , op 31 oktober 2025 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende:
Ik verkocht af en toe cocaïne.
*Een proces-verbaal van 1ste verhoor verdachte van 28 maart 2025 (bijlage 65), voor zover inhoudende, als verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:
Ik verkoop en lever cocaïne aan mijn klanten, onder anderen [koper 1], zijn neef en een man bijgenaamd [koper 2]. Twee maanden geleden heb ik bij het huis van mijn grootmoeder te [adres 2], van een Curaçaoënaar ongeveer 50 gram cocaïne aangenomen om te verkopen.
*Een proces-verbaal van 3de verhoor verdachte van 10 april 2025 (bijlage 67), voor zover inhoudende, als verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:
(Verbalisant: Tijdens je aanhouding werd een zwarte tas inhoudende verdovende middelen en geld aangetroffen en in beslag genomen. Wat kan je hierover vertellen?)
De drugs en het geld zijn van mij.
*Een proces-verbaal van 4de verhoor verdachte van 23 juli 2025 (bijlage 68), voor zover inhoudende, als verklaring van [verdachte], -zakelijk weergegeven-:
Ik verkoop cocaïne. Ik word opgebeld en hierna besluiten wij een ontmoetingsplaats. Mijn telefoonnummer is [telefoonnummer].
[een foto werd aan de verdachte getoond en hem werd gevraagd wat hij hierover kon vertellen] Dat ben ik.
*Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 maart 2025, (bijlage 96), voor zover inhoudende als verklaring van [koper 3], -zakelijk weergegeven-:
Ik koop vaker cocaïne bij het gele of bruine huis in [locatie]. Ik besloot vandaag cocaïne te gaan kopen. Er zijn verschillende mensen die daar drugs verkopen. Ik weet dat een van hen [verdachte] heeft. Er is daar ook een man met dik postuur.
[Aan de verdachte werd een foto van de verdachte [verdachte] getoond en hem werd gevraagd wat hij over deze persoon kon vertellen] Ja, dat is de man die ik bedoel met een dikke postuur. Ik heb weleens cocaïne van hem gekocht. Ik heb anderhalf jaar geleden voor het eerst cocaïne bij dat huis gekocht.
*Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 maart 2025 (bijlage 115), voor zover inhoudende, als verklaring van [koper 4], -zakelijk weergegeven-:
Ik gebruik cocaïne. De politie heeft mij met een zakje cocaïne aangetroffen. Dat zakje cocaïne had ik net in [locatie] gekocht. Ik koop cocaïne van de man bijgenaamd [verdachte] en er is ook een man van dikke postuur.
(Aan de verdachte [koper 4] werd een foto van de verdachte [verdachte] getoond en hem werd gevraagd wat hij over deze persoon kon vertellen.)
Ja, dat is die man die ik bedoel met een dikke postuur. Ik heb weleens cocaïne van hem gekocht. Anderhalf jaar geleden begon ik daar cocaïne te kopen.
*Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 16 juli 2025 (bijlage 130), voor zover inhoudende, als verklaring van [koper 2] , zakelijk weergegeven:
Ik gebruik cocaïne. Ik koop de cocaïne van [verdachte]. [Verdachte] heeft een dik postuur en hij is niet zo groot. (aan de verdachte BISLIK werd een foto van de verdachte [verdachte] getoond en hem werd gevraagd wat hij over deze persoon kon vertellen) Ja, dat is [verdachte]. Een dag was ik in [locatie] en hij bood mij cocaïne aan. In februari 2025 heb ik voor het eerst cocaïne van hem gekocht.
*Een proces-verbaal doorzoeking te [adres 2] van 29 maart 2025 (bijlage 10), met bijlagen, voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:
In het kader van een lopende onderzoek [onderzoeknaam] ging het onderzoeksteam op 28 maart 2025 naar het adres [adres 2] om een doorzoeking te verrichten.
Op het adres [adres 2] staan een woning (met drie slaapkamers, een keuken, een woonkamer en een badkamer) en een appartement (met een slaapkamer en een badkamer). De medeverdachte [medeverdachte 2] woont en slaapt in de woning en de medeverdachte [verdachte] woont en slaapt in het appartement.
In de woonkamer van de woning zijn aangetroffen en in beslag genomen:
- een zwarte schoudertas van het merk “We Power” inhoudende een M&M buisje inhoudende acht plastic zakjes, elk inhoudende een witte poeder gelijkende aan cocaïne en
- een wit potje inhoudende dertig plastic zakjes inhoudende elk een witte poeder gelijkende aan cocaïne;
In de slaapkamer van medeverdachte [medeverdachte 2] zijn aangetroffen en in beslag genomen:
- een plastic zak inhoudende negen plastic zakjes, inhoudende elk witte poeder gelijkende aan cocaïne.
In het appartement zijn aangetroffen en in beslag genomen:
- twee witte potjes, inhoudende in totaal 26 plastic zakjes met witte poeder, gelijkende aan cocaïne;
- twee blikken “Frisian Flag”, inhoudende in totaal zes plastic zakken met witte poeder, gelijkende aan cocaïne.
*Een proces-verbaal wegen en testen van 29 maart 2025 (bijlage 46), voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant , zakelijk weergegeven:
Op 29 maart 2025 heb ik een onderzoek ingesteld aan de inhoud en samenstelling van de bij het appartement te [adres 2] inbeslaggenomen verdovende middelen. De inbeslaggenomen verdovende middelen zijn met een letter en cijfercombinatie, C1 tot en met C37, gewaarmerkt en gewogen. Het totaal gewicht bedraagt 197,8 gram.
Ik heb een kleine hoeveelheid van de witte poeder gelijkende aan cocaïne vanuit de zakjes gewaarmerkt C3, C12, C18, C28 en C32 genomen en in een buisje bestemd voor het testen van cocaïne gedaan en vervolgens een zogenaamde fieldtest genomen. De testen vielen positief uit in de zin dat nadat de vloeistof in het buisje in aanraking was gekomen met de poeder, deze in een blauwe kleur veranderde, hetgeen de aanwezigheid van cocaïne en/of haar zouten aanduiden.
Hierna heb ik een kleine hoeveelheid van de witte poeder van de zakjes gewaarmerkt C27 en C29 genomen en deze in afzonderlijke potjes gedaan. Voornoemde potjes zullen later naar de Gerechtelijke deskundige, de toxicoloog, [Toxicoloog] worden verzonden.
*Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het Bureau Forensisch Technische Onderzoeken, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door [Toxicoloog], Toxicoloog, van 8 april 2025 (bijlage 47), voor zover inhoudende als bevindingen van genoemde deskundige , zakelijk weergegeven:
Verzocht werd om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen, in de zin van de Landsverordening Verdovende Middelen.
Tabel 1 onderzoeksmateriaal en conclusie
Kenmerk
omschrijving
Conclusie
C27
monster witachtige poeder
bevat cocaïne
C29
monster witachtige poeder
bevat cocaïne
*Een proces-verbaal wegen en testen van 29 maart 2025 (bijlage 49), voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant , zakelijk weergegeven:
Op 29 maart 2025 hebben wij een onderzoek ingesteld aan de inhoud en samenstelling van de bij de woning [adres 2] inbeslaggenomen verdovende middelen. De inbeslaggenomen verdovende middelen zijn met een letter en cijfercombinatie, C1 tot en met C47, gewaarmerkt en gewogen. Het totaal gewicht bedraagt 30,84 gram.
Wij hebben een kleine hoeveelheid van de witte poeder gelijkende aan cocaïne vanuit het zakje gewaarmerkt C10 genomen en in een buisje bestemd voor het testen van cocaïne gedaan en vervolgens een zogenaamde fieldtest genomen. De test viel positief uit in de zin dat nadat de vloeistof in het buisje in aanraking was gekomen met de poeder, deze in een blauwe kleur veranderde, hetgeen de aanwezigheid van cocaïne en/of haar zouten aanduiden.
Hierna hebben wij een kleine hoeveelheid van de witte poeder van de zakjes gewaarmerkt C5 en C45 genomen en deze in afzonderlijke potjes gedaan. Voornoemde potjes zullen later naar de Gerechtelijke deskundige, de toxicoloog, [toxicoloog] worden verzonden.
*Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het Bureau Forensisch Technische Onderzoeken, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door [Toxicoloog], Toxicoloog, van 8 april 2025 (bijlage 50), voor zover inhoudende als bevindingen van genoemde deskundige , zakelijk weergegeven:
Verzocht werd om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen, in de zin van de Landsverordening Verdovende Middelen.
Tabel 1 onderzoeksmateriaal en conclusie
Kenmerk
omschrijving
Conclusie
C5
monster witachtige poeder
bevat cocaïne
C45
monster witachtige poeder
bevat cocaïne
*Een proces-verbaal wegen en testen van 31 maart 2025 (bijlage 44), voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant , zakelijk weergegeven:
Op 31 maart 2025 heb ik een onderzoek ingesteld aan de inhoud en samenstelling van de verdovende middelen die bij de verdachte [verdachte] in beslag zijn genomen. De inbeslaggenomen verdovende middelen zijn met een letter en cijfercombinatie, C1 tot en met C7, gewaarmerkt en gewogen. Het totaal gewicht bedraagt 4,19 gram.
Ik heb een kleine hoeveelheid van de witte poeder gelijkende aan cocaïne vanuit het zakje gewaarmerkt C3 genomen en in een buisje bestemd voor het testen van cocaïne gedaan en vervolgens een zogenaamde fieldtest genomen. De test viel positief uit in de zin dat nadat de vloeistof in het buisje in aanraking was gekomen met de poeder, deze in een blauwe kleur veranderde, hetgeen de aanwezigheid van cocaïne en/of haar zouten aanduiden.
Hierna heb ik een kleine hoeveelheid van de witte poeder van het zakje gewaarmerkt C5 genomen en dit in een afzonderlijk potje gedaan. Voornoemd potje zal later naar de Gerechtelijke deskundige, de toxicoloog, [Toxicoloog] worden verzonden.
*Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het Bureau Forensisch Technische Onderzoeken, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door [Toxicoloog], Toxicoloog, van 8 april 2025 (bijlage 45), voor zover inhoudende als bevindingen van genoemde deskundige , zakelijk weergegeven:
Verzocht werd om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen, in de zin van de Landsverordening Verdovende Middelen.
Tabel 1 onderzoeksmateriaal en conclusie
Kenmerk
omschrijving
Conclusie
C5
monster witachtige poeder
bevat cocaïne
5. De kwalificatie en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder B en C van de Landsverordening verdovende middelen, meermalen gepleegd
strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening,
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
7. Motivering van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van een jaar, met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft strafmaatverweer gevoerd, zoals hiervoor onder 3.2.1 vermeld.
Het oordeel van het Gerecht
Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het Gerecht heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
De 37-jarige verdachte heeft zich gedurende de periode van ruim een jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan de verkoop van cocaïne vanuit een woning. Bovendien is bij verdachte thuis op de dag van zijn aanhouding 4,19 gram cocaïne, verpakt in 7 kleine zakjes, aangetroffen. Deze zakjes waren op dezelfde manier verpakt als de zakjes die bij de doorzoeking in de woning en het appartement te [adres 2] zijn aangetroffen.
De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit, waardoor schade en overlast voor de samenleving ontstaat. De handel in drugs leidt in het bijzonder bij de bewoners van de wijk waarin wordt gedeald tot overlast en gevoelens van onveiligheid. Verdachte woont midden in de woonwijk [locatie] en uit de observaties is gebleken dat het bij die woning een komen en gaan is van kopers van verdovende middelen. Verder wordt door cocaïne de gezondheid ernstig bedreigd en leiden drugs veelal, direct of indirect, tot vele vormen van criminaliteit. Dat is ook de reden dat op de drugs gerelateerde feiten zware straffen zijn gesteld. Verdachte heeft zich om alle nadelige gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit financieel gewin. Het Gerecht neemt hem dit zeer kwalijk.
De persoon van de verdachte
Het Gerecht heeft kennis genomen met een uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 8 augustus 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Verder heeft het Gerecht rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte twee minderjarige kinderen heeft die hij moet verzorgen en opvoeden, en dat hij kampt met gezondheidsproblemen, met name een oogaandoening.
Oplegging van gevangenisstraf
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van de feiten en op wat hiervoor is overwogen niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Oriëntatiepunten
Het Gerecht heeft bij het bepalen van de op te leggen gevangenisstraf gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van het Gerecht en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Voor het dealen van cocaïne vanuit een woning gedurende meer dan zes maanden wordt als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanaf 18 maanden, gegeven. Daarnaast heeft het Gerecht ook gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Conclusie
Het Gerecht verwerpt het verweer van verdachte betreffende de strafmaat vanwege vormverzuimen, zoals hierboven onder 3.2.1 vermeld, om dezelfde redenen als in overweging 3.2.3 gegeven.
Alles afwegende acht het Gerecht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, passend en geboden.
8. Het beslag
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven verdovende middelen gevorderd dat deze zullen worden onttrokken aan het verkeer.
Ten aanzien van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag (Afl. 217,10) en een zwarte schoudertas heeft zij de teruggave aan de verdachte gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het in beslag genomen geld, onderbouwd gesteld dat dit geldbedrag -bestaande uit munten- afkomstig is uit de verkoop van eten en drinken tijdens het “Bolas Criollas” toernooi, gehouden op 27 maart 2025.
Het oordeel van het gerecht
Aan de orde zijn de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld in de -als bijlage 131 opgenomen- lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
De verdovende middelen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Het betreft voorwerpen met betrekking tot welke de feiten zijn begaan. Het ongecontroleerde bezit van verdovende middelen is bovendien in strijd met de wet en het algemeen belang. Het Gerecht zal de voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer.
Het Gerecht is van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de verdachte van het geldbedrag en een zwarte schoudertas. Daarom zal daarvan de teruggave aan de verdachte worden gelast.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62, 1:74. 1:75, 1:123 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 9 (negen) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de 4,19 gram cocaïne;
gelast de teruggave aan verdachte van het bedrag van Afl. 217,10 (tweehonderdzeventien florin en tien cent) en een zwarte schoudertas;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. N.K. Engelbrecht, bijgestaan door J. Spanner, (zittingsgriffier), en op 28 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.
uitspraakgriffier: