ECLI:NL:OGEAA:2025:375

ECLI:NL:OGEAA:2025:375

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 19-12-2025
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer 505 van 2025
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren, in bezit hebben en het verhandelen van verdovende middelen. Het Gerecht veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

Parketnummer: P-2025/01463

Zaaknummer: 505 van 2025

Uitspraak van: 19 december 2025 op tegenspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], te [adres],

thans gedetineerd in het [detentieplaats],

hierna: de verdachte.

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 december 2025.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. Y. Pronk, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.M. Canwood, advocaat in Aruba, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

dat hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 1 augustus 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of heeft vervoerd en/of in bezit en/of aanwezig heeft gehad;

2.

dat hij op of omstreeks 29 juli 2025 in Aruba, opzettelijk een hoeveelheid hennep heeft ingevoerd;

3.

dat hij op of omstreeks 29 juli 2025 in Aruba opzettelijk MDMA (XTC-pillen), zijnde MDMA een stof als bedoeld in artikel 1 van de Regeling aanwijzing verdovende middelen IV, heeft ingevoerd;

4.

dat hij op of omstreeks 1 augustus 2025 in Aruba, opzettelijk een hoeveelheid MDMA (kristalachtige substantie), zijnde MDMA een stof als bedoeld in artikel 1 van de Regeling aanwijzing verdovende middelen IV, in bezit en/of aanwezig heeft gehad.

3. Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Beoordeling van het bewijs

Inleiding

Tijdens een routinecontrole van de Douane bij het expediteursbedrijf Cavalier Logistics Aruba op 29 juli 2025 gaf speurhond [speurhond] een positieve melding op een postpakket. Het postpakket was afkomstig uit Nederland en geadresseerd aan verdachte. In het postpakket zat – verstopt in verpakkingen met koffie en rijst – 450 gram hasj en 875 Xtc-pillen. Naar aanleiding van de vondst heeft de politie onderzoek naar verdachte ingesteld en zijn woning doorzocht. Daarbij werd 64,39 gram cocaïne en 54,24 gram MDMA gevonden. Uit de resultaten van het verdere onderzoek kreeg de politie het vermoeden dat verdachte in verdovende middelen handelde.

Bekennende verklaring ten aanzien van feit 2, feit 3 en feit 4

Ten aanzien van het invoeren van hennep en MDMA (in de vorm van Xtc-pillen), zoals ten laste gelegd onder feit 2 en feit 3, en het in bezit/aanwezig hebben van MDMA, zoals ten laste gelegd onder feit 4, is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 402, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt ten aanzien van deze volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen feit 2 en feit 3:

Bewijsmiddelen feit 4:

Standpunten en overwegingen t.a.v. feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte vanaf begin augustus 2021 tot aan zijn aanhouding handelde in verdovende middelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft partiële vrijspraak bepleit. Verdachte heeft bekend dat hij cocaïne in bezit had, maar de handel in verdovende middelen kan niet bewezen worden geacht. De getuigenverklaringen kunnen niet leiden tot de conclusie dat verdachte gedurende een periode van vier jaren handelde in verdovende middelen. Verdachte heeft weliswaar verdovende middelen aan derden gegeven, maar daarvoor geen geld ontvangen.

Het oordeel van het Gerecht

Op grond van het dossier en wat op de zitting is besproken stelt het Gerecht de volgende feiten en omstandigheden vast.

Doorzoeking van de woning

Op 1 augustus 2025 heeft de politie de woning van verdachte doorzocht. Verbalisanten vonden op verschillende plekken in de kasten in de keuken en woonkamer 11 plasticzakjes met witte poeder en vier plasticzakjes met een kristalachtige substantie. In een keukenkast vonden verbalisanten twee weegschalen, lepels, plasticzakjes, een metalen kom met witte poeder en twee zeefjes, waarop een residu van witte poeder aanwezig was. Het poeder in de plasticzakjes, de kom en de zeefjes is positief getest op cocaïne. De kristalachtige substantie bleek MDMA te zijn. Naast de verdovende middelen vond de politie een portemonnee met bankbiljetten van verschillende valuta. Het totale in beslag genomen geld betrof 2.142,95 Arubaanse Florin, 100,00 Euro en 600,00 Amerikaanse dollar.

Afnemers

Getuige [getuige 1] verklaarde op 4 augustus 2025 dat hij cocaïne van een man genaamd [koper] heeft gekocht. De getuige belde hem op en [koper] leverde de cocaïne vervolgens bij zijn huis af. Hij kocht twee à drie keer per maand cocaïne van [koper] en betaalde Afl. 25,00 voor 0,5 gram cocaïne. De eerste keer dat de getuige cocaïne van [koper] heeft gekocht was ongeveer vijf jaar geleden en de laatste keer was op 31 juli 2025. Aan de getuige werd een foto van verdachte getoond en hij herkende de man op de foto als [koper].

Getuige [getuige 2] verklaarde op 5 augustus 2025 dat hij cocaïne van ene [bijnaam van verdachte] heeft gekocht. [Bijnaam van verdachte] leverde de cocaïne meestal bij de hem thuis af. Hij haalde ook wel eens cocaïne bij het huis van [bijnaam van verdachte] op. Per maand kocht hij voor een bedrag van Afl. 100,00 cocaïne van [bijnaam van verdachte]. Hij betaalde Afl. 25,00 voor 0,5 gram cocaïne. Als hij [bijnaam van verdachte] niet kon bereiken nam hij contact op met [partner van verdachte], de partner van [bijnaam van verdachte]. Zij leverde de cocaïne dan bij hem af. Zij hebben ook wel eens een cocaïne in de brievenbus van hun woning achtergelaten. Meestal betaalde de getuige zijn bestellingen contant. Soms kreeg hij een betaalverzoek van [partner van verdachte] en maakte hij het geld over op haar bankrekening. Ongeveer anderhalf jaar geleden kocht hij voor het eerst cocaïne van [bijnaam van verdachte] en drie weken vóór het verhoor voor het laatst. Aan de getuige werd een foto getoond van verdachte en hij herkende hem als [bijnaam van verdachte].

Getuige [getuige 3] verklaarde op 6 augustus 2025 dat hij en zijn partner [getuige 4] cocaïne gebruiken. De getuige kocht één keer per week cocaïne van ene [bijnaam van verdachte]. De getuige gaf zijn bestelling telefonisch door aan [bijnaam van verdachte]. [Bijnaam van verdachte] leverde de bestelling vervolgens bij hem thuis af. De getuige betaalde de levering contant. Een klein zakje cocaïne kostte Alf. 25,00. Hij heeft ongeveer drie jaar geleden voor het eerst cocaïne van [bijnaam van verdachte] gekocht en voor het laatst in juni 2025. Aan hem werd een foto van verdachte getoond. De getuige herkende de man op de foto als [bijnaam van verdachte].

Getuige [getuige 4] verklaarde op 6 augustus 2025 dat zij cocaïne van [verdachte], bijgenaamd [bijnaam van verdachte], heeft gekocht. Zij stuurde hem berichten via WhatsApp en korte tijd later leverde [bijnaam van verdachte] de cocaïne dan bij haar af. Als [bijnaam van verdachte] de cocaïne niet kon leveren, kwam [partner van verdachte] het brengen. De getuige kocht één keer per week of om de week een klein zakje cocaïne voor Afl. 25,00 van [bijnaam van verdachte]. Ongeveer vier jaar geleden kocht zij voor het eerst cocaïne van hem, voor het laatst in juni 2025. Zij herkende verdachte op de aan haar getoonde foto als [bijnaam van verdachte].

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht het Gerecht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne. Verdachte heeft bekend dat de cocaïne, die in de woning is aangetroffen, van hem was. De cocaïne was verpakt in kleine gebruikershoeveelheden. Het is aannemelijk dat verdachte gebruik maakte van de aangetroffen zeefjes, weegschalen, lepels en plasticzakjes om de cocaïne voor de verkoop voor te bereiden.

Alle getuigen hebben verdachte op de foto herkend als de man die cocaïne aan hen leverde. Hun verklaringen ten aanzien van de werkwijze zijn gelijkluidend. De getuigen belden verdachte of stuurden hem een WhatsAppbericht met de bestelling. Verdachte leverde vervolgens de cocaïne bij hen thuis af. Soms werd de cocaïne door [partner van verdachte] afgeleverd. Verdachte vroeg Afl. 25,00 voor 0,5 gram cocaïne. De betaling verliep contant of via de bankrekening van [partner van verdachte]. Het Gerecht komt dan ook tot de conclusie dat verdachte en [partner van verdachte] nauw en bewust samen hebben gewerkt en dat de samenwerking in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.

De verklaringen van de getuigen ten aanzien van de betaalwijze vinden steun in het grote aantal bankbiljetten dat in de woning van verdachte is aangetroffen. Het Gerecht gaat ervan uit dat in elk geval de Arubaanse bankbiljetten door de handel in verdovende middelen zijn verkregen.

Bij het bepalen van de pleegperiode zoekt het Gerecht aansluiting bij het standpunt van de officier van justitie. Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt dat verdachte wellicht al in augustus 2020 actief was als drugsdealer, maar het Gerecht zal de pleegperiode ten gunste van de verdachte beperken tot de periode van 1 augustus 2021 tot en met 1 augustus 2025.

5. De bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

dat hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 augustus 2021 tot en met 1 augustus 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of heeft vervoerd en/of in bezit en/of aanwezig heeft gehad;

2.

dat hij op of omstreeks 29 juli 2025 in Aruba, opzettelijk een hoeveelheid hennep heeft ingevoerd;

3.

dat hij op of omstreeks 29 juli 2025 in Aruba opzettelijk MDMA (Xtc-pillen), zijnde MDMA een stof als bedoeld in artikel 1 van de Regeling aanwijzing verdovende middelen IV, heeft ingevoerd;

4.

dat hij op of omstreeks 1 augustus 2025 in Aruba, opzettelijk een hoeveelheid MDMA (kristalachtige substantie), zijnde MDMA een stof als bedoeld in artikel 1 van de Regeling aanwijzing verdovende middelen IV, in bezit en/of aanwezig heeft gehad.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. De kwalificatie en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Ten aanzien van feit 1 :

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder B en C, van de Landsverordening verdovende middelen, strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Landsverordening verdovende middelen;

Ten aanzien van feit 2 :

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, onder A, van de Landsverordening verdovende middelen, strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Landsverordening verdovende middelen;

Ten aanzien van feit 3 :

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A, van de Landsverordening verdovende middelen, strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Landsverordening verdovende middelen;

Ten aanzien van feit 4 :

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder C, van de Landsverordening verdovende middelen, strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Landsverordening verdovende middelen.

De feiten zijn strafbaar.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van vijf jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren passend is bij hetgeen bewezen kan worden geacht.

De beoordeling door het Gerecht

Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het Gerecht heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkopen van cocaïne en het invoeren, het bezitten en aanwezig hebben van hennep, cocaïne en MDMA. Het gebruik van verdovende middelen vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. De handel in verdovende middelen leidt doorgaans tot andere vormen van ernstige criminaliteit en ondermijnt de samenleving. Om die reden dient tegen drugscriminaliteit streng te worden opgetreden.

De persoon van de verdachte

Verdachte heeft medische klachten en is arbeidsongeschikt. Ter terechtzitting heeft hij aangegeven dat hij zelf verslaafd is aan verdovende middelen.

Strafblad

Het gerecht heeft kennis genomen met een uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 20 november 2025.

Oplegging van gevangenisstraf

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is het Gerecht van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het Gerecht heeft bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan de verdachte op te leggen straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting en daarbij gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarom wijkt het Gerecht ten gunste van verdachte af van de eis van de officier van justitie.

Alles afwegende legt het Gerecht aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van vier jaren. De tijd, die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

9. Het beslag

Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:

1. gram hasj en 875 Xtc-pillen;

2. 64,39 gram cocaïne en 54,24 gram marihuana;

3. 2.142,92 Arubaanse Florin, 100,00 Euro en 600,00 Amerikaanse Dollar;

4. twee zeven;

5. twee lepels;

6. een stuk karton met een telefoonnummer;

7. een donkerblauwe zak 'Guess' inhoudende een zwarte weegschaal van het merk

'Pocket Scale';

8. een zwart hoesje inhoudende een zwarte weegschaal van het merk 'Tanita';

9. een doos inhoudende plastic zakjes;

10. een notitieboek;

11. een blauw metalen doos met opschrift 'Silver Patron';

12. een roze en groene metalen doos met opschrift 'Silver Patron' inhoudende drie

plasticzakjes, een notitie bock;

13. een zwarte weegschaal en een metalen lepel;

14. een zwarte portemonnee;

15. en 16. betreft goederen van medeverdachte [medeverdachte];

17. een donkerblauwe mobiele telefoon van het merk Samsung;

18. een zwarte mobiele telefoon van het merk BlackBerry.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven gevorderd dat de goederen, genoemd in de rubrieken 1, 2, 4 en 5, zullen worden onttrokken aan het verkeer. Ten aanzien van de goederen, genoemd in de rubrieken 3, 7, 8, 9, 13 en 17, heeft de officier van justitie gevorderd dat deze verbeurd zullen worden verklaard. De overige goederen mogen terug worden gegeven aan de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het beslag geen verweer gevoerd.

Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht beslist dat de goederen, genoemd in de rubrieken 1 en 2, zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het Gerecht verklaart een deel van het in beslag genomen geld, te weten 2.142,92 Arubaanse Florin, genoemd in rubriek 3, verbeurd en gelast de teruggave van het resterende geld, te weten 100,00 Euro en 600,00 Amerikaanse Dollar, genoemd in rubriek 3.

De goederen, genoemd in de rubrieken 4, 5, 7, 8, 9 en 13, zullen verbeurd worden verklaard.

De goederen, genoemd in de rubrieken 6, 10, 11, 12, 14, 17 en 18, zullen worden teruggegeven aan verdachte.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62, 1:67, 1:68 1:74, 1:75, 1:123 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

DE BESLISSING

Het Gerecht:

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de vier (4) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, genoemd in rubrieken 1 en 2;

verklaart verbeurd een deel van het in beslag genomen geldbedrag, te weten 2.142,92 Arubaanse Florin, genoemd in rubriek 3;

gelast de teruggave van het resterende geldbedrag, te weten 100,00 Euro en 600,00 Amerikaanse Dollar, genoemd in rubriek 3, aan de verdachte dan wel de rechthebbende;

verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, genoemd in rubrieken 4, 5, 7, 8, 9 en 13;

gelast de teruggave van de in rubrieken 6, 10, 11, 12, 14, 17 en 18, aan de verdachte dan wel de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.C. Groenendaal, rechter, bijgestaan door mr. U. Posthumus, zittings- en uitspraakgriffier, en op 19 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.G.C. Groenendaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?