Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], adres [adres].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. D.L. Emerenzia, advocaat in Aruba.
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
De officier van justitie, mr. A.A. Vroombout, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een
Zijn vordering behelst voorts de volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]. De officier van justitie vordert daarnaast de toekenning van de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verplichting tot schadevergoeding dient volgens de officier van justitie hoofdelijk aan verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] te worden opgelegd.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 september 2024 in Aruba openlijk, te weten aan de [locatie], in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen,
te weten [slachtoffer], welk geweld bestond uit
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 22 september 2024 in Aruba openlijk, te weten aan de [locatie], in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen,
te weten [slachtoffer], welk geweld bestond uit
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Weliswaar heeft hij aangeefster geslagen en met kracht de ketting van haar hals gerukt, maar er was geen sprake van (opzet op) samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Het ging om van elkaar onafhankelijke gedragingen. Zodoende is niet voldaan aan het bestandsdeel ‘in vereniging’ van de wettelijke delictsomschrijving van openlijke geweldpleging. Gezien subsidiair noch mishandeling noch diefstal ten laste zijn gelegd moet verdachte worden vrijgesproken.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Juridisch kader
Vooropgesteld moet worden dat voor de bewezenverklaring van openlijke geweldpleging in de zin van artikel 2:82 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat het geweld met verenigde krachten wordt gepleegd en dat de geweldshandelingen enige gevolgen hebben gehad. Daarbij moet worden bewezen dat verdachte opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en dat hij daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Als aan deze vereisten is voldaan, is verdachte strafrechtelijk aansprakelijk voor het in de tenlastelegging vermelde geweld.
Aangifte
Uit de aangifte blijkt dat aangeefster op 22 september om 06:30 uur in de ochtend verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij [winkel] aan de [locatie 1] in [locatie 2] tegenkwam. Aangeefster en [medeverdachte] raakten in afwachting van de bestelling met elkaar in gesprek. Toen aangeefster terugliep naar de auto voelde zij dat verdachte met kracht aan haar gouden halsketting trok. Aangeefster hield de ketting vast en verzette zich tegen de aanval. Verdachte sloeg haar meerdere keren met kracht met gebalde vuisten tegen haar gezicht. [Medeverdachte] voegde zich bij hen. Aangeefster liep terug naar de auto en pakte haar telefoon om verdachte en [medeverdachte] te filmen. [Medeverdachte] probeerde haar te beletten de opnames te maken door de telefoon vast te pakken, maar kon haar er niet van weerhouden. Uit woede gooide hij bierflessen naar aangeefster en haar auto. Daarna vertrokken verdachte en medeverdachte [medeverdachte].
Aangeefster had pijn aan haar rechtervoorhoofd en rechteroog. Twee tanden zaten los. Zij is haar bril kwijtgeraakt en de halsketting was kapot.
Camerabeelden
Het camerasysteem aan de [locatie] heeft beelden van het incident vastgelegd. Op de beelden is te zien dat aangeefster afscheid neemt van [medeverdachte]. Daarna gaat [medeverdachte] in gesprek met verdachte, waarbij hij handgebaren maakt in de richting van aangeefster alsof hij iets spontaan met zijn rechterhand trekt. Verdachte volgt aangeefster en strekt zijn linkerhand uit naar haar nek en trekt haar met kracht naar achteren. Aangeefster zwaait naar achteren en grijpt naar haar nek. Daarna beweegt zij zich in de tegengestelde richting. Vervolgens slaat verdachte haar meerdere malen met zijn gebalde vuisten in haar gezicht. Op de beelden is te zien dat [medeverdachte] naar de mobiele telefoon van aangeefster grijpt en probeert deze uit haar hand te trekken. Kort daarop is te zien dat [medeverdachte] met bierflessen in de richting van aangeefster en haar vriend gooit.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij geweld heeft gebruikt tegen aangeefster. Verdachte heeft verklaard hij erg dronken was. Hij was met [medeverdachte] bij [winkel] om bier te kopen. Daar kwamen zij aangeefster tegen. Aangeefster heeft een opmerking gemaakt, die verdachte kwaad maakte. Verdachte kon zich herinneren dat hij naar haar toe liep en aan haar kleding heeft getrokken. Daardoor viel de ketting op de grond. Na het bekijken van de videobeelden heeft verdachte begrepen dat hij aangeefster ook heeft geslagen.
Conclusie
Naar het oordeel van het Gerecht is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 22 september 2024 samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer]. Het dossier biedt voldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat de verdachte opzet had op het ‘in vereniging’ plegen van het door hem gepleegde geweld. Verdachte heeft nauw en bewust samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte], waarbij verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan de geweldshandelingen, immers is hij, na beraad met [medeverdachte], aangeefster gevolgd en heeft met kracht aan haar ketting getrokken en haar meerdere malen met kracht met gebalde vuisten tegen het gezicht geslagen. [Medeverdachte] heeft aan de geweldshandelingen deelgenomen door naar de mobiele telefoon van aangeefster te grijpen en met bierflessen naar aangeefster haar auto te gooien. Het incident vond aan de openbare weg, dus op een voor het publiek toegankelijke plek, plaats. Ten gevolge van het geweld heeft aangeefster materiële en immateriële schade opgelopen. Het feit kan daarom worden gekwalificeerd als ‘openlijke geweldpleging’.
Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen,
strafbaar gesteld bij artikel 2:82 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straffen en maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het openlijk plegen van geweld tegen [slachtoffer]. Dat verdachte dronken was kan niet dienen als excuus voor de buitensporige agressie. Het slachtoffer heeft zelf geen enkele aanleiding gegeven tot de gewelddadige handelingen. Ter terechtzitting heeft het slachtoffer aangegeven dat de geweldshandelingen pijn en letsel tot gevolg hebben gehad. Het slachtoffer heeft nu te maken met de psychische gevolgen van het incident. Verdachte en zijn medeverdachte hebben ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en op haar veiligheidsgevoel.
Verdachte was ten tijde van het delict [leeftijd] jaar. Zodoende geldt als uitgangspunt dat het jeugdstrafrecht toepassing vindt. Het Gerecht heeft geen reden om hiervan af te wijken.
De verdachte is, zo blijkt uit zijn strafkaart niet eerder veroordeeld voor een misdrijf. Hij is derhalve aan te merken als first offender.
In de jonge leeftijd en de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit strafrechtelijk is veroordeeld ziet het Gerecht aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Het Gerecht is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat de na te noemen straf, conform de eis van de officier van justitie, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Schadevergoeding
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van Afl. 1.000,00. Het bedrag ziet op een bedrag van Afl. 500,00 voor materiële en Afl. 500,00 voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier stelt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het door de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] gepleegde openlijke geweld rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van Afl. 1.000,00, te weten Afl. 500,00 voor materiële en Afl. 500,00 voor immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2024, toewijsbaar is.
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij geheel of gedeeltelijk betaalt, zal de verdachte in zoverre van die betalingsverplichting zijn bevrijd.
Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende jeugddetentie van 20 dagen worden opgelegd, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.
Voorts wordt bepaald dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de mededader aan de benadeelde partij en/of het Land is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen, alsmede dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan het Land en dat betalingen aan het Land in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62, 1:78, 1:157, 1:165, 1:169, 1:170, 1:180, 1:181, 1:182, 1:183, 1:224 en 2:82 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van twee (2) maanden;
bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee (2) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderd (100) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen vervangende jeugddetentie;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade toe tot een bedrag van Afl. 1.000,00 (zegge: duizend Arubaanse Florin), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 september 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Afl. 1.000,00 (zegge: duizend Arubaanse Florin), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2024 tot aan de dag van de voldoening;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;
bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan het Land;
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. W.C.E. Winfield, bijgestaan door mr. U. Posthumus, zittingsgriffier, en op 6 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.