Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A. Kock, advocaat in Aruba.
De officier van justitie, mr. E.D. Schwengle, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) dagen, waarvan zesentwintig (26) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren, met aftrek van voorarrest en met algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd.
Haar vordering behelst voorts de verlenging van de proeftijden die bij de voorwaardelijke straffen zijn opgelegd in de zaken met parketnummers P-2023/00748, P-2023/00794 en P-2024/00819 met één jaar.
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering. Hij was willens om het verschuldigde bedrag aan Avis Car Rental te betalen, maar door omstandigheden is hij tekortgeschoten in de tijdige betaling van de huur.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 17 mei 2025 tot en met 26 mei 2025 in Aruba,
opzettelijk een personenauto van het merk Hyundai, model Grandi i-10, met kenteken [autokenteken], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] en/of Avis car rental, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte van rechthebbende had gehuurd, onder gehoudenheid om, na geld te gaan wisselen, voor vernoemd goed te betalen en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande dat:
hij in of omstreeks de periode van 17 mei 2025 tot en met 26 mei 2025 in Aruba,
opzettelijk een personenauto van het merk Hyundai, model Grandi i-10, met kenteken [autokenteken], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
[aangever] en/of Avis car rental, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte van rechthebbende had gehuurd, onder gehoudenheid om, na geld te gaan wisselen, voor vernoemd goed te betalen en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.
Bewijsoverwegingen
Het Gerecht overweegt als volgt.
Van verduistering is sprake, indien iemand zich opzettelijk een goed dat aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft wederrechtelijk toe-eigent.
Aangifte
Op zaterdag 17 mei 2025 heeft verdachte bij het filiaal van Avis Car Rental Aruba, gevestigd in hotel [hotel locatie], een auto voor één dag gehuurd. Avis stelde hem een grijze Hyundai, model Grandi-i10, voorzien van het kenteken
[autokenteken], ter beschikking. Voor de huur was verdachte een bedrag van $ 32,10 verschuldigd. Omdat er geen wisselgeld aanwezig was kon verdachte niet met het door hem aangeboden biljet van $ 50,00 betalen. Verdachte mocht desondanks met de auto vertrekken, nadat hij beloofd had terug te komen met het passende geldbedrag. Dit heeft hij echter niet gedaan. Hij verscheen ook de daaropvolgende dag, 18 mei 2025, niet om de auto terug te brengen. Avis heeft meerdere pogingen ondernomen om met verdachte in contact te komen. Verdachte reageerde met wisselende verklaringen. Uiteindelijk heeft Avis de auto als vermist opgegeven. De politie heeft de auto op 26 mei 2025 ter hoogte van [locatie 1] in [locatie 2] aangetroffen en in beslag genomen. De auto zat op slot en de kentekenplaten waren verwijderd. De portiergreep aan de bestuurderszijde was vernield en de sticker van Avis was verwijderd.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard hij de auto op 17 mei 2025 voor één dag heeft gehuurd. Vanwege een sollicitatiegesprek had hij vervoer nodig. Na het sollicitatiegesprek hoorde hij dat hij de volgende dag moest beginnen. Op maandag 19 mei 2025 heeft hij Avis een bericht gestuurd dat hij de auto in verband met zijn werk langer wilde huren. Avis stemde hiermee in onder de voorwaarde dat hij langs zou komen om de huur te voldoen. Verdachte mocht het bedrag ook online overmaken. Dat heeft verdachte niet gedaan. In plaats daarvan heeft hij de auto onderverhuurd aan een kennis, die de auto vol zou tanken en met een klein bedrag bij zou dragen aan de huur. Deze kennis zou de auto de volgende dag terugbrengen, maar verdachte heeft hem nooit meer gezien. Ondertussen bleef Avis berichten sturen dat verdachte de huur moest voldoen. Op 26 mei 2025 zag verdachte op weg naar het werk de auto langs de weg staan. De ruiten waren omlaag, de kentekenplaten waren verwijderd en de sleutel zat in het contact. Verdachte heeft de ruiten omhoog gedaan en de auto afgesloten. Hij wilde de auto na het werk ophalen, voltanken en inleveren. Dat bleek niet meer mogelijk te zijn omdat de auto inmiddels door de politie in beslag was genomen.
Conclusie van het Gerecht
In deze zaak staat niet ter discussie dat verdachte de huurauto anders dan door misdrijf onder zich had. Vervolgens is de vraag of verdachte zich de huurauto wederrechtelijk heeft toegeëigend. Van wederrechtelijke toe-eigening is sprake als de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over het goed is gaan beschikken. De enkele omstandigheid dat een verdachte tijdelijk een goed ter beschikking heeft gekregen en dat goed niet of niet op tijd terugbrengt, levert op zichzelf nog geen wederrechtelijke toe-eigening op. Daarvoor is meer nodig. Naar het oordeel van het Gerecht is dat meerdere in deze zaak aanwezig.
Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang.
Verdachte heeft de auto in eerste instantie voor de duur van een dag gehuurd. Hij heeft bij het in gebruik nemen van de auto, op zaterdag 17 mei 2025, niet betaald. Verdachte en het verhuurbedrijf hebben verschillende lezingen over wat daarover was afgesproken, maar vast staat dat verdachte op de dag van het in gebruik nemen van de auto niet heeft betaald. Een dag later, dus de dag waarop de auto teruggebracht had moeten worden, heeft verdachte de auto niet teruggebracht en ook niet betaald. Pas de dag daarop, op maandag 19 mei 2025, heeft verdachte contact gehad met het verhuurbedrijf over een verlenging van de huur. Hem is toen te kennen gegeven dat hij moest betalen, wat verdachte niet heeft gedaan. Verdachte heeft de auto vervolgens niet geretourneerd, maar onderverhuurd aan een bekende van hem. In de huurovereenkomst staat niets over een ‘additional driver’, wat betekent dat verdachte de auto niet door iemand anders mocht laten gebruiken (‘not authorized’). En in plaats van het verhuurbedrijf op de hoogte te houden van de situatie, heeft verdachte het contact ontweken of ontwijkend op vragen geantwoord. Zelfs toen de auto zwaar beschadigd op een verlaten plek door verdachte werd aangetroffen, heeft hij de verhuurmaatschappij niet op de hoogte gesteld. De auto is uiteindelijk niet door verdachte geretourneerd, maar op maandag 26 mei 2025 door de politie aangetroffen. Verdachte beschikte bij zijn aanhouding nog wel over de sleutel van de auto.
Door te handelen zoals hiervoor omschreven, is niet enkel sprake van het te laat terugbrengen van de huurauto, maar heeft verdachte zich als heer en meester over de huurauto gedragen.
Anders dan door de raadsvrouw betoogd acht het Gerecht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
verduistering,
strafbaar gesteld bij artikel 2:298 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verduistering van een personenauto die hij van Avis Car Rental in goed vertrouwen mee heeft gekregen. Hij heeft door zijn handelen overlast bij het verhuurbedrijf veroorzaakt en het vertrouwen geschonden dat het bedrijf mag stellen in personen aan wie een huurauto ter beschikking wordt gesteld.
Het Gerecht houdt bij de strafbepaling rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De verdachte is, zo blijkt uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister, eerder onherroepelijk veroordeeld voor strafbare feiten. Dat heeft verdachte er niet van weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen. Hij heeft het bewezenverklaarde gepleegd terwijl hij in twee proeftijden liep. Gelet hierop en gelet op de ernst van het feit, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.
De deskundige van Stichting Reclassering en Jeugdbescherming Aruba heeft ter terechtzitting gerapporteerd over de persoon van de verdachte. Verdachte heeft te maken met een psychische stoornis en er is sprake van drugsgebruik. Verdachte werd in het kader van een eerdere veroordeling begeleid door de reclassering en behandeld door Respaldo. Verdachte gebruikte psychofarmaca, waarmee hij uit eigen beweging is gestopt gevolgd door een periode van hevig cannabis- en alcoholgebruik. Volgens de reclassering zou verdachte gebaat zijn bij toezicht en hulpverlening. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou hieraan in de weg staan. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven open te staan voor verdere behandeling door Respaldo en zich te willen onthouden van het gebruik van verdovende middelen en alcohol.
Het is belangrijk dat verdachte hulp krijgt bij zijn problematiek. Het Gerecht ziet daarin aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er enerzijds toe om de reclassering in staat te stellen met verdachte te werken aan zijn problematiek en anderzijds om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Het onvoorwaardelijke strafdeel is gelijk aan de duur van het voorarrest.
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf, conform de eis van de officier van justitie, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen
Bij vonnis van 18 april 2024 in de zaak met parketnummer P-2023/00794 en
P-2023/00748 heeft het Gerecht te Aruba de verdachte ter zake van
veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zevenendertig (37) dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee (2) jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bij vonnis van 5 december 2024 in de zaak met parketnummer P-2024/00819 heeft het Gerecht te Aruba de verdachte ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A, van de Landsverordening verdovende middelen, strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening, juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht Aruba veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op drie (3) jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De officier van justitie heeft gevorderd dat het Gerecht zal gelasten dat de bij deze voorwaardelijke straffen opgelegde proeftijd zal worden verlengd met één jaar.
Ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht.
Nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en gezien hetgeen hiervoor in de strafmotivering is overwogen ziet het Gerecht aanleiding om de proeftijd van de voorwaardelijke veroordelingen verlengen met de duur van één jaar.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:22 en 2:298 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de dertig (30) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van deze straf, groot zesentwintig (26) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van drie (3) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat:
- de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering en Jeugdbescherming Aruba, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt;
- de verdachte zich voor de duur van de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaar(s) in overleg met de reclassering wenselijk achten, zal laten behandelen door Respaldo, ook als dit inhoudt dat hij de door Respaldo voorgeschreven medicatie moet innemen;
- de verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van verdovende middelen en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van het Gerecht te Aruba van
18 april 2024 (in de zaak met parketnummers P-2023/00794 en
P-2023/00748) met een termijn van één jaar;
verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van het Gerecht te Aruba van
5 december 2024 (in de zaak met parketnummer P-2024/00819) met een termijn van één jaar.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. I.L. Gerrits, bijgestaan door mw. M.E. Kelly, zittingsgriffier, en op 23 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.