ECLI:NL:OGEAA:2025:383

ECLI:NL:OGEAA:2025:383

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer AUA202501998 EJ
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak

Samenvatting

Arbeid. Onvoldoende gesteld dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Onregelmatig ontslag. De gevorderde schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag wordt afgewezen

Uitspraak

Beschikking van 16 december 2025

Behorend bij AUA202501198 EJ

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

[Verzoekster],

te Aruba,

verzoekster,

hierna te noemen: [verzoekster],

gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee,

tegen:

de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[VERWEERSTER] SPA INSTITUTE V.B.A., h.o.d.n. AMANPURI SPA,

te Aruba,

verweerster,

hierna te noemen: Amanpuri,

gemachtigde: de advocaat mr. V.C. Perše.

1. DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- het verweerschrift met producties;

- de door partijen overgelegde producties;

- de mondelinge behandeling van 4 november 2025.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen [verzoekster], bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en namens Amanpuri haar directeur mevrouw [directeur van Amanpuri], bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Partijen hebben tijdens de zitting het woord gevoerd (Amanpuri mede aan de hand van aan het Gerecht overgelegde spreekaantekeningen) en gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

Naar aanleiding van de behandeling ter zitting hebben partijen getracht om in onderling overleg tot een regeling te komen. De gemachtigde van [verzoekster] heeft het Gerecht telefonisch bericht dat partijen geen regeling hebben bereikt.

Beschikking is vervolgens bepaald op vandaag.

2. DE FEITEN

Verzoekster] is op 1 april 2024 in dienst getreden bij Amanpuri in de functie als receptionist, tegen een loon van Afl. 2.000,- per maand. [Verzoekster] voerde (ook) masseusewerkzaamheden uit.

In de maand juli 2024 hebben partijen afgesproken dat [verzoekster] met ingang van die maand een werkweek zal hebben van drie dagen per week (maandag, woensdag en vrijdag) tegen een loon van Afl. 1.000,- per maand.

Van 16 september 2024 tot 1 oktober 2024 is [verzoekster] op vakantie gegaan.

Op 1 oktober 2024 heeft [verzoekster] aan de directeur van Amanpuri het volgende Whatsappbericht gestuurd:

Buenas tardes [verweerster], me puede indicar mañana en cual spa me toca??.

In reactie op dit bericht heeft Amanpuri per Whatsapp het volgende aan [verzoekster] geschreven:

“Hola Lina por ahora me toca esperar necetio hacer unos cambios vamos a hacer unos cursos para que hagas más tratamientos pero debes esperar que yo llegue”.

Amanpuri heeft [verzoekster] in de maand oktober 2024 vier keer opgeroepen om werkzaamheden voor haar te verrichten.

Eind oktober 2024 heeft Amanpuri een eindafrekening opgemaakt en nog niet genoten vakantiedagen aan [verzoekster] uitbetaald. Sindsdien heeft [verzoekster] geen werkzaamheden meer voor Amanpuri verricht.

Op 2 november 2024 is [verzoekster] in dienst getreden bij een andere werkgever.

Bij brief van 16 april 2025 heeft [verzoekster] de vernietiging van het ontslag ingeroepen wegens het ontbreken van een dringende reden en zich bereid verklaard om haar werk te blijven verrichten. Tevens heeft [verzoekster] Amanpuri verzocht haar (achterstallig) loon door te betalen.

Inmiddels berust [verzoekster] in het ontslag.

3. HET VERZOEK

[Verzoekster] verzoekt het Gerecht - na eiswijziging en naar het Gerecht begrijpt – bij

beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

haar verlof te verlenen kosteloos te procederen;

Amanpuri te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van:

a. Afl. 4.000,- aan twee maanden opzegtermijn, en

b. een billijke vergoeding van Afl. 2.500,-,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025 tot de dag van volledige betaling;

3. met veroordeling van Amanpuri in de kosten van dit geding.

Ter zitting heeft [betrokkene] haar aanvankelijk eveneens ingestelde vordering tot doorbetaling van haar loon, ingetrokken.

Verzoekster] grondt haar hiervoor in 3.1 weergegeven verzoek erop dat geen sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt en dat het ontslag daarom onregelmatig en/of kennelijk onredelijk is.

Amanpuri voert verweer. Zij betwist de vorderingen van [verzoekster] en voert daartoe primair aan dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Subsidiair - indien door het Gerecht wordt geoordeeld dat sprake is van een ontslag op staande voet - stelt Amanpuri dat [verzoekster] de nietigheid van het ontslag op staande voet te laat heeft ingeroepen. Amanpuri concludeert daarom tot afwijzing van alle vorderingen, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten.

4. DE BEOORDELING

Uit het bewijs van onvermogen blijkt dat [verzoekster] de kosten van deze procedure niet kan dragen. Aan [verzoekster] zal daarom verlof worden verleend tot kosteloos procederen.

In geschil is in de eerste plaats wanneer en door wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd. Volgens [verzoekster] is zij op 28 oktober 2024 door Amanpuri op staande voet ontslagen, terwijl Amanpuri stelt dat de arbeidsovereenkomst op 16 september 2024 met wederzijds goedvinden is beëindigd.

Ter onderbouwing van haar stelling dat de arbeidsovereenkomst per 16 september 2024 is beëindigd, heeft Amanpuri het volgende aangevoerd. Volgens Amanpuri heeft [verzoekster] haar verzocht toe te staan dat zij, [verzoekster], van 16 september 2024 tot en met 30 september 2024 vakantieverlof zou opnemen. Dat verzoek heeft zij geweigerd, omdat [verzoekster] nog geen volledig jaar in dienst was en daarom nog geen aanspraak op vakantiedagen had. Amanpuri heeft toen op 15 september 2024 mondeling met [verzoekster] afgesproken dat, indien [verzoekster] toch ervoor kiest om op vakantie te gaan, haar vaste dienstverband bij Amanpuri zal worden beëindigd en dat bij haar terugkeer zou worden bekeken of [verzoekster] op oproepbasis voor Amanpuri zou kunnen werken. Dit wetende heeft [verzoekster] besloten om op vakantie te gaan. Daarmee is het dienstverband met Amanpuri op 16 september 2024 met wederzijds goedvinden beëindigd, aldus Amanpuri.

Verzoekster] heeft betwist dat sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden. Zij heeft niet met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingestemd. Volgens [verzoekster] heeft zij voor twee weken in september 2024 onbetaald verlof gevraagd en is dit door Amanpuri goedgekeurd omdat dit vanwege het low season financieel gunstig voor haar was. Nadat [verzoekster] was teruggekomen van vakantie, heeft zij op 1 oktober 2024 aan Amanpuri een WhatsAppbericht gestuurd met de vraag op welke locatie zij zich moest melden om te werken. Hierop heeft Amanpuri, zo heeft [verzoekster] aangevoerd tijdens de mondelinge behandeling, geantwoord dat [verzoekster] nog niet hoefde te werken omdat zij moest wachten op de terugkeer van de directeur van Amanpuri uit het buitenland. In oktober heeft [verzoekster] een paar dagen werkzaamheden voor Amanpuri verricht, maar eind oktober 2024 heeft Amanpuri aan haar medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst is beëindigd.

In het licht van deze betwisting van [verzoekster], heeft Amanpuri onvoldoende gesteld voor het oordeel dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Dat partijen hebben afgesproken dat het dienstverband van [verzoekster] bij Amanpuri wordt beëindigd indien zij met vakantie gaat, is gemotiveerd door [verzoekster] betwist en is door Amanpuri niet (met concrete, voor bewijs vatbare feiten en/of omstandigheden) onderbouwd. Ook volgt uit het (hiervoor in 2.4 aangehaalde) Whatsappbericht van 1 oktober 2024, in welk bericht [verzoekster] de vraag stelt in welke spa zij moet werken, niet dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] is beëindigd. [Verzoekster] heeft niet, althans onvoldoende weersproken toegelicht dat zij deze vraag stelde omdat Amanpuri twee locaties heeft en zij niet wist op welke locatie zij zich moest melden om haar werkzaamheden te verrichten en ook dat het niet ongebruikelijk was dat zij pas kort voor aanvang van een dienst hoorde waar zij zou moeten werken. Vast staat dat [verzoekster] in oktober 2024 niet volgens haar overeengekomen rooster (van drie dagen in de week) heeft gewerkt, maar slechts “on call” werkzaamheden heeft verricht. [Verzoekster] heeft in dit verband onvoldoende weersproken aangevoerd dat door Amanpuri tegen haar is gezegd dat zij (vanwege doorgevoerde veranderingen) moest wachten met het uitvoeren van werkzaamheden totdat de directeur van Amanpuri terug zou zijn en dat zij daarmee heeft ingestemd omdat zij wel - zoals te doen gebruikelijk - op haar rustdagen on call kon werken. Gelet hierop rechtvaardigen de omstandigheden dat [verzoekster] in oktober niet volgens haar normale rooster heeft gewerkt en heeft ingestemd met verzoeken om massages te verrichten, niet de conclusie dat [verzoekster] akkoord was met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en “haar nieuwe status als oproepkracht”, ook niet in samenhang met de overige omstandigheden van dit geval bezien.

Dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 16 september 2024 met wederzijds goedvinden is beëindigd kan dus niet worden gezegd.

Van een concreet gegeven ontslag op staande voet op 28 oktober 2024 is niet gebleken. [Verzoekster] heeft weliswaar gesteld dat haar die dag door Amanpuri is meegedeeld dat zij niet langer voor Amanpuri werkte, maar dit is door Amanpuri weersproken en door [verzoekster] niet onderbouwd. Wel staat vast dat [verzoekster] eind oktober 2024 een eindafrekening heeft ontvangen, haar vakantiedagen uitbetaald heeft gekregen en sindsdien geen werkzaamheden meer voor Amanpuri heeft verricht. Dit kan niet anders worden begrepen dan dat Amanpuri de arbeidsovereenkomst, die immers - zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen - voortduurde, op dat moment heeft beëindigd.

Dat een dringende reden voor een onverwijlde opzegging bestond is gesteld noch gebleken. Ook is geen toestemming voor een ontslag verkregen. Daarmee heeft Amanpuri de arbeidsovereenkomst onregelmatig opgezegd en heeft [verzoekster] aanspraak op (gefixeerde) schadevergoeding. Nu [verzoekster] schadevergoeding ter hoogte van 2 maanden opzegtermijn vraagt, begrijpt het Gerecht dat zij aanspraak maakt op de gefixeerde schadevergoeding, gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon voor de tijd dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Dat een opzegtermijn van twee maanden geldt, is door Amanpuri niet weersproken. Het (laatst overeengekomen) loon van [verzoekster] bedraagt echter Afl. 1.000,- per maand (en niet Afl. 2.000,- per maand zoals [verzoekster] kennelijk meent). Dit brengt mee dat een bedrag van Afl. 2.000,- aan gefixeerde schadevergoeding toewijsbaar is.

Volgens [verzoekster] is tevens sprake van een kennelijk onredelijk ontslag en daarom vordert zij een billijkheidsvergoeding van Afl. 2.500,-. Op grond van het tot 1 september 2021 geldende artikel 7A:1615s BW kon de rechter ingeval van een kennelijk onredelijk ontslag naar billijkheid een schadevergoeding toekennen. Krachtens het nieuwe recht kan in dat geval een schadevergoeding (wegens wanprestatie/het niet als een goed werkgever handelen) worden toegekend. Een vergoeding naar billijkheid is niet meer aan de orde.

Indien en voor zover wordt aangenomen dat het aan [verzoekster] verleende ontslag kennelijk onredelijk is, volgt daaruit de verplichting van Amanpuri tot vergoeding van de schade. Zoals hiervoor is overwogen, leidt het ontslag tot een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatig ontslag ter hoogte van Alf. 2.000,-. Door [verzoekster] is niet aangevoerd dat haar schade als gevolg van een kennelijk onredelijk ontslag meer bedraagt dan deze schadevergoeding. Dit is ook niet gebleken, te minder nu [verzoekster] al op 2 november 2024 bij een andere werkgever in dienst is getreden. De gevorderde schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, wordt daarom afgewezen.

De door [verzoekster] gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 13 mei 2025, nu van een eerdere ingebrekestelling dan het inleidend verzoek niet is gebleken.

Amanpuri zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verzoekster] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,- aan (aan de griffier van dit Gerecht te betalen) griffierecht pro deo en Afl. 2.500,-aan (niet aan de griffier van dit Gerecht te betalen) salaris voor de gemachtigde pro deo (2 punten, tarief 5).

5. DE BESLISSING

Het Gerecht:

staat [verzoekster] toe kosteloos te procederen;

veroordeelt Amanpuri om aan [verzoekster] te betalen Afl. 2.000,- aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2025;

veroordeelt Amanpuri in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,- aan (aan de griffier van dit Gerecht te betalen) verschotten pro deo en Afl. 2.500,- aan (niet aan de griffier van dit Gerecht te betalen) salaris voor de gemachtigde pro deo;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T.A.M. Tijhuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand