ECLI:NL:OGEAA:2025:388

ECLI:NL:OGEAA:2025:388

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer AUA202503255 EJ
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wordt toegewezen zonder toekenning van een ontbindingsvergoeding. De langdurige (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van werknemer ligt immers niet in de risicosfeer van de werkgever.

Uitspraak

Beschikking van 16 december 2025

Behorend bij AUA202503255 EJ

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

RBC ROYAL BANK (ARUBA) N.V.,

te Aruba,

verzoekster,

hierna ook te noemen: RBC,

gemachtigden: de advocaten mrs. J.J. Steward en M.L.J.J.P. Willems,

tegen:

[Verweerster],

te Aruba,

verweerster,

hierna ook te noemen: [verweerster],

gemachtigde: de advocaat mr. A.E.A. Hernandez.

1. DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 2 oktober 2025;

- het verweerschrift met producties, ingediend op 16 oktober 2025;

- de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 17 oktober 2025.

RBC is ter zitting verschenen bij haar gemachtigde, en [verweerster] is in persoon verschenen bijgestaan door haar gemachtigde en mr. S.O.R.’G. Faarup. Partijen hebben het woord gevoerd, beiden mede aan de hand van de door hen voorgedragen en overgelegde pleitaantekeningen (die van RBC voorzien van één toegelaten nadere productie), en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

RBC heeft voor de zitting nadere producties overgelegd. [Verweerster] heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat deze producties volgens [verweerster] tardief zijn ingediend. De overgelegde producties zijn door de rechter toegelaten, nu [verweerster] tijdens de zitting zelf een beroep op die producties heeft gedaan.

Ter zitting heeft [verweerster] één productie overgelegd, tegen welke RBC zich niet heeft verzet. Die productie is mede daarom toegelaten.

Beschikking is nader bepaald op vandaag.

2. DE FEITEN

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

Verweerster] is op 1 januari 1992 krachtens een daartoe tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst in loondienst getreden van RBC en was laatstelijk werkzaam als “Assistant Branch Manager”.

Op het dienstverband van [verweerster] is de collectieve arbeidsovereenkomst RBC Royal Bank van toepassing (hierna: de cao).

Artikel 8 lid 1 sub 1 van de cao luidt als volgt:

“De Werkgever zal geen Werknemer ontslaan behalve onder de bedingen en in de gevallen als vermeld in artikel 4 van de Landsverordening Beeindiging Arbeidsovereenkomst, (…) luidende als volgt:

1. Het is de Werkgever verboden de arbeidsovereenkomst te beeindigen zonder toestemming van de Direkteur van De directie Arbeid (…).”.

Artikel 8 lid 6 van de cao bepaalt het volgende:

“Met uitzondering van de in artikel 7 lid 5 genoemde proeftijd zal de Werkgever het dienstverband niet opzeggen gedurende de tijd dat de Werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en/of ongeval, tenzij deze toestand 2 jaar onafgebroken heeft geduurd.”.

Artikel 19 lid 1 van de cao bepaalt onder meer het volgende:

“De uitkering van loon ingeval van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval geschiedt volgens de geldende wettelijke regelingen. De in artikel 1614c van B.W. genoemde “betrekkelijk korte tijd” wordt gesteld op 24 maanden. Deze bepaling geldt niet gedurende proeftijd. Bij ontslag na afloop van bedoelde periode van 24 maanden zullen de in artikel 8 lid 5 a en b genoemde opzegtermijnen volledig van toepassing zijn met doorbetaling van het volledig loon.”.

Artikel 19 lid 5 van de cao luidt als volgt:

Een onderbreking van korter dan een maand voor dezelfde oorzaak van de arbeidsongeschiktheid wordt voor de in lid van dit artikel genoemde termijn van 24 maanden niet als een onderbreking aangemerkt.”.

Op 12 november 2020 heeft [verweerster] zich arbeidsongeschikt gemeld bij RBC. Sindsdien kampt [verweerster] met gezondheidsklachten.

Vanaf begin 2024 werkt [verweerster] volledig thuis en heeft zij een werkdag van maximaal 4 uur.

In de verzekeringsgeneeskundig rapportage van [AIOS] (AIOS) en de verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] van 6 mei 2024 staat onder meer het volgende:

“(…) Er is sprake van een logisch samenhangend geheel van stoornis, beperkingen en een verminderde arbeidsbelastbaarheid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek.

Duurbelastbaarheid

Een beperking van de duurbelastbaarheid is conform de betreffende standaard niet aan de orde. Er is immers geen sprake van een aandoening die leidt tot een verminderd basaal energetisch vermogen, er is evenmin sprake van een verminderd beschikbaarheid voor arbeid vanwege tijdnemende therapie en ook is er geen sprake van een preventieve indicatie omdat volledig werken in passend arbeid niet zou leiden tot schade aan de gezondheid. Indien het werk passend is en binnen de beperkingen en mogelijkheden valt is er geen noodzaak voor extra rustperioden tot recuperatie.

(…)

Belastbaarheidsprognose

Er bestaat momenteel een redelijke eindtoestand en op korte termijn (binnen drie maanden) is er geen aanzienlijke verandering in de belastbaarheid te verwachten.

(…).”.

In de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling rapportage van de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] van 7 mei 2024 staat onder meer als volgt:

“(…) Beschouwing

Belanghebbende is een (…) vrouw die ten gevolge van medische klachten sinds enkele jaren aangepast werk verricht. (…). Het werk van Manager Financial Solutions Specialist / Assistant Branch Manager is zowel mentaal als fysiek belastend. Gedurende de dag moet ze voornamelijk zittende statische computerwerkzaamheden verrichten >6uur, staan afgewisseld met lopen >1 uur. Daarnaast werkt ze onder een hoge werkdruk met veel piekbelastingsmomenten en deadlines. Er wordt een grote mate van zelfstandigheid, probleemoplossend vermogen en verdelen van aandacht vereist.

Op grond van de door de verzekeringsarts geduide beperkingen is belanghebbende ongeschikt voor haar functie als ‘Assistant Branch Manager’. De belasting is de eigen functie gaat de belastbaarheid van belanghebbende op de volgende punten ten boven: Zitten, Zitten tijdens het werk en Staan.

Op grond van het voorgaande, de huidige beperkingen die vastgesteld zijn door de verzekeringsarts en het takenpakket van de functie met fysiek belastende eisen, is belanghebbende ongeschikt voor haar functie als ‘Assistant Branch Manager’ in volledige omvang te verrichten.

Conclusie en advies

Belanghebbende is ongeschikt voor haar functie als ‘Manager Financial Solutions Specialist/Assistant Branch Manager

(…).”.

Op 24 oktober 2024 heeft Medwork [verweerster] volledig arbeidsongeschikt verklaard. Het dagrapport van Medwork vermeldt onder meer het volgende:

“(…) Status: AO [verweerster] continuous with locomotive limitation related to her chronic medical condition. She also came with temporary cognitive limitations to work, probably work related. She does not feel fit to continue with her work reintegration process. (…).”.

In het dagrapport van Medwork van 2 december 2024 staat onder meer als volgt:

“(…) Status: AO. Communication between HR and occupational physician is advisable.(…).”.

Sindsdien heeft [verweerster] geen werkzaamheden verricht voor RBC.

In de “Insurance Medical Report” van verzekeringsartsen [verzekeringsarts 2] en [verzekeringsarts 1] van 9 april 2025 staat onder meer als volgt:

“(…)

First and foremost, prolonged static load (such as continuous sitting or standing) and repetitive back strain should be avoided due to the risk of overload. Position changes are crucial: after a maximum of 30 minutes in the same position, movement should be initiated, for example, by walking briefly. (…)

(…)

Although some improvement is reported by the involved party, observed in dynamic actions and static positions, maximum load capacity remains limited. (… ) In summary, the medical situation requires ongoing adjustment of working conditions to prevent further damage, with objective orthopedic limits leading the way regardless of the subjectively experienced disease burden.

Conclusion: The medical findings justify a structural adjustment of work to prevent recurring complaints and further degeneration. Despite subjective claims of full work capacity, the orthopedic diagnosis and limited therapy response indicate that physical restrictions (…) must be strictly adhered to.(…)

(…)the limitations as stated in (…) report dated 06-05-2024, (…), are maintained.

Capacity Prognosis

The expectation is that the medical situation will not significantly improve in the long term.

Consultation

(…)considering the above, that the limitations as stated in (…) report dated 06-05-2024, (…) are still relevant, her AD report dated 07-05-2024, (…) remains unchanged with her conclusion that the involved party is not suitable for her own position.

(…).”.

In de brief van de orthopedisch chirurg van [verweerster], [chirurg], van 13 oktober 2025 staat onder meer het volgende:

“(…) patient known to my office since May 28, 2024 with lumbar degenerative disease (…), bilateral trochanteric bursitis. Exercises and anti-inflammatories were indicated.

(…)

October 13, 2025: She completed her physical therapy and is doing well, pain-free. At work, she needs to use an ergonomic chair, improves posture, loses weight, and continues exercising.

(…)”.

In de brief van de fysiotherapeut van [verweerster], mevrouw [fysiotherapeut]., van 8 oktober 2025 staat onder meer het volgende:

“(…)

Klinische vooruitgang: Gedurende de fysiotherapeutische behandelingen heeft de patiënt een aanmerkelijke voortuitgang laten zien.

Pijn: De pijnintensiteit is afgenomen van een score van 8/10 op de Visueel Analoge Schaal (VAS) naar een score van 2/10.

Bewegingsomvang en Spierkracht: Waar initieel sprake was van een beperkte actieve flexie van de wervelkolom, is de patiënt thans in staat tot een volledige actieve en passieve flexie en extensie.

(…).”.

Gedurende de periode van 12 november 2020 tot en met heden heeft RBC haar loon volledig doorbetaald.

3. HET GESCHIL

RBC verzoekt dat het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de arbeidsovereenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang ontbindt wegens gewichtige redenen, zonder toekenning aan [verweerster] van een ontbindingsvergoeding. Tevens verzoekt RBC om [verweerster] in de proceskosten te veroordelen, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf veertien dagen na de datum van de beschikking.

RBC heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van veranderingen in de omstandigheden door de langdurige (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [verweerster].

Verweerster] voert verweer en verzoekt de vorderingen van RBC af te wijzen, althans een billijke vergoeding toe te kennen indien de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden, met veroordeling van RBC in de kosten van deze procedure.

Voorzover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4. DE BEOORDELING

Voorop wordt gesteld dat tussen partijen van toepassing is de tussen partijen overeengekomen cao, en dat artikel 8 daarvan bepaalt dat RBC bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een werknemer gedurende de tijd dat de werknemer arbeidsongeschikt is toestemming moet vragen van de DAO alvorens zij de arbeidsovereenkomst met de werknemer wil doen beëindigen. Volgens [verweerster] handelt RBC in dit geval in strijd met goedwerkgeverschap door het aanhangig maken van deze ontbindingsprocedure bij het Gerecht zonder voor de beëindiging van het dienstverband van [verweerster] eerst toestemming van de Directeur van de DAO te vragen. Dat door RBC bestreden verweer slaagt niet. Ingevolge artikel 7:685, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) is iedere partij te allen tijde bevoegd zich wegens gewichtige redenen tot de rechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Daar komt nog bij dat RBC onvoldoende bestreden heeft gesteld dat aan haar in redelijkheid niet gevergd kan worden om in overeenstemming met de tussen partijen geldende cao een beslissing van de DAO af te wachten, nu het traject bij de DAO zeer tijdrovend is en zij sinds 2020 het volledige loon aan [verweerster] heeft doorbetaald terwijl [verweerster] nog niet eens de helft van de contractuele arbeidsduur kon werken. Gelet op deze bijzondere omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat RBC in haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] kan worden ontvangen.

De vraag die allereerst ter beantwoording voorligt is of het verzoek tot ontbinding verband houdt met de aanwezigheid van een opzegverbod, zoals door [verweerster] stelt en door RBC betwist.

Verweerster] betwist dat zij sinds 21 december 2021, zoals vermeld in de dagrapporten, onafgebroken arbeidsongeschikt was. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar de door haar overgelegde Excelsheet, waaruit zou blijken dat zij in de periode van 6 december 2022 tot 19 januari 2023 arbeidsgeschikt was. Uit deze Excelsheet, die door RBC gemotiveerd is bestreden, blijkt echter niet dat [verweerster] in de periode van 6 december 2022 tot 19 januari 2023 arbeidsgeschikt was. Zoals RBC ter zitting terecht heeft gesteld, kan het enkele feit dat [verweerster] in die voornoemde periode met vakantie was niet tot de conclusie leiden dat zij in voornoemde periode arbeidsgeschikt was. Dat zij in voornoemde periode arbeidsgeschikt was acht het Gerecht ook niet aannemelijk nu uit het dagrapport van Medwork van 9 december 2022 blijkt dat Medwork heeft besloten om na de vakantie van [verweerster] en dus op het vervolgconsult van 20 januari 2023 de mogelijkheid om [verweerster] arbeidsgeschikt te verklaren te bespreken.

Verder stelt [verweerster] dat zij feitelijk voor een periode van 1 jaar niet arbeidsongeschikt was, maar dat zij door Medwork in opdracht van RBC na oktober 2024 administratief arbeidsongeschikt is gehouden. RBC heeft deze stelling gemotiveerd bestreden en staat daarom niet vast. Het Gerecht ziet in het licht van dat verweer geen grond of aanleiding om bedoelde stelling aannemelijk te oordelen. Wel heeft [verweerster] ter zitting betwist dat zij aan Medwork tijdens het controleconsult van 24 oktober 2024 heeft verklaard dat zij niet door kan gaan met het re-integratieproces, maar aan deze betwisting gaat het Gerecht voorbij. Voldoende concrete, dragende redenen om niet van de juistheid van het dagrapport van 24 oktober 2024 van Medwork uit te gaan, zijn het Gerecht niet gebleken.

Vorenstaande brengt met zich dat het Gerecht uitgaat van de juistheid van de stelling van RBC dat [verweerster] sinds 21 december 2021 (al dan niet gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is. Nu [verweerster] meer dan twee jaar arbeidsongeschikt is, staat het opzegverbod, zoals omschreven in de cao, niet in de weg aan de door RBC beoogde ontbinding, met name niet waar het gaat om het opzegverbod tijdens ziekte.

De vraag die vervolgens voorligt is of sprake is van gewichtige redenen bestaande uit een dringende reden of zodanige veranderingen in de omstandigheden, dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk of op korte termijn behoort te eindigen.

Als gewichtige redenen worden onder meer beschouwd omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BW zouden hebben opgeleverd, alsook veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Als de rechter het verzoek inwilligt wegens veranderingen in de omstandigheden kan – zo dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt – aan een van de partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding toekennen. Een gewichtige reden bestaande uit veranderde omstandigheden ziet behalve op bedrijfseconomische redenen en een verstoorde arbeidsrelatie ook op redenen gelegen in de persoon van de werknemer zoals onder meer regelmatige of langdurige arbeidsongeschiktheid. Het gaat om veranderingen die van zodanige aard zijn dat de dienstbetrekking dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Hierbij is niet van belang af sprake is van enige vorm van verwijtbaarheid aan de zijde van één van de partijen. Beoordeeld moet worden of de omstandigheden sedert het aangaan van de arbeidsovereenkomst zodanig zijn gewijzigd dat sprake is van gewichtige redenen die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen. Hierbij geld dat een medische eindtoestand niet is vereist voor het ontbinden van de arbeidsovereenkomst door het Gerecht. In casu is van belang is de vraag of [verweerster] binnen afzienbare tijd kan terugkeren op het werk voor de voltijdse uitoefening van haar functie.

RBC stelt zich op het standpunt dat sprake is van veranderingen in de omstandigheden die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen. Aan deze stelling legt RBC ten grondslag dat zij zich als goed werkgever heeft ingespannen om [verweerster] zoveel mogelijk binnen haar mogelijkheden aan het werk te houden. Zo zijn er pogingen gedaan om haar arbeidsomvang te vergroten maar zonder succes. In overleg met de bedrijfsarts en [verweerster] zijn haar werkzaamheden en werkplek aangepast en is haar werktijd verminderd tot wat zij aankon. Telkens wanneer [verweerster] de duur van haar werkzaamheden uitbreidde tot meer dan 4 uur per dag, viel zij kort daarop weer uit wegens medische klachten. RBC heeft naast het aanpassen van haar werkzaamheden en werkplek ook onderzoek verricht binnen de organisatie voor een andere passende functie die beter zou aansluiten bij haar beperkte belastbaarheid. Deze zoektocht heeft echter geen geschikte functie opgeleverd, doordat er geen vacatures waren die zouden passen bij de beperkingen van [verweerster]. Verder hebben de verzekeringsartsen in hun rapport van 9 april 2025 geconcludeerd dat de beperkingen die zijn genoemd in het rapport van 6 mei 2024 nog relevant zijn en dat de arbeidsdeskundige bij haar conclusie in haar rapport van 7 mei 2024, dat [verweerster] niet geschikt is voor haar functie van “Assistant Branch Manager”, blijft. Van RBC kan daarom niet gevergd worden om het dienstverband met [verweerster] langer voort te zetten. Nu [verweerster] inmiddels ruim vier jaar voor een groot deel arbeidsongeschikt is, RBC al het mogelijke heeft gedaan om [verweerster] tegemoet te komen en RBC [verweerster] haar loon gedurende deze hele periode volledig heeft uitbetaald, ondanks haar verminderde productiviteit, rest RBC na een uitgebreid traject van re-integratie geen andere optie dan de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden.

Verweerster] heeft betwist dat sprake is van veranderingen in de omstandigheden die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen. Zij ontkent dat er sprake is van langdurige arbeidsongeschiktheid. Verder heeft RBC geen concrete re-integratie inspanningen gedaan. [Verweerster] betwist voorts de rapporten van Medwork. Volgens [verweerster] heeft een verzekeringsgeneeskundig rapport een geldigheidsduur van in principe drie maanden. Nu het verzekeringsgeneeskundig rapport van 6 mei 2024 is, is het sterk verouderd en kan dit niet meer worden gebruikt als onderbouwing van het verzoek. Voor wat betreft het rapport van de arbeidsdeskundige van 7 mei 2024 voert [verweerster] aan dat de in dat rapport genoemde beperkingen, geen belemmeringen vormen voor het verrichten van haar werkzaamheden. Volgens [verweerster] staat het zelf in dat rapport dat [verweerster] met een speciaal bureau gedurende de werkdag afwisselen zittend en staand kon werken. Verder betwist [verweerster] de opmerking in dat rapport dat zij de psychische/mentale belasting niet aan zou kunnen. Ook heeft het verzekeringsrapport van 9 april 2025 volgens [verweerster] geen medische onderbouwing waaruit zou kunnen blijken dat [verweerster] haar functie niet meer kan uitoefenen. Voorts kan de verzekeringsgeneeskundige in dat rapport niet concluderen dat de conclusie van de arbeidsdeskundige van 7 mei 2024 in stand kan blijven, nu de arbeidsdeskundige niet met [verweerster] heeft gesproken. Die conclusie is niet objectief en betrouwbaar, omdat deze is beïnvloed door de belangen van RBC. Ten slotte verwijst [verweerster] naar de door haar overgelegde recente verklaringen van haar behandelende artsen die het tegendeel verklaren, namelijk dat [verweerster] geen beperkingen meer heeft die aan het voltijdse hervatten van haar functie in de weg staan.

Het Gerecht overweegt als volgt, waarbij voorop wordt gesteld dat het Gerecht geen grond of aanleiding ziet voor twijfel aan de deskundigheid en/of betrouwbaarheid van de deskundigen die de door RBC overgelegde rapporten met betrekking tot [verweerster] hebben opgesteld. Het Gerecht twijfelt daarom evenmin aan de betrouwbaarheid en juistheid van de inhoud van die rapporten. Dit temeer omdat [verweerster] de inhoud van die rapporten onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. Het had te dezen op de weg van [verweerster] gelegen om contra-rapportage in het geding te brengen opgesteld door een verzekerings- of bedrijfsarts en een arbeidsdeskundige. Het nalaten daarvan komt en blijft voor rekening en risico van [verweerster].

In het licht van het hiervoor vooropgestelde en in dat van de door RBC overlegde deskundigenrapporten is het voldoende aannemelijk dat het in ieder geval vanaf september 2021, een periode van meer dan 4 jaar dus, niet is gelukt om [verweerster] succesvol te laten re-integreren in haar functie, ondanks meerdere pogingen daartoe. Onder die omstandigheden kon naar het oordeel van het Gerecht van RBC, nadat [verweerster] in oktober 2024 opnieuw volledig arbeidsongeschikt was verklaard, in redelijkheid niet meer worden gevergd om de re-integratie-inspanningen in het werk als “Assistant Branch Manager” nog langer te blijven voortzetten. Immers, niet aannemelijk is dat er na oktober 2024 na de reeks van mislukte re-integratiepogingen nog een reële mogelijkheid was dat [verweerster] haar werkzaamheden in de functie van “Assistant Branch Manager” alsnog duurzaam (voltijds) zou kunnen hervatten. Dat er geen recente arbeidsdeskundige rapportage is, maakt het vorenstaande niet anders. Uit het laatste verzekeringsrapport van 9 april 2025 blijkt immers dat de verzekeringsarts op 7 april 2025 met de arbeidsdeskundige het geval [verweerster] heeft besproken en dat die arbeidsdeskundige te kennen heeft gegeven bij haar conclusie van 7 mei 2024 te blijven. Dat er verklaringen zijn overgelegd van de behandelde specialisten van [verweerster], maakt het vorenstaande evenmin anders. Deze specialisten zijn geen arbeidsdeskundigen, die de medische inzichten van de artsen vertalen naar concrete mogelijkheden op het gebied van werk en inkomen, met als doel de duurzame inzetbaarheid van de werknemer te herstellen.

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het Gerecht sprake van een verandering in de omstandigheden die van dien aard is dat de dienstbetrekking van [verweerster] bij RBC billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Het ontbindingsverzoek van RBC zal daarom toegewezen als na te melden.

Het Gerecht ziet geen aanleiding of grond om aan [verweerster] een laste van RBC komende vergoeding naar billijkheid toe te kennen. De langdurige (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [verweerster] ligt immers niet in de risicosfeer van de RBC als werkgever. Dit geldt temeer nu RBC onvoldoende bestreden heeft gesteld onderzoek te hebben verricht naar de re-integratie mogelijkheden van [verweerster] waarbij gebleken is dat [verweerster] haar werkzaamheden – al dan niet aangepast werk – op korte termijn niet zal kunnen hervatten. Daar komt bij dat RBC vanaf in ieder geval september 2021 tot heden het loon volledig heeft doorbetaald aan [verweerster] en ook de kosten van re-integratie op zich heeft genomen. Dat de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] veroorzaakt is door de arbeidsomstandigheden bij RBC zoals bestreden gesteld door [verweerster], is naar het oordeel van het Gerecht niet aannemelijk gemaakt.

Met betrekking tot gewijzigde omstandigheid op grond waarvan de arbeidsovereenkomst van [verweerster] zal worden ontbonden treft [verweerster] noch RBC enig verwijt. Het Gerecht ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren tussen partijen als na te melden.

5. DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

ontbindt de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst per 15 januari 2026 zonder toekenning aan [verweerster] van een ontbindingsvergoeding;

compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking waar rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.H.M. van de Leur

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand