Uitspraak van 13 januari 2026
BBZ nrs. AUA202403902
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], wonende te Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN, zetelend te Aruba,
de Inspecteur.
1. PROCESVERLOOP
Aan belanghebbende is op 13 februari 2023 een (op 31 januari 2023 gedagtekende) uitnodiging tot betaling uitgereikt met kenmerken 002/2023, strekkende tot betaling van Afl. 51.057,50 aan invoerrechten (hierna: de UTB).
Belanghebbende heeft op 6 maart 2023 bezwaar gemaakt tegen de UTB.
De Inspecteur heeft op 10 oktober 2024 uitspraak op het bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft op 8 november 2024 pro forma beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur, welke hij nader gemotiveerd heeft op 4 december 2024. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.
De Inspecteur heeft op 30 januari 2025 een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2025 te Oranjestad. Belanghebbende is verschenen samen met zijn gemachtigden [A] en mr. [B], verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [C] en [D]. Partijen hebben ter zitting een pleitnota ingebracht en voorgedragen.
2. FEITEN
Belanghebbende heeft de Amerikaanse nationaliteit. Hij woonde in [adres 1] in de staat [plaats 1] (V.S).
Belanghebbende verbleef gedurende de jaren 2017 tot en met 2022 regelmatig op Aruba. In 2022 heeft belanghebbende tot de datum van inschrijving in het Bevolkingsregister van Aruba in totaal 161 dagen op Aruba doorgebracht.
Belanghebbende heeft op 27 april 2022 in [adres 1] (V.S.) een personenauto (pick-up) Chevrolet Silverado (hierna: de auto) aangeschaft.
Belanghebbende heeft op 5 juli 2022 een verzoek bij DIMAS ingediend voor een verblijfsvergunning.
Belanghebbende heeft op 20 december 2022 (onder meer) voor de auto een verzoek ingediend om vrijstelling van invoerrechten op grond van artikel 128, eerste lid, sub 8, onderdeel d, van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer (LIUD), de zogenoemde verhuisboedelvrijstelling.
De vrijstelling werd verleend onder de voorwaarde dat de kilometerstand zou aantonen dat de auto door belanghebbende in zijn vroegere normale verblijfplaats in gebruik was, voordat deze naar Aruba werd overgebracht.
Redengevende voor de UTB is:
“(…) Bij nacontrole van de bevindingen van de Douane bij de vrijmaking van uw personenauto van het merk Chevrolet Silverado, zwart van kleur en met vin: [“0000”] is gebleken dat u over een periode van zes maanden slechts 1881 miles met uw auto heeft gereden alvorens deze over te brengen naar Aruba. Van gebruik in de zin van de wet kan hierdoor geen sprake zijn. Tevens blijkt uit uw paspoort dat u gedurende deze zes maanden veel reisde tussen Aruba en de Verenigde Staten. U heeft hierdoor onterecht vrijstelling van invoerrechten gekregen bij de invoer van uw personenauto. (…)”
3. GESCHIL
In geschil is of de UTB terecht is opgelegd.
4. OVERWEGINGEN
Op grond van artikel 128, aanhef en eerste lid, sub 8, onderdeel d, van de LIUD geldt bij invoer een vrijstelling voor verhuisboedels, voor zover zij uit gebruikte goederen bestaan die uitsluitend bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik. In het Vrijstellingenbesluit zijn nadere regels opgenomen voor de toepassing van de vrijstellingen van artikel 128 LIUD.
Artikel 128, zevende lid LIUD geeft de mogelijkheid om met betrekking tot de toepassing van de vrijstelling bij landsbesluit de nodige voorschriften hieromtrent vast te stellen. In het Vrijstellingenbesluit (AB 1989, no. GT 55, laatst gewijzigd bij landsbesluit van 1 november 2006, AB 2006, no 61) (hierna: het vrijstellingenbesluit) zijn de voorschriften ter uitvoering van de vrijstellingsbepalingen opgenomen.
Artikel 7 van het vrijstellingenbesluit luidt – voor zover van belang – als volgt:
1. Voor de toepassing van artikel 128, eerste lid, ten 8⁰, letter d, wordt onder verhuisboedel verstaan gebruikte goederen voor zover het betreft persoonlijke goederen die:
a. dienen voor het persoonlijke gebruik van de belanghebbende of voor de behoeften van zijn huishouden en die door de belanghebbende in zijn vroegere normale verblijfplaats zijn gebruikt,
b. bestemd zijn voor hetzelfde doel te worden gebruikt in zijn nieuwe normale verblijfplaats, en
c. buiten Aruba in gebruik waren, overeenkomstig de in dat land geldende voorwaarden, behoudens in door omstandigheden gerechtvaardigde gevallen.
2. Onverminderd het eerste lid, geldt voor motorvoertuigen, sportvliegtuigen en pleziervaartuigen dat deze goederen, behoudens in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, ten minste zes maanden vóór de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het buitenland heeft opgegeven, in bezit en eigendom zijn geweest en in zijn vroegere normale verblijfplaats zijn gebruikt.
Tussen partijen is niet in geschil is dat de personenauto tot de verhuisboedel van belanghebbende behoort en dat aan de zes maanden ‘bezits- en de eigendomseis’ van artikel 7, tweede lid van het Vrijstellingenbesluit wordt voldaan. Partijen houdt verdeeld de vraag of aan de ‘gebruikseis’ van artikel 7, tweede lid van het Vrijstellingenbesluit wordt voldaan.
De Inspecteur stelt dat belanghebbende niet voldoet aan de ‘gebruikseis’. Belanghebbende verbleef naar eigen zeggen zo’n 40% van het jaar 2022 (naar het Gerecht begrijpt tot aan zijn inschrijving in het bevolkingsregister van Aruba in november 2022) niet in zijn voormalige woonplaats. In een periode van 4,8 maanden vanaf de aanschaf van zijn nieuwe auto heeft belanghebbende 1.881 mijlen, omgerekend 3.027 kilometer, gereden. Uit gegevens van het [“openbare verkeersstatistieken”] blijkt dat een mannelijke bestuurder uit de leeftijdsgroep van belanghebbende gemiddeld 28.929 kilometer per jaar aflegt. De Inspecteur concludeert dat auto niet is aangeschaft om te voldoen aan de regelmatige vervoersbehoefte van belanghebbende in zijn voormalige woonplaats, maar in het kader van de voorbereiding op zijn verhuizing naar Aruba. De verhuisboedelvrijstelling is daarom niet van toepassing, aldus de Inspecteur.
Belanghebbende heeft ter verklaring van de lage mijlen-/kilometerstand van de auto op het moment van invoer aangevoerd dat hij voorafgaand aan het moment waarop hij zijn normale verblijfplaats van [adres 1] (V.S.) naar Aruba heeft verplaatst vanuit huis werkte en reeds voor langere periodes in Aruba verbleef. In de periode van 4,8 maanden (144 dagen) dat hij in het jaar 2022 in [adres 1] (V.S.) verbleef, heeft hij met zijn nieuwe auto 3.027 kilometer gereden. Dat komt neer op een gemiddelde van ruim 20 kilometer per dag. Dat zijn mobiliteitsbehoefte nou eenmaal gering was blijkt volgens belanghebbende ook uit de ‘mijlen-stand’ van zijn vorige auto, een Mercedes C 300. Hij verwijst in dit kader naar twee facturen van de laatste onderhoudsbeurten (38.371 mijlen op datum onderhoudsbeurt 14 juli 2020 en 46.504 mijlen op datum onderhoudsbeurt 28 september 2021).
Het Gerecht stelt voorop dat de verhuisboedelvrijstelling een uitzondering vormt op de regel dat bij de invoer van goederen invoerrechten worden geheven zodat de betreffende bepalingen beperkt moeten worden uitgelegd.
De bewijslast dat aan de voorwaarden voor de verhuisboedelvrijstelling is voldaan rust op belanghebbende. In het onderhavige geval gaat het om de voorwaarde dat de auto ten minste zes maanden vóór de datum waarop belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het buitenland heeft opgegeven in zijn vroegere normale verblijfplaats is gebruikt. Van ‘gebruik’ in deze zin kan slechts worden gesproken indien een belastingplichtige, ter bevrediging van zijn behoefte aan een auto, gedurende de voorgeschreven periode van zes maanden zich bij voortduring of herhaling van de auto heeft bediend (vgl. RBB 2 maart 1992, nr. 1991/16). Anders dan belanghebbende stelt is de subjectieve vervoersbehoefte van belanghebbende bij de ‘gebruikstoets’ niet van belang. De lijn in de jurisprudentie is dat een beperkt aantal gereden kilometers, die niet strookt met een normaal gebruik, in de weg staat van de toepassing van de vrijstelling.
Het Gerecht overweegt als volgt. Belanghebbende heeft op 27 april 2022 de auto (nieuw) aangeschaft. Belanghebbende heeft ter zitting (onbetwist) verklaard dat hij in november 2022 zijn normale verblijfplaats van [adres 1] (V.S.) naar Aruba heeft verplaatst. Dat is ongeveer zeven maanden na aanschaf van de auto. Verder heeft belanghebbende verklaard dat hij in het jaar 2022 tot aan zijn inschrijving in het bevolkingsregister van Aruba – naar het Gerecht begrijpt is dat in november 2022 – 161 dagen (omgerekend ongeveer vijf maanden) op Aruba heeft doorgebracht. Het Gerecht is van oordeel dat daarmee niet kan worden gezegd dat belanghebbende de auto ten minste zes maanden in het buitenland ([adres 1] V.S.) heeft gebruikt.
Bovendien ligt aan de ‘zesmaandeneis’ ten grondslag dat geen vrijstelling van invoerrechten wordt verleend voor een auto die met het oog op de overbrenging van het hoofdverblijf is aangeschaft (zie ook onderdeel 5.8 van de conclusie van de PG bij de Hoge Raad ECLI:NL:PHR:2017:1350). Belanghebbende heeft de onderhavige auto (nieuw) aangeschaft en ruim twee maanden later een verzoek bij DIMAS ingediend voor een verblijfsvergunning. Belanghebbende verbleef reeds gedurende meerdere jaren in verband met werkzaamheden (verhuur timeshare) voor langere periodes op Aruba. Aan voornoemde omstandigheden in samenhang bezien ontleent het Gerecht met de Inspecteur het vermoeden dat de auto met het oog op de overbrenging van het hoofdverblijf is aangeschaft.
Gelet op het voorgaande is de UTB terecht opgelegd. Het beroep is ongegrond.
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.
6. DE BESLISSING
Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en is uitgesproken op 13 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Afl. 75
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300