GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[Appellante],
DE MINISTER, BELAST MET VREEMDELINGEN- EN INTEGRATIEBELEID,
Uitspraak van 30 maart 2026
Lar nr. AUA202404301
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
van Colombiaanse nationaliteit,
APPELLANTE,
gemachtigde: de advocaat mr. V.A.V. Carlo,
gericht tegen:
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. G.M.N. Maduro (DIMAS).
PROCESVERLOOP
Bij beslissing op bezwaar van 18 november 2024 (de bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaarschrift van appellante, gericht tegen de beschikking van 7 maart 2023, waarbij de vergunning tot tijdelijk verblijf van 24 oktober 2022 van appellante gedeeltelijk is ingetrokken, ongegrond verklaard.
Hiertegen heeft appellante op 6 december 2024 een beroepschrift ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 4 februari 2026. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die ter zitting de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
De uitspraak is nader bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
De feiten
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats], en van [nationaliteit] nationaliteit, was in het bezit van meerdere vergunningen tot tijdelijk verblijf om als inwonende dienstbode werkzaam te zijn bij mr. V.A.V. Carlo.
Op 24 oktober 2022 is aan appellante een vergunning tot tijdelijk verblijf verleend, met een geldigheidsduur van 1 oktober 2022 tot 1 oktober 2023. In deze vergunning is – voor zover hier van belang – als voorwaarde opgenomen dat appellante uitsluitend werkzaam zal zijn als hulp in de huishouding, in dienst bij en onder garantie van mr V.A.V. Carlo, en dat zij geen andere werkzaamheden mag verrichten.
Op 17 januari 2023 om 13.30 uur hebben toezichthouders van Directie Arbeid en Onderzoek toezicht gehouden bij The White Rock Village Bar VBA. In de toezichtrapportage van diezelfde datum staat dat één beboetbaar feit is geconstateerd. Daarnaast is het volgende overzicht opgenomen:
CRV-nummer (indien bekend)
Naam toelatingsplichtige
Geboorte-datum
Geboorte-plaats
Functie
Waargenomen
functie
Natio-naliteit
Overtreding
5002007122/5
[Appellante]
[geboortedatum]
[geboorteplaats]
Inwonende dienstbode
Keuken
personeel
[nationaliteit]
Artikel 23,
lid 4
Bij brief van 6 februari 2023 is The White Rock Village Bar VBA ervan in kennis gesteld dat verweerder voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, omdat het bedrijf heeft gehandeld in strijd met artikel 23 van de Ltu. In deze kennisgeving staat – voor zover hier van belang – het volgende:
“(…)
Op 17 januari 2023 omstreeks 13.30 uur tijdens een controle door Bureau Arbeidsinspectie werd bij uw bedrijf “The White Rock Village Bar” gelegen te [adres], de hieronder genoemde persoon werkzaam aangetroffen.
1. [Appellante] geboren op 13 april 1991 in [geboorteplaats] met de [nationaliteit] nationaliteit. Betrokkene werd werkzaam aangetroffen als personeel in de keukenafdeling. Bij het raadplegen in het Vreemdelingenregistratie systeem van de DIMAS is te constateren dat betrokkene in het bezit is van een vergunning voor huishoudelijk personeel als inwonende dienstbode, werkzaam en inwonend bij het adres Caya Frere Vincentius 30A, onder garantie voor een andere werkgever.
(…)”.
Bij beschikking van 27 februari 2023 heeft verweerder aan The White Rock Village Bar VBA een administratieve boete opgelegd.
Bij brief van 6 februari 2023 is appellante ervan in kennis gesteld dat verweerder voornemens is haar vergunning tot tijdelijk verblijf van 24 oktober 2022 in te trekken. Appellante heeft op 16 februari 2023 haar zienswijze op dit voornemen per e-mail ingediend.
Bij beschikking van 7 maart 2023 heeft verweerder die vergunning gedeeltelijk ingetrokken, omdat appellante op 17 januari 2023 werkend is aangetroffen bij The White Rock Village Bar VBA als personeel in de keukenafdeling. Daarin staat voorts – voor zover hier van belang – het volgende:
“(…)
We hebben uw zienswijze via e-mail ontvangen op 16 februari 2023 en is dezerzijds in acht genomen en hebben geleid tot het volgende beslissing i.v.m. het werkgeversverklaring rapport zijn er geen geldige redenen aanwezig om DIMAS haar voorgenomen besluit tot intrekking te doen wijzigen. En middels deze informeren wij u, dat wij hebben besloten om de verleende tijdelijke vergunning afgegeven op 24 oktober 2022 gedeeltelijk in te trekken. De geldigheidsduur van uw vergunning wordt van 1-10-2022 tot 17-01-2023.
(…).
Tegen de beschikking van 7 maart 2023 heeft appellante op 20 maart 2023 bezwaar ingesteld.
Bij de bestreden beslissing heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing is het onderhavige beroep gericht.
Wat zijn de standpunten van partijen?
Appellante betwist dat zij op 17 januari 2023 omstreeks 13.30 uur werkzaam was bij The White Rock Village Bar VBA. Zij bevond zich op dat tijdstip thuis, in aanwezigheid van haar drie minderjarige kinderen en haar moeder. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een schriftelijke verklaring van haar moeder overgelegd, waarin het voorgaande wordt bevestigd.
Voorts stelt appellante dat zij, ondanks de gedeeltelijke intrekking van de vergunning en het feit dat haar nadien andere vergunningen tot tijdelijk verblijf zijn verleend, belang heeft bij het onderhavige beroep. Zij vreest dat de gedeeltelijke intrekking gevolgen kan hebben voor haar verblijfsrecht, in die zin dat een verblijfsgat kan ontstaan.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit een op ambtseed opgemaakt rapport van toezichthouders van de Inspectie Arbeid is gebleken dat appellante op 17 januari 2023 in strijd heeft gehandeld met de aan haar vergunning verbonden voorwaarden, nu zij werkend is aangetroffen bij The White Rock Village Bar VBA als keukenpersoneel. Verweerder meent derhalve dat deze vergunning terecht gedeeltelijk is ingetrokken.
Het toepasselijke wettelijke kader
3. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f van de Ltu kan door of namens de minister belast met vreemdelingenzaken, bij een met redenen omklede beslissing, de vergunning tot tijdelijk verblijf en tot verblijf worden ingetrokken indien betrokkene niet voldoet aan of in strijd handelt met één of meer van de aan zijn vergunning tot verblijf verbonden voorwaarden.
De beoordeling
Het gerecht stelt voorop dat aan een door de Inspectie Arbeid opgemaakt rapport in beginsel doorslaggevende bewijskracht toekomt, nu dit is opgesteld door een toezichthouder in de uitoefening van diens wettelijke taak. Uit dit rapport blijkt dat tijdens een controle op 17 januari 2023 omstreeks 13.30 uur appellante, zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning, werkzaam was als keukenpersoneel (zie 1.3).
Het gerecht ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze vaststelling onjuist is of onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij acht het gerecht van belang dat naar aanleiding van dezelfde controle aan het bedrijf waar appellante is aangetroffen een administratieve boete is opgelegd (zie 1.4). Aan deze boeteoplegging is een kennisgeving voorafgegaan, waarin het bedrijf in de gelegenheid is gesteld te reageren op de vastgestelde feiten. Uit de stukken blijkt niet dat het bedrijf in dat kader heeft gesteld dat sprake is van onjuiste of onvolledige gegevens, noch dat het heeft betwist dat appellante bij de controle als keukenhulp werkzaam is aangetroffen.
Tegen deze achtergrond acht het gerecht de toezichtrapportage voldoende betrouwbaar. De door appellante overgelegde verklaring van haar moeder, inhoudende dat appellante op het genoemde tijdstip niet werkzaam was, is afkomstig van een direct familielid en wordt niet ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. Deze verklaring is onvoldoende om twijfel te doen ontstaan aan de juistheid van de toezichtrapportage.
Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat appellante in strijd met de aan haar verleende vergunning tot verblijf werkzaamheden heeft verricht en was bevoegd de vergunning gedeeltelijk in te trekken.
Het beroep is ongegrond.
DE BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.