Parketnummer: P-2025/00287
Zaaknummer: 266 van 2025
Uitspraak van: 9 april 2026
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres],
hierna: de verdachte.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2026.
Het Gerecht heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. P.A.J. van der Biezen, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. P.M.E. Mohamed, advocaat in Aruba, naar voren hebben gebracht.
Het Gerecht heeft tevens kennisgenomen van de vordering van de eveneens ter terechtzitting verschenen benadeelde partij, A.J. Boezem, bijgestaan door haar vertegenwoordiger mr. R.LF. Dijkhof.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte zijn de feiten ten laste gelegd die zijn vermeld op de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht.
3. Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Inleiding
Op 6 februari 2025 komt een melding binnen bij de Centrale Meldkamer van de van de politie, ter zake van een ontucht. In haar aangifte verklaart de aangeefster dat zij thuis lag in de woonkamer op het sofabed lag te slapen en ontwaakt werd doordat verdachte, de partner van haar moeder, haar (boven het laken waaronder zij sliep) aan het betasten was aan haar benen in de omgeving van haar geslachtsdeel. Verdachte was gelijktijdig aan het masturberen. Vervolgens voelde aangeefster hoe verdachte is klaargekomen op het sofabed waarop zij lag te slapen. Zij heeft vastgesteld dat het laken dat op het sofabed lag nog nat was.
De verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, en heeft daartoe gewezen op de aangifte van de aangeefster, het proces-verbaal van bevindingen en de getuigenverklaring als steunbewijs. De verdachte dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot het niet ontvankelijk verklaren van de vordering van de benadeelde partij.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – conform zijn ter terechtzitting overhandigde pleitnotities - vrijspraak bepleit van hetgeen ten laste is gelegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat bewijs ontbreekt dat verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd. Volgens de raadsman worden de verklaring van aangever -kort samengevat- niet onderbouwd door de bewijsmiddelen.
Het oordeel van het Gerecht
Het gerecht acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Het gerecht overweegt hiertoe als volgt.
Van het sofabed zijn monsters genomen. Die monsters, alsmede het inbeslaggenomen beddengoed dat zich op het sofabed bevond, zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht op de aanwezigheid van spermavloeistof en spermacellen. Geen van beide zijn door het NFI aangetroffen. Het gerecht stelt verder vast dat aangeefster omtrent de aanraking door de verdachte aan haar benen weinig gedetailleerd heeft verklaard. Zij maakt slechts melding van aanraking in de omgeving van haar geslachtsdeel, welke aanraking, zo begrijpt het gerecht boven het laken waaronder zij lag te slapen, zou hebben plaatsgevonden. Het ontuchtige karakter van die aanraking wordt in het licht van haar verklaringen vooral gekleurd door de omstandigheid dat de verdachte zich daarbij zou hebben afgetrokken en zou zijn klaargekomen op (de lakens van) het sofabed. Dit laatste vormt daarom een wezenlijk onderdeel van de aangifte. Nu de stellige verklaring van aangeefster op dit punt niet kon worden bevestigd door het onderzoek van het NFI, doet dit ernstig afbreuk aan de bewijskracht van de verklaring van aangeefster. Het Gerecht heeft daardoor niet de overtuiging verkregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken.
5. De vordering van de benadeelde partij
Nu de verdachte van het tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, dient de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan deze vordering uitsluitend bij de burgerlijke rechter aanhangig maken.
Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, bestaat er geen rechtsgrond voor veroordeling van de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten. De benadeelde partij zal worden veroordeeld in de kosten door de verdachte te zijner verdediging tegen de vordering gemaakt. Door of namens de verdachte is niet naar voren gebracht dat zulke kosten zijn gemaakt, zodat die kosten dienen te worden begroot op nihil.
6. Voorlopige hechtenis
De ten aanzien van verdachte (geschorste) bevolen voorlopige hechtenis zal, gelet op het vorenstaande, worden opgeheven.
DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.C.E. Winfield, rechter, bijgestaan door Y.G. Wilsoe, (zittingsgriffier), en op 9 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht.