GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Appellant],
wonende in Aruba,
APPELLANT,
procederend in persoon,
gericht tegen:
DE VOORZITTER VAN DE BEOORDELINGSCOMMISSIE VUT,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. T. Loopstok (DWJZ).
INLEIDING
Bij beslissing op bezwaar van 16 juni 2025 (bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar van appellant, gericht tegen de beschikking van 5 december 2024 waarbij het verzoek om vrijwillig uit dienst te treden is afgewezen, ongegrond verklaard.
Hiertegen heeft appellant op 10 september 2025 beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 5 november 2025 een verweerschrift ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 18 februari 2026. Appellant is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De uitspraak is bij vervroeging bepaald op vandaag.
OVERWEGINGEN
De ontvankelijkheid
Ingevolgde artikel 27, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken en gaat deze in op de dag na die waarop de beslissing op het bezwaarschrift is gedagtekend.
Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Lar wordt een beroepschrift nietontvankelijk verklaard indien het is ingediend voordat de termijn is ingegaan of nadat de termijn is verstreken. Ingevolge het derde lid blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.
2. De in beroep bestreden beschikking is gedagtekend 16 juni 2025. Uit de door verweerder overgelegde emailcorrespondentie blijkt dat de bestreden beschikking op die datum naar appellant is verzonden. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat de beroepstermijn is aangevangen op 17 juni 2025 en geëindigd op maandag 28 juli 2025. Het beroepschrift van appellant is op 10 september 2025 en derhalve buiten deze termijn ingediend.
3. Appellant is bij e-mail van 17 februari 2026 door dit gerecht in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat hij het beroepschrift zo spoedig als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd heeft ingediend, zoals bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Lar. Hij heeft niet op deze e-mail gereageerd. Ter zitting heeft hij te kennen gegeven dat hij niet eerder beroep heeft ingesteld, omdat zijn echtgenote is overleden. Door dit overlijden verkeerde hij in een emotioneel zware periode en kon hij naar eigen zeggen niet helder denken, waardoor het hem niet is gelukt binnen de wettelijke termijn beroep in te stellen.
4. Het gerecht stelt vast dat appellant op 16 juni 2025 kennis heeft kunnen nemen van de bestreden beslissing en derhalve de volledige beroepstermijn van zes weken ter beschikking heeft gehad om een beroepschrift in te dienen. Appellant heeft het beroepschrift evenwel eerst ruim zes weken na het verstrijken van voornoemde termijn ingediend.
De door appellant aangevoerde omstandigheden – hoe ingrijpend en begrijpelijk ook – maken op zichzelf niet aannemelijk dat hij gedurende de gehele beroepstermijn feitelijk niet in staat is geweest om tijdig een beroepschrift in te dienen. Niet is gebleken van zodanige belemmeringen dat van appellant redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij binnen de termijn – desnoods in de vorm van een pro forma beroepschrift – zijn rechtsmiddel aanwendde. Het gerecht neemt hierbij in aanmerking dat appellant de mogelijkheid had om hulp in te schakelen of een gemachtigde aan te wijzen voor de indiening van een (pro forma) beroepschrift. Gesteld noch gebleken is dat hij daartoe stappen heeft ondernomen.
Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.
5. De slotsom is dat appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.