GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
PROCES-VERBAAL VAN DE MONDELINGE UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 54 van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Verzoekster],
verblijvend in Aruba,
VERZOEKSTER,
gemachtigde: de advocaat mr. J.J.C. Odor,
gericht tegen:
DE MINISTER BELAST MET VREEMDELINGEN- EN INTEGRATIEBELEID,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. J. Paula (DIMAS).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist het gerecht op het verzoek van verzoekster, strekkende tot het schorsen van de bestreden beschikking en het treffen van een voorlopige voorziening.
Bij beschikking van 5 november 2025 (de bestreden beschikking) heeft verweerder het verzoek van verzoekster om een vergunning tot tijdelijk verblijf om in Aruba te verblijven en alhier werkzaam te zijn, afgewezen.
Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft op 24 november 2025 onderhavig verzoek bij dit gerecht ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 28 januari 2026, alwaar verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar voornoemde gemachtigde, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.
De uitspraak is terstond mondeling gedaan en wordt bij deze op papier gesteld.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
Deze zaak gaat over de vraag, of de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beschikking voor verzoekster zodanig onevenredig nadeel met zich brengt, dat deze beschikking dient te worden geschorst, dan wel een voorlopige voorziening dient te worden getroffen.
Bij de beantwoording van deze vraag, zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
De relevante feiten en omstandigheden
Verzoekster, geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats] en van [nationaliteit 1] nationaliteit, is op 13 juli 2018 in Venezuela getrouwd met [echtgenoot van verzoekster], van [nationaliteit 2] nationaliteit.
Verzoekster is op 14 juli 2018 naar Aruba gekomen. Vanaf 30 januari 2020 staat zij in het Bevolkingsregister ingeschreven als inwonend bij haar echtgenoot.
Aan verzoekster is een eerste vergunning tot tijdelijk verblijf verleend met als verblijfsdoel gezin, geldig vanaf 11 juni 2019 tot 11 juni 2020 (vtv-5), onder de voorwaarde dat zij gedurende de geldigheidsperiode van de vergunning moet zijn gehuwd met en inwonend bij haar echtgenoot. Hierna is aan verzoekster, onder dezelfde voorwaarden, een vergunning tot tijdelijk verblijf (vtv-6) verleend, geldig vanaf 17 september 2020 tot 17 september 2021.
Verweerder heeft op 18 november 2021 aan verzoekster een schriftelijke verklaring afgegeven, waarin verweerder verklaart dat verzoekster van rechtswege verblijf in Aruba heeft op grond van haar huwelijk met [echtgenoot van verzoekster]. Deze verklaring was geldig voor de tijd dat verzoekster gehuwd was met en inwonend was bij haar echtgenoot.
Verzoekster is vanaf januari 2024 geregistreerd als client bij de Fundacion Contra Violencia Relacional (FCVR). Verzoekster heeft tot 23 april 2024 op het adres waar ook haar echtgenoot ingeschreven staat, ingeschreven gestaan.
Verzoekster heeft laatstelijk een vergunning tot tijdelijk verblijf aangevraagd. Bij de bestreden beschikking is de aanvraag afgewezen. In de bestreden beschikking staat – voor zover hier van belang- het volgende:
“(…) Beslissing: de aanvraag is afgewezen.
(…) Conform de geldende beleidsinstructies dient een aanvrager ten minste 60 maanden aantoonbaar legaal verblijf te hebben. Uit controle is gebleken dat u momenteel beschikt over 55 maanden.
Vtv-5 geldig van 11-06-2019 tot 11-06-2020 (1 jr)
Vtv-6 geldig van 17-09-2020 tot 17-09-2021 (1 jr)
Vtv-7 geldig van 17-11-2021 tot 23-04-2024 (2 jr 5 maanden, niet meer samenwonend)
Met een totaal van 55 maanden.
(…)
Dit vormt een afwijking van de voorwaarde verbonden aan de vergunning, waarin is vastgelegd dat de verklaring vervalt indien betrokkene niet meer samenwoont met de echtgenoot (…).
Conform artikel 9, lid 1 onder h van de Ltu kan een verzoek tot verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf worden geweigerd indien de toelatingsplichtige niet voldoet aan één of meer van de aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften, dan wel handelt in strijd met de bepalingen van of krachtens deze landsverordening.
Uw verzoek wordt afgewezen en u dient een nieuwe aanvraag in te dienen voor een verblijf en werkvergunning. (…)”.
Wat vindt verzoekster?
4. Verzoekster is het niet eens met de afwijzende beschikking en heeft zich op het standpunt gesteld, dat zij wel degelijk 60 maanden legaal verblijf heeft gehad en daarom in aanmerking komt voor een toelatingsvergunning Hunto Pa Progreso-Spoor, Flex 3 (Pre-onbepaalde tijd). Volgens verzoekster was zij vanaf 14 juli 2018, toen ze als getrouwde vrouw naar Aruba kwam, van rechtswege toegelaten op grond van het toen geldende artikel 3, eerste lid en onder onderdeel 9 van de Ltu. Gelet hierop had zij op 23 april 2024, toen zij niet meer inwonend was bij haar echtgenoot, meer dan 60 maanden legaal verblijf in Aruba.
Wat zegt verweerder?
5. Verweerder heeft ter zitting betoogd, dat verzoekster pas vanaf 30 januari 2020 in het Bevolkingsregister is ingeschreven en dat zij vanaf 11 juni 2019 een eerste vergunning heeft gekregen. Omdat zij vanaf 23 april 2024 niet meer bij haar echtgenoot inwoont, is de toelating van rechtswege op die datum komen te vervallen. Zij had dus vanaf 11 juni 2019 tot 23 april 2024 legaal verblijf, en voldoet daarom niet aan de vereiste van 60 maanden legaal verblijf om in aanmerking te komen voor de verzochte vergunning.
Wat zeggen de wet en het vreemdelingenbeleid?
Op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (Ltuv) (geldend van 1 juli 2012 tot 1 december 2018), is van rechtswege toegelaten degene die gehuwd is met en inwoont bij een persoon, genoemd in artikel 1, eerste lid, of een persoon als bedoeld in de onderdelen a tot en met f.
Op grond van artikel VII, eerste lid van de overgangsbepalingen, behoudt degene die op 1 december 2018 van rechtswege toelating tot verblijf heeft gehad op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel g van de Ltuv, deze verblijfstitel, onverminderd artikel 5, eerste lid van de Ltuv.
Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu), kan een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, worden geweigerd in verband met de openbare orde of het algemeen belang, waartoe ook de bescherming van de volksgezondheid en de arbeidsmarkt wordt gerekend te behoren.
Op grond van het beleid “Hunto pa progreso-spoor 3”, dat sinds 1 augustus 2025 geldig is, kunnen migranten met minimaal 60 maanden legaal (lang) verblijf een beroep doen op Flex, mits zij in de laatste vijf jaren Aruba niet hebben verlaten voor een periode van meer dan honderdtachtig dagen per kalenderjaar, ziektegevallen of studiedoeleinden daarvan uitgezonderd. (Artikel 12 LTU is van toepassing.). De betrokkene dient op het moment van de aanvraag hoofdverblijf te hebben in Aruba.
Wat is het oordeel van het gerecht?
Het gerecht overweegt dat uit het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken genoegzaam is gebleken, dat verzoekster vanaf 14 juli 2018 in Aruba hoofdverblijf heeft. Het gerecht stelt vast dat verzoekster, als gehuwd met een man van Nederlandse nationaliteit, op grond van de (toen geldende) Ltu(v) vanaf 14 juli 2018 tot 23 april 2024, zijnde ruim 68 maanden, van rechtswege in Aruba was toegelaten.
Gelet hierop is het gerecht van oordeel, dat verweerder de verzochte Flex-vergunning op verkeerde gronden, immers omdat verzoekster slechts zou beschikken over 55 maanden legaal verblijf, heeft afgewezen. Het gerecht ziet hierin aanleiding de bestreden beschikking te schorsen en een voorlopige voorziening te treffen, zoals hieronder vermeld.
Proceskosten en griffierecht
8. Het gerecht ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van verzoekster, begroot op een bedrag van Afl. 1.400,- aan gemachtigdesalaris.
9. Het gerecht zal verder restitutie van het gestorte griffierecht gelasten.
Beslissing
De rechter in dit gerecht:
- schorst de bestreden beschikking, totdat op haar bezwaar van 19 november 2025 is beslist;
- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekster, moet worden behandeld als ware zij in het bezit is van een geldige vergunning tot tijdelijk verblijf, totdat op haar bezwaar van 19 november 2025 is beslist,
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door verzoekster voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-;
- gelast dat het door verzoekster gestorte griffierecht ten bedrage van Afl. 25,- aan haar wordt teruggestort.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de rechter, mr. N.K. Engelbrecht, en de griffier, mr. A. de Cuba, is vastgesteld en ondertekend.
Informatie over hoger beroep
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorziening bij voorraad kan geen hoger beroep worden ingesteld.