ECLI:NL:OGEAA:2026:122

ECLI:NL:OGEAA:2026:122

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer Lar nr. AUA202302832
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

asiel, beroep ongegrond

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Appellant],

verblijvend in Aruba,

van [nationaliteit] nationaliteit,

APPELLANT,

gemachtigde: drs. M.L. Hassell,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN ARBEID, ENERGIE EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: de advocaat mr. L.J. Pieters.

INLEIDING

Appellant heeft op 30 juli 2021 een asielverzoek ingediend bij verweerder.

Bij beschikking van 25 maart 2022 heeft verweerder het asielverzoek afgewezen.

Bij beslissing van 17 juli 2023 heeft verweerder het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het beroep van appellant gericht tegen de beslissing van verweerder van 17 juli 2023.

Appellante heeft op 11 augustus 2023 tegen deze beslissing beroep ingesteld bij het gerecht.

Verweerder heeft op 19 april 2024 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter zitting van 29 mei 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.

Hierna is de uitspraak nader bepaald op heden.

BEOORDELING

Waarom heeft appellante asiel aangevraagd (het asielrelaas)?

Aan zijn asielverzoek heeft appellant, zoals blijkt uit het door hem daartoe ingevulde formulier en het verslag van het in dat kader afgenomen interview, het navolgende ten grondslag gelegd.

Appellant is visser van beroep. Elke keer dat hij samen met zijn broer met de vangst van de dag aan land kwam, werd het beste gedeelte daarvan door een aantal plaatselijke politieagenten in beslag genomen. Een week voordat hij naar Aruba vluchtte, gebeurde dat weer. Deze keer verzetten hij en zijn broer zich hiertegen en ontstond een handgemeen met de drie politieagenten. Deze wilden hen slaan en bedreigden hen met de dood. Uit vrees voor verdere problemen met de politie zijn zij uit Venezuela gevlucht. Appellant naar Aruba, zijn broer naar Colombia. Appellant heeft via een advocaat in Venezuela aangifte gedaan tegen de politieagenten, maar dit heeft niet geleid tot hun vervolging. Appellant vreest bij terugkeer naar Venezuela wederom problemen met de politie te krijgen. Gelet op de door de politieagenten geuite bedreigingen, vreest hij voor zijn leven. De autoriteiten zijn niet in staat hem hiertegen te beschermen, zo blijkt uit het gegeven dat de door hem gedane aangifte tegen de politieagenten zonder enig resultaat is gebleven.

Wat staat in de wet?

Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag), aangepast bij het Protocol van New York, geeft in artikel 1A, aanhef en ten tweede, de volgende definitie van vluchteling: ‘Elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en ten gevolge van bovenbedoelde gebeurtenissen verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren’.

Ingevolge artikel 33, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag zal geen der Verdragsluitende Staten, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Wat staat er in de bestreden beslissing?

Aan de bestreden beslissing heeft verweerder – zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangemerkt en evenmin dat hij bij terugkeer naar Venezuela heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verweerder plaatst onder meer vraagtekens bij de geloofwaardigheid van het asielrelaas en is verder van mening dat appellant zich aan mogelijke problemen met de politieagenten in zijn woonplaats kan onttrekken door zich elders in Venezuela te vestigen.

Waarom is appellant het niet eens met de bestreden beslissing?

De gronden van het beroep van appellant hebben in de eerste plaats betrekking op de wijze waarop de besluitvorming door verweerder heeft plaatsgevonden. Zo heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen van de bezwaaradviescommissie (BAC) overeenkomstig artikel 15 e.v. van de Lar, aldus appellant.

Deze beroepsgrond faalt. Uit de door verweerder ingediende stukken blijkt dat het bezwaarschrift – zij het met ruime vertraging – op 7 juni 2023 in handen van de BAC is gesteld met het verzoek dit in een hoorzitting te behandelen. Nu de BAC niet binnen de in artikel 16, eerste lid, van de Lar genoemde termijn van vier weken advies heeft uitgebracht (en van verlenging van die termijn niet is gebleken) rustte op verweerder op grond van artikel 20, eerste lid, van de Lar de verplichting om binnen zes weken na het verstrijken van die termijn een beslissing op het bezwaar te nemen. Verweerder heeft dit ook gedaan. Van een schending van de verplichting om de behandeling van het bezwaar door de BAC af te wachten is derhalve geen sprake. Niettemin kan er onder omstandigheden uit een oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming op het bezwaar aanleiding voor een bestuursorgaan zijn om de indiener van een bezwaarschrift in de gelegenheid te stellen zijn standpunten nader mondeling of schriftelijk te verduidelijken (ECLI:NL:OGHACMB:2024:23). Daarvoor bestond in dit geval echter geen aanleiding. Het gerecht acht daarvoor redengevend hetgeen hierna bij de behandeling van de overige beroepsgronden van appellant wordt overwogen.

Appellant betoogt dat verweerder geen acht had behoren te slaan op het asielrelaas zoals dat is weergegeven in het verslag van het op 16 maart 2022 met hem gehouden interview over zijn asielmotieven. Hij heeft daartoe aangevoerd hij op dat moment ten onrechte met toepassing van artikel 19d van het Toelatingsbesluit 2009 van zijn vrijheid was beroofd. Deze vorm van vrijheidsontneming is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie onrechtmatig geoordeeld (ECLI:NL:OGHACMB:2022:165). Dit betekent dat zijn verklaring over zijn asielmotieven onder dwang is afgelegd. Hij had – zo begrijpt het gerecht zijn betoog – daarom in de gelegenheid moeten worden gesteld zijn relaas opnieuw en nu in vrijheid naar voren te brengen. Vanwege zijn vrijheidsontneming is hij evenmin in de gelegenheid geweest om de originele documenten ten bewijze dat hij aangifte heeft gedaan tegen de politieagenten aan verweerder te overhandigen, waardoor deze ten onrechte heeft nagelaten die documenten op hun authenticiteit te doen onderzoeken.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De enkele omstandigheid dat appellant onrechtmatig van zijn vrijheid was beroofd brengt niet mee dat zijn toen afgelegde verklaring over zijn asielmotieven onder dwang is afgelegd. Appellant heeft verder in bezwaar noch in beroep aangegeven op welke punten zijn verklaring niet juist is of onvolledig. Niet aannemelijk is daarom dat zijn vrijheidsontneming van invloed is geweest op de weergave van het asielrelaas en de beoordeling daarvan door verweerder. Voor zover appellant zich erover beklaagt dat hij door zijn detentie niet in de gelegenheid is geweest originele documenten in te dienen ter onderbouwing van zijn asielverzoek, valt niet in te zien waarom hij zulks niet bij zijn bezwaarschrift of in de onderhavige beroepsprocedure alsnog heeft gedaan. Bovendien zou aan die documenten, gelet op hetgeen hieronder wordt overwogen, geen doorslaggevende betekenis toekomen. Ook in zoverre is appellant door de vrijheidsontneming niet in zijn belangen geschaad.

Appellant betoogt verder tevergeefs dat verweerder in zijn asielrelaas ten onrechte geen reden heeft gezien om hem verdragsrechtelijke bescherming te bieden.

Los van de vraag of er redenen zijn om aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas te twijfelen, houden de problemen die appellant stelt ondervonden te hebben van een aantal politieagenten in zijn woonplaats, geen verband met zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging. Het gaat hier om individuele politieagenten die kennelijk hun positie hebben misbruikt om zich ten koste van appellant en zijn broer persoonlijk te verrijken. Reeds hierom kan appellant niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt.

Niet aannemelijk is verder dat appellant zich niet aan de problemen met deze plaatselijke politieagenten kan onttrekken door zich elders in Venezuela te vestigen. Het betoog van appellant dat het hier gaat om actoren van de staat, doet aan die conclusie niet af. Het relaas van appellant duidt erop dat de politieagenten louter uit waren op eigen gewin en niet handelden vanuit een door de overheid gevoerd beleid. Appellant heeft kennelijk om die reden ook aangifte tegen de agenten gedaan. Dat die aangifte – naar appellant stelt – (nog) niet tot vervolging heeft geleid, betekent verder niet dat hij ook elders in Venezuela van de zijde van de (politie)autoriteiten te vrezen heeft voor daden van vervolging of een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder is op goede gronden tot dezelfde conclusie gekomen. Nu deze motivering de afwijzende beslissing zelfstandig kan dragen, ziet het gerecht geen aanleiding om nog in te gaan op de vraag of verweerder terecht twijfelt aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Nu de beroepsgronden niet tot vernietiging van de bestreden beslissing kunnen leiden is het beroep ongegrond.

Overschrijding van de redelijke termijn

Appellant heeft verzocht om toekenning van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Appellant heeft op 22 april 2022 bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 25 maart 2022. Op 11 augustus 2023 heeft hij vervolgens beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 17 juli 2023. Vandaag 11 maart 2026 doet het gerecht uitspraak op dit beroep.De behandeling van het bezwaar en beroep heeft ruim 46 maanden geduurd. De redelijke termijn is daarmee met ruim 22 maanden overschreden. Deze overschrijding komt (afgerond) voor 2/5 deel voor rekening van verweerder en voor 3/5 deel voor rekening van het gerecht. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding gaat het Hof uit van een tarief van Afl. 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De totale aan appellante te betalen vergoeding bedraagt derhalve Afl. 2.000,-. Een bedrag van Afl. 800,- dient te worden betaald door verweerder. De minister belast met justitie dient een bedrag van Afl. 1.200,- aan appellant te betalen (ECLI:NL:OGHACMB:2024:178).

Proceskosten

7. Nu appellant terecht heeft betoogd dat de redelijke termijn is overschreden en hem daarom een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend, bestaat aanleiding hem ter zake een vergoeding voor de gemaakte proceskosten toe te kennen. Het gerecht begroot deze op Afl. 175,0 (1 punt voor het doen van het verzoek om schadevergoeding, waarde per punt Afl. 700,-, wegingsfactor 0,25).

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.C.E. Winfield

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand