ECLI:NL:OGEAA:2026:123

ECLI:NL:OGEAA:2026:123

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer Lar nr. AUA202502411
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

verzoek om indexering van VUT -uitkering afgewezen – beroep ongegrond

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Appellant],

wonend in Aruba,

APPELLANT,

gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee,

gericht tegen:

DE VOORZITTER VAN DE BEOORDELINGSCOMMISSIE VRIJWILLIGE UITDIENSTTREDING,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. ir. R. Henriquez (DRH).

INLEIDING

Bij beschikking van 25 september 2024 heeft verweerder het verzoek van appellant om de indexering van het salaris van overheidspersoneel, welke met ingang van 1 juli 2024 en 1 januari 2025 heeft plaatsgevonden, eveneens toe te passen op zijn maandelijkse VUT-uitkering, afgewezen.

Bij beslissing op bezwaar van 26 juli 2025 (hierna: de bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar van appellant van 4 november 2024, gericht tegen voormelde beschikking, ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft appellant op 4 augustus 2025 pro-forma beroep ingesteld bij het gerecht. Op 25 september 2025 heeft appellant de gronden van zijn beroep aangevuld.

Verweerder heeft op 27 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 11 februari 2026. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden voornoemd.

Hierna is de uitspraak bepaald op vandaag.

OVERWEGINGEN

2. Het gerecht is van oordeel dat het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard en legt hierna dit oordeel uit.

Wat is relevant om te weten?

Appellant was werkzaam als personeelsmedewerker bij de Dienst Openbare Werken (DOW). Bij aanvraag van 9 mei 2021 heeft appellant verweerder verzocht hem eervol ontslag te verlenen op grond van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lvut). Bij beschikking van 5 mei 2021 is aan appellant met ingang van 1 november 2021 eervol ontslag uit de overheidsdienst verleend en is aan hem een maandelijkse VUT-uitkering toegekend, als volgt:

van 1 november 2021 tot 1 november 2022 ter hoogte van 90% van het laatstverdiende inkomen;

van 1 november 2022 tot 1 november 2023 ter hoogte van 80% van het laatstverdiende inkomen;

van 1 november 2023 tot 1 november 2024 ter hoogte van 70% van het laatstverdiende inkomen.

Bij schrijven van 23 augustus 2024 heeft appellant verzocht om de salarisindexeringen voor overheidspersoneel, die hebben plaatsgevonden in juli 2024 en januari 2025, eveneens toe te passen op zijn VUT-uitkering. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking heeft appellant op 4 november 2024 bezwaar gemaakt. Bij de bestreden beslissing heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hiertegen richt zich het onderhavige beroep.

Wat is het standpunt van verweerder?

4. Verweerder heeft aan de bestreden beslissing – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat indexering, als periodieke verhoging van de bezoldiging, niet van toepassing is op de uitkering die VUT-gerechtigden ontvangen. De indexeringen van juli 2024 en januari 2025 zien uitsluitend op het salaris van ambtenaren. Onder “salaris” worden de bezoldigingsschalen van 2013 tot en met 2024 van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 verstaan, welke van toepassing zijn op overheidspersoneel. Onder “overheidspersoneel” worden ambtenaren in de zin van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) en de daarmee gelijkgestelden begrepen. Appellant is geen ambtenaar meer in de zin van de Lma. Reeds hierom bestaat voor hem geen aanspraak op indexering. Verweerder heeft verder toegelicht dat de VUT-uitkering ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Lvut eenmalig en blijvend wordt vastgesteld op basis van het laatstgenoten maandinkomen voorafgaand aan het eervol ontslag. De indexeringen van juli 2024 en januari 2025 hebben plaatsgevonden nadat appellants vrijwillige uitdiensttreding was ingegaan, zodat die niet van toepassing zijn op de voor appellant vastgestelde VUT-uitkering.

Wat is het standpunt van appellant?

5. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing. Appellant heeft daartoe –samengevat – aangevoerd dat zijn dienstverband met het Land Aruba pas op 1 november 2024 is beëindigd. Gedurende zijn VUT-periode was hij nog ambtenaar en heeft hij ook pensioen opgebouwd. Appellant voert aan dat het feit dat de Lvut toestaat dat hij gedurende de periode waarin hij een VUT-uitkering ontvangt pensioen kan blijven opbouwen, bewijs vormt dat hij zijn status van ambtenaar niet heeft verloren na het ingaan van de VUT. Ter zitting heeft appellant er in dit verband op gewezen dat het Land Aruba als werkgever gedurende de VUT-periode premies voor AZV, AOV en AWW ten behoeve van VUT-gerechtigden blijft afdragen. Volgens appellant kan hieruit worden afgeleid dat VUT-gerechtigden hun status van ambtenaar behouden. Indien zou moeten worden aangenomen dat zij formeel niet langer als ambtenaar worden aangemerkt, stelt appellant zich op het standpunt dat VUT-gerechtigden in ieder geval geacht moeten worden een rechtspositie te hebben die vergelijkbaar is met die van ambtenaren, met de daarbij behorende rechten. Dat zou volgens appellant meebrengen dat, indien aan ambtenaren een salarisverhoging of indexering wordt toegekend, VUT-gerechtigden daarop eveneens aanspraak moeten kunnen maken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant ter zitting voorts gewezen op de situatie gedurende de COVID-19-periode, waarin ook op de VUT-uitkeringen inhoudingen zijn toegepast, vergelijkbaar met de inhoudingen die destijds op de salarissen van ambtenaren hebben plaatsgevonden.

Wat zegt de wet?

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lvut kunnen ambtenaren en overheidswerknemers gedurende een bij landsbesluit vast te leggen periode van twee maanden een verzoek doen om in aanmerking te komen voor eervol ontslag, respectievelijk tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onder gelijktijdige toekenning van in deze landsverordening nader omschreven bijzondere aanspraken.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Lvut is de looptijd van de aanspraken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, vastgelegd in de bijlage bij deze landsverordening, waarbij het aantal maanden dienstverband wordt bepaald aan de hand van het aantal volledige kalendermaanden, dat de ambtenaar of overheidswerknemer op de dag waarop de dienstbetrekking eindigt, ononderbroken in dienst is geweest van het Land.

Ingevolge het tweede lid ontvangt de gerechtigde ontvangt gedurende de looptijd maandelijks een uitkering. De uitkering bedraagt, tenzij de aanspraak daarop eerder vervalt:

- gedurende de eerste 12 maanden: 90% van het laatstgenoten maandinkomen;

- gedurende de daaropvolgende 12 maanden: 80% van het laatstgenoten maandinkomen en

- gedurende de laatste periode van 12 maanden: 70% van het laatstgenoten maandinkomen.

Ingevolge het derde lid geldt de uitkering voor de toepassing van artikel 114 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht en artikel 632a en 633 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba niet als bezoldiging of loon.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Lvut zendt de Commissie, indien zij een verzoek als bedoeld in artikel 9, eerste lid, inwilligt, aan de gerechtigde binnen zeven kalenderdagen na de datum van die beslissing een door de voorzitter van de Commissie ondertekende beschikking, houdende het eervol ontslag. De beschikking bevat een verwijzing naar artikel 9, derde lid, en vermeldt voorts:

a. de datum van de beslissing van de Commissie;

b. de naam en geboortedatum van de gerechtigde;

c. de datum van aanstelling van de gerechtigde als ambtenaar;

d. de rang, het maandinkomen en de pensioengrondslag van de gerech-tigde;

e. de datum van ingang van het ontslag;

f. de looptijd van de uitkering.

Wat vindt het gerecht?

In geschil is de vraag of appellant aanspraak kan maken op de indexeringen van juli 2024 en januari 2025 over zijn VUT-uitkering. Het gerecht overweegt als volgt.

Uit artikel 3, tweede lid, van de Lvut vloeit voort dat de VUT-uitkering eenmalig en blijvend wordt vastgesteld op basis van het laatstgenoten maandinkomen voorafgaand aan het eervol ontslag. Dit betekent dat de VUT-uitkering een eigen, in de wet geregelde uitkering betreft die losstaat van de bezoldiging van actief overheidspersoneel. De indexeringen die in juli 2024 en januari 2025 zijn doorgevoerd, hebben betrekking op de salarissen van ambtenaren in de zijn van de Lma. Appellant behoort na zijn vrijwillige uitdiensttreding niet langer tot deze categorie. Anders dan appellant betoogt, kan hij gedurende de VUT-periode niet meer als ambtenaar in de zin van de Lma worden aangemerkt, nu zijn dienstverband door het verlenen van eervol ontslag met ingang van 1 november 2021 is beëindigd. Het betoog van appellant dat hij zijn status van ambtenaar heeft behouden omdat hij gedurende de VUT-periode pensioen blijft opbouwen, volgt het gerecht niet. De omstandigheid dat de Lvut voorziet in voortzetting van de pensioenopbouw gedurende de VUT-periode brengt niet mee dat betrokkene zijn rechtspositie als ambtenaar behoudt. Deze voorziening doet niet af aan het feit dat het dienstverband is beëindigd en dat de VUT-uitkering niet als bezoldiging wordt kan worden aangemerkt. Dit laatste volgt ook uit artikel 3, derde lid, van de Lvut. Evenmin volgt het gerecht appellant in zijn stelling dat hij gedurende de VUT-periode aanspraak heeft op dezelfde rechtspositionele voordelen als actief overheidspersoneel, waaronder salarisverhogingen of indexeringen. Voor een dergelijke aanspraak biedt de Lvut geen grondslag. Anders dan appellant stelt, zijn gedurende de COVID-19-periode de VUT-uitkeringen niet op gelijke wijze gekort als de ambtenarensalarissen. Verweerder heeft uiteengezet dat de hoogte van op dat moment reeds vastgestelde VUT-uitkeringen ongewijzigd zijn gebleven. Wel is bij ambtenaren aan wie in die periode op grond van de Lvut eervol ontslag is verleend, overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van de Lvut de op dat moment gekorte salarissen (zijnde immers het laatstgenoten maandinkomen) als uitgangspunt genomen bij de vaststelling van de VUT-uitkering. Na het beëindigen van de korting op de ambtenarensalarissen is ten aanzien van deze personen ook de grondslag van hun VUT-uitkering aangepast in die zin, dat deze weer is vastgesteld op het laatstgenoten maandinkomen dat zij zouden hebben ontvangen, indien die korting niet had plaatsgevonden. In deze gang van zaken kan geen grond worden gevonden voor de door appellant bepleite indexering.

Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat de Lvut duidelijk regelt hoe de VUT-uitkering wordt vastgesteld en dat daarin geen aanspraak op indexering is opgenomen. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de indexeringen van juli 2024 en januari 2025 niet van toepassing zijn op de VUT-uitkering van appellant.

CONCLUSIE EN GEVOLGEN

8. Geen van de door appellant aangevoerde beroepsgronden slaagt. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting 1 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.C.E. Winfield

Griffier

  • mr. A.A. Wever

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand