GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Appellant],
wonend in Aruba,
APPELLANT,
gemachtigde: de advocaat mr. R. Marchena,
gericht tegen:
DE VOORZITTER VAN DE BEOORDELINGSCOMMISSIE VRIJWILLIGE UITDIENSTTREDING,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. A.F.J. Caster (DWJZ).
INLEIDING
Bij beslissing op bezwaar van 24 juli 2025 (de bestreden beslissing) heeft verweerder appellant bericht dat de beschikking van 5 september 2024, waarbij zijn verzoek om hem eervol ontslag te verlenen op grond van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lvut) is afgewezen, na bezwaar wordt gehandhaafd.
Hiertegen heeft appellant op 4 september 2025 beroep ingesteld bij het gerecht.
Verweerder heeft op 27 oktober 2025 stukken ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 11 februari 2026. Appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij de gemachtigde voornoemd.
Hierna is de uitspraak bepaald op vandaag.
OVERWEGINGEN
2. Het gerecht is van oordeel dat het beroep van appellant gegrond dient te worden verklaard en legt hierna dit oordeel uit.
Wat is relevant om te weten?
3. Appellant is als projectmedewerker werkzaam bij de Dienst Openbare Werken (DOW). Bij aanvraagformulier van 11 juni 2024 heeft appellant verweerder verzocht om hem eervol ontslag te verlenen op grond van de Lvut. Bij beschikking van 5 september 2024 is deze aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft appellant op 15 oktober 2025 bezwaar gemaakt. Bij de bestreden beslissing heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.
Wat is het standpunt van verweerder?
4. Verweerder heeft aan de bestreden beslissing ten grondslag gelegd dat het verlenen van ontslag in verband met VUT aan appellant de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening bij de DOW onevenredig zou schaden. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant reeds jarenlang als projectleider werkzaam is en dat zijn vertrek zowel kwantitatieve als kwalitatieve gevolgen zou hebben voor de organisatie. Uit het advies van de directeur van de DOW blijkt dat de werkdruk binnen de organisatie thans reeds hoog is en dat deze, gelet op een lopende analyse naar mogelijke capaciteitsuitbreiding in verband met toekomstige projecten, naar verwachting verder zal toenemen. In dat licht acht verweerder het onverantwoord appellant VUT toe te kennen. Daarbij is tevens betrokken dat de DOW momenteel beschikt over vier projectleiders, zodat het vertrek van appellant zou leiden tot een aanzienlijke toename van de werkdruk voor de overige projectleiders, met gevolgen voor zowel de kwantiteit als de kwaliteit van de werkzaamheden. Voorts heeft verweerder gewezen op het feit dat de DOW zich bevindt in een reorganisatietraject en werkt aan een nieuw formatierapport, waarbij de specifieke expertise van appellant van belang wordt geacht voor de uitvoering van de huidige en toekomstige werkzaamheden. Het wegvallen van deze expertise kan de kwaliteit van de werkzaamheden en de strategische ontwikkeling van de afdeling negatief beïnvloeden. Ten slotte is overwogen dat het overheidsbeleid is gericht op het terugdringen van personeelskosten, waardoor het aantrekken van nieuw personeel niet mogelijk is. Nu het verlenen van VUT slechts kan plaatsvinden indien de daardoor ontstane vacature intern kan worden vervuld en hiervan in het geval van appellant geen sprake is, heeft verweerder het verzoek om VUT afgewezen.
Wat is het standpunt van appellant?
5. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat verweerder geen toereikende gronden heeft om zijn aanvraag om VUT af te wijzen. Volgens appellant zal zijn vertrek geen negatieve kwantitatieve of kwalitatieve gevolgen hebben voor de organisatie. Hij betwist dat hij als projectleider moet worden aangemerkt en stelt dat hij formeel is benoemd in de functie van projectmedewerker. Verweerder had bij de beoordeling van zijn VUT-aanvraag dan ook moeten uitgaan van zijn formele rechtspositie. Appellant heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat zijn vertrek zou leiden tot het ontstaan van een projectleidersvacature waarvoor geen begrotingsruimte bestaat. Nu appellant niet formeel als projectleider is benoemd, kan zijn vertrek volgens hem ook niet leiden tot een vacature op dat niveau. Het is naar zijn mening onredelijk dat hij wordt benadeeld vanwege het feit dat hij feitelijk werkzaamheden op een hoger functieniveau heeft verricht, zonder dat hij daarvoor formeel is benoemd of beloond. Daarnaast heeft appellant gesteld dat binnen de afdeling Uitvoer andere medewerkers werkzaam zijn met een vergelijkbare opleiding en voldoende ervaring, die de door hem verrichte projectleiderswerkzaamheden kunnen overnemen. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en derhalve geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. Volgens appellant kan de bestreden beslissing om bovengenoemde redenen geen stand houden.
Wat zegt de wet?
Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Lvut kunnen ambtenaren en overheidswerknemers gedurende een bij landsbesluit vast te leggen periode van twee maanden een verzoek doen om in aanmerking te komen voor eervol ontslag, respectievelijk tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onder gelijktijdige toekenning van in deze landsverordening nader omschreven bijzondere aanspraken.
Ingevolge artikel 7 van de Lvut beoordeelt de Beoordelingscommissie vrijwillige uitdiensttreding ieder verzoek tot vrijwillige uitdiensttreding op de kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst.
Ingevolge artikel 10, tweede lid van de Lvut weigert de Commissie een verzoek als bedoeld in artikel 9, eerste lid, alleen, indien het ontslag naar haar oordeel de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening door de organisatorische eenheid waar de verzoeker werkzaam is, onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst zou hebben.
Bij Landsbesluit van 9 juni 2022 (AB 2022 no. 77) is een nieuwe periode voor het indienen van een verzoek tot vrijwillige uitdiensttreding bepaald vanaf 15 juni 2022 tot 14 augustus 2022.
In de circulaire d.d. 14 juni 2022 van de directeur DRH aan directeuren, hoofden van diensten, directies, bureaus en ambtenaren belast met de leiding, staat – voor zover hier relevant – het volgende:
“(…)
Er zal rekening gehouden worden met de voorwaarden opgenomen in artikel 10 lid 2 van de Lvut. Indien het toekennen van de VUT van een overheidswerknemers de continuïteit van de dienstverlening en/of het te behalen resultaat van een organisatie schaadt en het nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen heeft voor de organisatie, is een advies van de directeur c.q. diensthoofd in deze van cruciaal belang, waardoor het advies gemotiveerd dient te worden, om als draagvlak bij eventuele bezwarenprocedures mee te nemen.
Alsmede dient er rekening gehouden te worden met de beslissing genomen in de ministerraadvergadering van 9 juni 2017 (BE-42/17) waarin is besloten dat de overheidsmedewerkers die schaars zijn – het kwalitatief personeel – waaronder fiscalisten, juristen, IT-ers, financieel economen, accountants etc en/of de overheidsmedewerkers die genieten van een schaarste toelage, niet in aanmerking komen voor de VUT.
De vrijgekomen vacatures, in verband met het toekennen van de VUT, kunnen alleen intern vervuld worden.
(…)”
Wat vindt het gerecht?
In geschil is de vraag of verweerder heeft mogen besluiten om aan appellant geen VUT toe te kennen, omdat dat anders de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening van de DOW onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van deze overheidsdienst zou hebben.
Het gerecht toetst de beschikking van verweerder aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden. Het gerecht stelt eerst voorop dat verweerder een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft bij de toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Lvut. Alleen wanneer deze grenzen worden overschreden, is rechterlijk ingrijpen gerechtvaardigd. Het gerecht stelt voorts vast dat de Lvut slechts ruimte laat voor weigering van het verzoek indien het ontslag naar het oordeel van verweerder de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening door de organisatorische eenheid waar de appellant werkzaam is, onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen zou hebben voor de bezetting van de overheidsdienst.
Het gerecht overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting vast is komen te staan dat appellant formeel is benoemd in de functie van projectmedewerker en nimmer is benoemd in de functie van projectleider. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant feitelijk werkzaamheden verricht die behoren tot de functie van projectleider en heeft hieraan gevolgen verbonden voor de beoordeling van de VUT-aanvraag. Naar het oordeel van het gerecht kan verweerder dit standpunt niet aan appellant tegenwerpen. Bij de beoordeling van de VUT-aanvraag dient in beginsel te worden uitgegaan van de formele functie waarin de ambtenaar is benoemd. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom in dit geval van dat uitgangspunt wordt afgeweken. Het gerecht neemt hierbij mede in aanmerking dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is ook gebleken dat appellant niet kan worden benoemd in de functie van projectleider, nu hij niet voldoet aan de daarvoor geldende hbo-opleidingseis. Reeds hierom kan niet worden uitgegaan van een (toekomstige) projectleidersfunctie bij de beoordeling van de gevolgen van het vertrek van appellant. Gelet op het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het vertrek van appellant leidt tot een vacature op het niveau van projectmedewerker en niet van projectleider. Verweerder heeft ter zitting niet inzichtelijk gemaakt waarom het verlenen van VUT aan appellant alsnog zou leiden tot een onevenredige aantasting van de continuïteit van de dienstverlening als bedoeld in de VUT-regeling. Het gerecht is dan ook van oordeel dat verweerder de aanvraag van appellant niet op deze grond heeft mogen afwijzen.
CONCLUSIE EN GEVOLGEN
8. Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient binnen drie maanden opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.
9. Verweerder zal op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaard het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van verweerder van 24 juli 2025 met kenmerk DRH-90439;
- draagt verweerder op om binnen drie maanden een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellant voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-;
- gelast teruggave aan appellant van het door hem betaalde bedrag aan griffierechten van Afl. 25,-.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting 1 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.