Beschikking van 15 april 2026
Behorend bij AUA202600542 EJ
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE PALM TOURS CAR RENTAL V.B.A.,
te Aruba,
verzoekster,
hierna te noemen: DPT,
gemachtigden: de advocaten mrs. A.E. Barrios en R.J. Cera,
tegen:
[Verweerder],
te Aruba,
verweerder,
hierna ook te noemen: [verweerder],
gemachtigde: de advocaat mr. A.E.A. Hernandez.
1. DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 23 februari 2026 ingediende verzoekschrift met producties;
- de door DPT op 3 maart 2026 nader toegezonden producties;
- het op 5 maart 2026 ingediende verweerschrift met producties;
- de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van vrijdag 6 maart 2026.
DPT is ter zitting verschenen bij haar gemachtigden, die werden vergezeld door de heer [CEO] (CEO van DPT; hierna: [CEO]), mevrouw [HR-director] (HR director van DPT; hierna: [HR-director]) en de heer [director] (Director of Operations van DPT; hierna: [director]). [Verweerder] is ter zitting verschenen samen met zijn gemachtigde. Partijen hebben bij wijze van re- en dupliek het woord gevoerd - mede aan de hand van de door hen overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.
De datum van beschikking is nader bepaald op heden.
2. DE FEITEN
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.
DPT is een bedrijf in Aruba die onder meer rondleidingen en bustours over het eiland verzorgt aan toeristen.
Verweerder] is op 19 juni 2015 krachtens een daartoe tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst in dienst getreden van DPT, laatstelijk in de functie van bus driver/ tour guide.
Tussen DPT en de cruisemaatschappij Ambassador Cruise Line, die met cruiseschepen naar onder meer Aruba vaart (hierna: Ambassador), bestaat een overeenkomst op grond waarvan DPT aan gasten aan boord van één van de aan Ambassador toebehorende cruiseschepen tours op Aruba aanbiedt en verkoopt.
Op 20 oktober 2015 heeft [verweerder] een waarschuwing gekregen van DPT omdat hij niet op het werk was verschenen, terwijl hij daarvoor ingeroosterd was. Op 1 februari 2017 heeft [verweerder] een waarschuwing ontvangen van DPT wegens nalatig en onzorgvuldig gedrag tijdens een cruise-jeeptour.
Verweerder] is in 2021 door DPT op zijn gedrag aangesproken wegens het lastigvallen en uitschelden van een collega.
Op 9 maart 2022 heeft [verweerder] een schriftelijke waarschuwing gekregen van DPT omdat hij denigrerende berichten over de HR-leidinggevenden van DPT op social media heeft geplaatst.
Verweerder] is op een gegeven moment als shop steward voor een vakbond aangewezen om de belangen van zijn collega’s bij DPT te vertegenwoordigen.
Op 2 september 2025 heeft [verweerder] een schriftelijke waarschuwing gekregen wegens overtreding van de bedrijfsregels, waaronder de voorschriften met betrekking tot de aanwezigheid op het bedrijfsterrein en de representatie van het bedrijf. [Verweerder] is tevens medegedeeld dat herhaling van incidenten tot disciplinaire maatregelen kunnen leiden. De waarschuwingsbrief luidt als volgt:
“(…).
Subject: Presence on Premises Outside Scheduled Work Hours
(…).
It has come to our attention that you were present on Company premises on your scheduled day off. No prior notification or authorization was provided.
We remind you that under the Collective Working Agreement (CAO), union-related activities are to be conducted away from the Company premises unless permission has been explicitly obtained from Management or the People Department. Article 8 of the CAO states that “all business related to the Union should be conducted away from the Company premises. May the need to conduct Union business on Company premises arise, permission will be asked from the People Department.
(…).
Your presence on site without prior approval constitutes a violation of these rules. This memo serves as a formal notice of the violation. Please be aware that repeated incident may lead to disciplinary action as outlined in (…).”.
Op 9 januari 2026 heeft een incident plaatsgevonden (hierna: het incident), waarbij uiteindelijk 30 cruisepassagiers - die aan boord van hun cruiseschip een tour bij DPT hebben gekocht - zich bij Ambassador hebben beklaagd over het verloop van de door [verweerder] op die dag verzorgde tour, hetgeen op 10 januari 2026 tot een formele klacht van Ambassador aan het adres van DPT heeft geleid. Die klacht luidt als volgt:
“(…).
I am writing you concerning tour 5001012 A Eagle & Arashi Beach & Snorkel, where more than 20 guests came at the desk for complain.
From the start, the guide / driver, named Jay, set a negative tone by talking about hotels in Aruba and saying guests would have been better off booking a hotel instead of taking a cruise. This was not relevant to the tour and came across as unprofessional.
At Arashi Beach, guests were told that snorkeling there was a waste of time and that there was nothing to see. Several guests also said that snorkeling equipment was not provided, even when they asked for it. The guide discouraged snorkeling altogether, saying the beach had no marine life and blaming the cruise line for choosing a “not good beach.” Because of this, most guests didn’t snorkel at all, based entirely on the guide’s comments.
While driving, the guide pointed out places where snorkeling would supposedly be better but didn’t stop at any of them, again blaming the ship’s choice. This led many guests to wonder if they had even been taken to the right spot, especially since the tour description clearly promotes Arashi Beach as a great snorkeling location with plenty of marine life. The experience didn’t match the description at all.
On top of that, the driver did not stop at the Fofoti Tree for photos, which guests were also expecting.
Overall, the tour wasn’t delivered as advertised, and guests were extremely disappointed. Many said they regretted missing out on snorkeling because they relied on the guide’s advice.
Could you please provide more information or clarification regarding this situation? The guests are currently requested compensation, and we would like to address their concerns appropriately.”.
Verweerder] is op 14 januari 2026 met behoud van loon geschorst hangende een onderzoek naar het incident. Aan [verweerder] is tot uiterlijk 19 januari 2026 gelegenheid gegeven om een reactie te geven op de kwestie.
Verweerder] heeft bij e-mailbericht van 15 januari 2026 (onder meer gericht aan de HR-afdeling van DPT) gereageerd op bovenvermelde klacht van Ambassador.
Op 23 januari 2026 heeft een vervolggesprek tussen DPT en [verweerder] plaatsgevonden over de uitkomsten van het interne onderzoek naar het incident. Daarbij is tevergeefs getracht de arbeidsovereenkomst met hem met wederzijds goedvinden te beëindigen.
3. HET GESCHIL
DPT verzoekt het Gerecht om de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden en om [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedure.
DPT heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van gewichtige redenen, bestaande uit een (uitgestelde) dringende reden dan wel verandering in de omstandigheden die meebrengen dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn behoort te eindigen.
Verweerder] heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot het afwijzen van het door DPT verzochte, met veroordeling van DPT in de kosten van de procedure.
Voor zover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.
4. DE BEOORDELING
Aan de orde is de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden dient te worden. Ingevolge artikel 7:685 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) is iedere partij te allen tijde bevoegd zich wegens gewichtige redenen tot de rechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Als gewichtige redenen worden onder meer beschouwd omstandigheden welke een dringende reden als bedoeld in het eerste lid van artikel 7:677 BW zouden hebben opgeleverd, alsook veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Indien de rechter het verzoek inwilligt wegens veranderingen in de omstandigheden, kan hij op grond van het achtste lid van bedoeld artikel, zo hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een der partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding toekennen.
DPT heeft primair gesteld dat sprake is van een (uitgestelde) dringende reden, onder meer omdat [verweerder] zich tijdens een tour op 9 januari 2026 op onprofessionele en onvriendelijke wijze heeft gedragen jegens gasten van Ambassador die bij DPT een tour hadden geboekt voor een rondleiding over het eiland, met als gevolg dat in totaal 30 van die gasten, die erg ontevreden waren over het gedrag van [verweerder], daarover hebben geklaagd bij Ambassador. De door de gasten ingediende klachten hebben uiteindelijk geleid tot een officiële klacht van Ambassador met betrekking tot [verweerder] aan het adres van DPT. DPT heeft ter onderbouwing van het door haar gestelde onprofessionele en onvriendelijke gedrag van [verweerder] verwezen naar de door haar overgelegde klacht van Ambassador, zoals hierboven onder 2.10 weergegeven.
DPT heeft verder ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van een (uitgestelde) dringende reden, gesteld dat [verweerder] zich - naast hetgeen hierboven naar voren is gebracht - vijandig en respectloos gedrag heeft getoond jegens zijn collega’s en leidinggevenden. Zo heeft [verweerder] nog op 2 februari 2026 tijdens een onderhandeling over een mogelijke beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden - wegens het onder overweging 4.2 omschreven gedrag van [verweerder] – volgens DPT “hush money” geëist in ruil voor het niet publiceren van negatieve uitlatingen over het bedrijf op social media. DPT heeft ter onderbouwing hiervan het verslag van de desbetreffende vergadering, dat opgesteld is door [HR-director], in de procedure gebracht. In dit verslag, dat zowel door [HR-director] als [director] is ondertekend, staat onder meer het volgende:
“(…)
[Verweerder] identified:
AWG 250.000 as representing his personal financial obligations: and
An additional AWG 150.000. which he referenced in the context of settlement in other jurisdictions. [Verweerder] explicitly referred to this amount using the term “hush money.”.
Om verder een beeld te schetsten van hoe [verweerder] zich tijdens zijn dienstverband heeft gedragen heeft DPT verder verwezen naar een incident dat op 11 september 2025 heeft plaatsgevonden, waarbij [verweerder] zich jegens haar CEO beledigend en respectloos zou hebben gedragen. DPT heeft ter onderbouwing hiervan in de procedure gebracht een verslag van de desbetreffende bijeenkomst, die bijgewoond is door onder meer [CEO] als CEO van DPT, [HR-director] als HR-director van DPT, leden van de vakbond, werknemers van DPT en [verweerder]. Uit dit verslag blijkt onder meer dat [verweerder] de CEO tijdens de bijeenkomst in het bijzijn van de aanwezigen “Kaka di Baca” (vrij vertaald: stuk koeienstront) heeft genoemd.
Met betrekking tot het hierboven omschreven incident van 9 januari 2026 heeft [verweerder] primair het volgende aangevoerd. Hem treft geen verwijt, nu de gasten niet geklaagd hebben over zijn gedrag, maar over de inhoud van de tour die niet aan de gewekte verwachtingen voldeed. Omdat DPT samen met Ambassador de tour hebben aangeboden, ligt de verantwoordelijkheid voor de ontevreden gasten bij hen en niet bij [verweerder]. Het Gerecht kan die stelling van [verweerder] niet volgen, nu de op 10 januari 2026 door Ambassador ingediende formele klacht een heel ander beeld schetst. Uit de klacht blijkt immers dat [verweerder] richting de gasten/cruisepassagiers de opmerking heeft gemaakt dat het beter was geweest om een hotel op het eiland te reserveren in plaats van met een cruiseschip op reis te gaan, hij Ambassador heeft beschuldigd een ongeschikt strand te hebben uitgekozen om te snorkelen, hij de gasten heeft medegedeeld dat het snorkelen op de door Ambassador uitgekozen locatie onnodig tijdverlies zou zijn, nu daar geen “marinelife” te zien is, hij aan de gasten - ondanks verzoeken daartoe - geen snorkeluitrusting heeft verstrekt en tot slot niet alle in de advertentie vermelde onderdelen van de tour heeft uitgevoerd, nu hij de verplichte stop bij de Fofoti-boom heeft overgeslagen. Het voorgaande in aanmerking genomen is het Gerecht van oordeel dat voldoende duidelijk is dat de desbetreffende klacht geen verband houdt met de inhoud van de door DPT en Ambassador aangeboden tour, maar het gedrag van [verweerder] - als gids - betreft tijdens de tour.
Ter zake van dat gedrag van [verweerder] wordt als volgt overwogen. [Verweerder] heeft betwist zich te hebben gedragen op de wijze zoals volgt uit de door de Ambassador ingediende formele klacht en heeft in dat verband aangevoerd dat de gasten, omtrent zijn gedrag, onjuiste verklaringen hebben afgelegd. Ook deze stelling van [verweerder] kan het Gerecht niet volgen, nu [verweerder] ten aanzien van de uitgebreide door Ambassador ingediende klacht nagelaten heeft om zijn betwisting concreet te onderbouwen met aannemelijke argumenten waaruit zou kunnen volgen dat de door de gasten ingediende klachten niet op waarheid berusten. Dit klemt des temeer omdat zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet valt in te zien waarom 30 gasten, met wie [verweerder] verder geen relatie heeft, bewust onjuiste verklaringen zouden afleggen over zijn gedrag. Het Gerecht heeft gelet hierop dan ook geen reden om aan de door de gasten afgelegde verklaringen te twijfelen. [Verweerder] heeft met betrekking tot het aan hem verweten gedrag nog als verweer aangevoerd dat hij niet in staat was om aan alle gasten snorkelapparatuur te verstrekken, nu DPT had nagelaten zorg te dragen voor voldoende snorkelmateriaal. Deze stelling is door DPT gemotiveerd betwist en komt daarom niet vast te staan, terwijl het Gerecht geen grond ziet om die stelling aannemelijk te oordelen. Wat betreft de klacht over het niet naleven van alle onderdelen van de tour zoals aangeboden heeft [verweerder] aangevoerd dat hij daartoe geen keus had, nu hij ter plaatse bij de Fofoti-boom - vanwege een volle parkeerplaats - geen parkeergelegenheid heeft kunnen vinden. Ook deze stelling van [verweerder] kan hem niet baten, nu onbetwist is gesteld dat [verweerder] in een dergelijk geval - conform de geldende procedure - niet zelfstandig mag beslissen om een stop, die onderdeel van de tour vormt, over te slaan, maar contact moet opnemen met de coördinator van DPT om de situatie te bespreken en na te gaan of een alternatieve oplossing gevonden kan worden. Dit heeft [verweerder] niet gedaan.
Al het voorgaande brengt mee dat vast komt te staan dat [verweerder] zich tijdens de tour op 9 januari 2026 op onprofessionele en onvriendelijke wijze heeft gedragen jegens gasten van Ambassador die bij DPT een tour hebben geboekt. Dit onprofessionele en onvriendelijke gedrag van [verweerder] heeft geleid tot teleurgestelde en ontevreden gasten, een officiële klacht van Ambassador en aanzienlijke financiële en reputatieschade voor DPT. Dit laatste kan DPT niet veroorloven, nu zij afhankelijk is van langdurige samenwerkingen met internationale partners voor de verkoop van haar tours, welke door het gedrag van [verweerder] op het spel zijn gezet.
Met betrekking tot het incident zoals omschreven onder 4.3 overweegt het Gerecht als volgt. [Verweerder] heeft betwist “hush money” te hebben gevraagd in ruil voor het niet plaatsten van negatieve opmerkingen over het bedrijf op social media en heeft daartoe aangevoerd tijdens bedoeld overleg enkel te hebben aangegeven dat het door DPT aangeboden bedrag niet toereikend was om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Ook deze stelling van [verweerder] kan het Gerecht niet volgen. Daartoe is het volgende redengevend, waarbij voorop wordt gesteld dat het Gerecht geen grond of aanleiding ziet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de opstellers van het litigieuze verslag. Dit temeer omdat gesteld noch is gebleken dat het te dezen gaat om personen die in staat zijn dergelijke valse verklaringen af te leggen, en evenmin is gesteld of gebleken dat die opstellers persoonlijke problemen hadden met [verweerder] en daarom nog een appeltje met hem te schillen hadden.
DPT heeft haar stelling onderbouwd met het door haar overgelegde verslag van de desbetreffende vergadering, zoals hierboven weergegeven, terwijl [verweerder] in zijn verweer enkel volstaan heeft met een kale betwisting van dat verslag. [Verweerder] heeft echter in het licht van het hiervoor vooropgestelde nagelaten om zijn betwisting concreet te onderbouwen met argumenten waaruit zou kunnen volgen dat de inhoud van het door DPT overgelegde verslag, dat zowel door [HR-director] als [director] is ondertekend, niet op de juiste feiten berust. Aldus komt als onvoldoende weersproken vast te staan dat [verweerder] tijdens de vergadering op 2 februari 2026 “hush money” heeft geëist van DPT teneinde geen negatieve uitlatingen over het bedrijf op social media te doen. Dit gedrag van [verweerder] - dat als ernstig wangedrag dient te worden gekwalificeerd - heeft het vertrouwen van DPT in hem (dat al geschaad was) verder aangetast en het conflict tussen partijen verder vergroot.
Met betrekking tot het incident waarbij [verweerder] de CEO tijdens een bijeenkomst op 11 september 2025 in verband met vakbondszaken “Kaka di Baca” heeft genoemd, wordt als volgt overwogen. Voorop wordt gesteld dat het gebruik van de term “Kaka di Baca” in het algemeen kwalificeert als een grove belediging. Volgens [verweerder] is tijdens de bijeenkomst een discussie ontstaan die uit de hand is gelopen. [Verweerder] heeft erkend de CEO “in the heat of the moment” te hebben uitgemaakt voor “Kaka di Baca” , maar heeft daarbij aangevoerd - zo begrijpt het Gerecht - dat zijn gedrag gerechtvaardigd was nu dit was ingegeven door eerdere beledigingen van de CEO jegens hem. Ook deze stelling van [verweerder] kan het Gerecht niet volgen. [Verweerder] miskent daarmee immers dat de CEO binnen de arbeidsverhoudingen op de werkvloer van DPT hiërarchisch de hoogste positie bekleedt en dat [verweerder] daarom ten opzichte van de CEO gehouden is hoe dan ook respect en bescheidenheid te tonen, zelfs indien de CEO zelf zich beledigend heeft uitgelaten. Verder heeft DPT onbetwist gesteld dat de CEO ter zake van het voorgevallene naar [verweerder] toe zijn verontschuldigingen heeft aangeboden voor zijn gedraging, terwijl omgekeerd [verweerder] dit heeft nagelaten. Het Gerecht is van oordeel dat het hier besproken gedrag van [verweerder] blijk geeft van een ernstig gebrek aan respect voor de hiërarchie binnen DPT. Dit temeer om het navolgende.
Verweerder] heeft nog betoogd - zo begrijpt het Gerecht - dat het uitschelden van een CEO niet als een ernstige gedraging moet worden beschouwd, nu het - volgens hem – wel vaker gebeurt dat discussies tijdens vergaderingen escaleren en dat daarbij beledigende uitlatingen worden gedaan, zo ook en zelfs tijdens de parlementaire vergaderingen van Aruba. [Verweerder] miskent hier echter mee dat in een parlementaire vergadering geen gezagsverhouding bestaat zoals wel het geval is op de werkvloer van DPT, en al helemaal met betrekking tot de relatie tussen de CEO van DPT en [verweerder]. Dergelijk gedrag kan (anders dan [verweerder] stelt) niet worden aangemerkt als kritisch en assertief optreden van [verweerder] in zijn rol als shop steward voor de vakbond, en hoeft DPT absoluut niet te dulden. Ook hier miskent [verweerder] ernstig de omstandigheid dat de rol van shop steward voor een vakbond geen vrijbrief biedt voor doen van dergelijke uitlatingen naar zijn superieuren op de werkvloer van DPT, en zeker niet met betrekking tot de CEO.
Het Gerecht is gelet op al het bovenstaande met DPT van oordeel dat de hiervoor genoemde verwijtbare gedragingen van [verweerder] in onderling samenhang bezien reeds een (uitgestelde) dringende reden opleveren die de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met DPT rechtvaardigt als na te melden. De door DPT aangedragen verdere gedragingen van [verweerder] uit het verleden kunnen daarom buiten beschouwing blijven. Van een opzegverbod is in het onderhavige geval overigens geen sprake, nu de aan [verweerder] verweten gedragingen geen verband houden met zijn rol als shop steward, maar met zijn gedrag als werknemer. Voorts wordt nog overwogen dat bedoelde (uitgestelde) dringende reden als grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] in de weg staat aan toekenning aan [verweerder] van een ten laste van DPT komende ontbindingsvergoeding.
Verweerder] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van DPT, tot aan deze uitspraak begroot op (Afl. 450,- + Afl. 215,- =) Afl. 665,- aan verschotten (griffiegeld en oproepkosten) en Afl. 2.500,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten, tarief 5 ad Afl. 1.250,- per punt).
5. DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
ontbindt de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst met ingang van donderdag 16 april 2026, zonder toekenning aan [verweerder] van een ontbindingsvergoeding;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van DPT, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 3.165,--.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 15 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.