Uitspraak van 25 mei 2026
BBZ nrs. AUA202501755, AUA202501858 tot en met AUA202501860
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], wonende in Nederland,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Aruba,
de Inspecteur.
1. PROCESVERLOOP
Aan belanghebbende zijn op 23 september 2024 naheffingsaanslagen toeristenheffing (TH) met betrekking tot de tijdvakken januari tot en met april 2024 opgelegd met de volgende verschuldigde bedragen: januari Afl. 425,81, februari Afl. 283,86, maart Afl. 859,95 en april Afl. 355,00. Tegelijkertijd werden er vergrijpboeten opgelegd van 25%, respectievelijk: januari Afl. 106,45, februari Afl. 70,97, maart Afl. 214,99 en april Afl. 88,75.
Belanghebbende heeft op 26 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen de genoemde vergrijpboeten.
De Inspecteur heeft op 24 september 2024 uitspraken op bezwaar gedaan, waarbij het bezwaar werd afgewezen en de vergrijpboeten gehandhaafd.
Tegen de uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende geen beroep ingesteld.
Aan belanghebbende zijn op 28 februari 2025 nadere naheffingsaanslagen TH met betrekking tot de tijdvakken januari tot en met april 2024 opgelegd met (afgerond) de volgende verschuldigde bedragen: januari Afl. 1.477,18, februari Afl. 984,80, maart Afl. 2.983,18 en april Afl. 1.231,39. Hierbij zijn geen vergrijpboeten opgelegd.
Belanghebbende heeft op 8 april 2025 bezwaar gemaakt tegen de in 1.5 genoemde naheffingsaanslagen.
De Inspecteur heeft op 27 april 2025 uitspraken op bezwaar gedaan, waarbij de naheffingsaanslagen werden gehandhaafd.
Belanghebbende heeft op 11 juni 2025 beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Inspecteur. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.
De Inspecteur heeft op 4 november 2025 een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026 te Oranjestad. Belanghebbende is in persoon verschenen samen met diens adviseur, mr. [A] verbonden aan het advieskantoor [X]. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [B] en [C].
Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overlegd en voorgedragen.
2. FEITEN
Belanghebbende is woonachtig in Nederland en bezit in de onderhavige tijdvakken, twee onroerende goederen op Aruba. Deze zijn gelegen te [adres 1] en [adres 2].
De exploitatie van de onroerende goederen heeft belanghebbende uitbesteed aan het bedrijf: [Y].
De onroerende goederen worden door [Y], via verschillende platforms ter verhuur, aangeboden aan het publiek.
In het jaar 2024 heeft er een boekenonderzoek plaats gevonden bij belanghebbende, welke resulteerde in het concept controlerapport van 4 juni 2024.
Op 12 juni 2024 werd het concept-rapport, met dagtekening 19 juni 2024, elektronisch aan belanghebbende toegezonden vergezeld van een brief met het voornemen tot het opleggen van vergrijpboeten van 25% wegens grove schuld. In de brief werd een reactie termijn aangegeven van twee weken.
Op 17 juni 2024 is het concept-controlerapport door de controle-ambtenaar besproken met de adviseur van belanghebbende. De adviseur heeft namens belanghebbende aangegeven akkoord te gaan met de voorgestelde correcties.
Op 19 juni 2024 is het definitief controlerapport verzonden naar belanghebbende.
Conform paragraaf 2.2 uit het controlerapport, luid als volgt:
“2.2 ADMINISTRATIE EN AANGIFTEN
Belastingplichtige heeft, zoals reeds aangegeven in voorgaande paragraaf, geen aangiften toeristenheffing ingediend. De administratie is doorgenomen. Aan de hand van interne rapportages is gebleken dat in de tijdvakken mei 2023 tot en met maand april 2024 de grondslagen van de toeristenheffing als volgt waren. Grondslag voor het berekenen van de toeristenheffing is the bruto omzet (gross income) zoals aangegeven op de afrekening met [Y].
De totaal wordt als volgt berekend:
Berekening TH
2023
Januari 2024
Februari 2024
Maart 2024
April 2024
Aangegeven
89.493,16
15.224,31
10.149,30
30.746,62
12.692,68
TH%
12,5%
12,5
12,5
12,5
12,5
Na te heffen TH
11.186,65
1.903,04
1.268,66
3.843,33
1.586,58
(…)”
De verschuldigde TH naar aanleiding van het definitieve controlerapport, zijn als volgt nageheven.
Na te heffen TH
Januari 2024
Februari 2024
Maart 2024
April 2024
23.09.2024
425,81
283,86
859,95
355,00
28.02.2025
1.477,18
984,80
2.983,18
1.231,39
3. GESCHIL
In geschil is:
I. of de nadere naheffingsaanslagen TH met betrekking tot de tijdvakken januari tot en met april 2024 rechtmatig zijn opgelegd;
II. of er sprake is van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Belanghebbende beantwoordt de onder 3.1 genoemde vragen bevestigend en stelt zich op het standpunt dat de nadere naheffingsaanslagen niet rechtmatig zijn opgelegd, omdat de Inspecteur door het opleggen daarvan in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwens-, zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel.
De Inspecteur beantwoordt deze vragen ontkennend en stelt zich op het standpunt dat hij bevoegd was de nadere naheffingsaanslagen op te leggen en dat van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geen sprake is.
4. OVERWEGINGEN
Op grond van artikel 15 van de Algemene landsverordening belastingen (hierna: ALB) is de Inspecteur bevoegd belasting na te heffen indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, niet of tot een te gering bedrag is betaald. Anders dan belanghebbende heeft gesteld is voor het opleggen van een naheffingsaanslag geen nieuw feit vereist.
Geen wettelijke bepaling beperkt de bevoegdheid tot het opleggen van naheffingsaanslagen in die zin dat over hetzelfde tijdvak slechts één naheffingsaanslag mogelijk zou zijn.
Tussen partijen is niet in geschil dat de toeristenheffing over januari tot en met april 2024 bij de naheffingsaanslagen van 23 september 2024 tot een te laag bedrag is nageheven. De Inspecteur was derhalve in beginsel bevoegd tot het opleggen van de nadere naheffingsaanslagen van 28 februari 2025.
De uitoefening van deze bevoegdheid wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het geschil spitst zich toe op de vraag of in dit geval sprake is van een zodanige schending van het vertrouwens-, rechtszekerheids- of zorgvuldigheidsbeginsel dat de nadere naheffingsaanslagen niet in stand kunnen blijven.
Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur door het opleggen van de naheffingsaanslagen van 23 september 2024 het vertrouwen heeft gewekt dat de belastingheffing over de betrokken tijdvakken definitief was vastgesteld en dat geen nadere naheffing zou volgen.
Het Gerecht stelt voorop dat niet ieder subjectief vertrouwen bescherming verdient. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat door of namens de Inspecteur een toezegging is gedaan of een gedraging is verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de Inspecteur een welbewuste en definitieve standpuntbepaling had ingenomen en dat geen nadere naheffing zou volgen.
In het onderhavige geval staat vast dat in het controlerapport hogere bedragen aan verschuldigde TH zijn berekend dan bij de naheffingsaanslagen van 23 september 2024 zijn nageheven. Het conceptrapport is voorafgaand aan het opleggen van die naheffingsaanslagen met de adviseur van belanghebbende besproken, zodat belanghebbende bekend was met de inhoud en de daarin opgenomen correcties.
De naheffingsaanslagen van 23 september 2024 weken zonder enige aanleiding aanzienlijk af van de in het controlerapport vermelde bedragen. Gelet op de voorafgaande bespreking van dat rapport was voor belanghebbende kenbaar dat volgens de bevindingen van het boekenonderzoek hogere bedragen aan toeristenheffing verschuldigd waren. Onder deze omstandigheden kon belanghebbende redelijkerwijs niet menen dat de lagere naheffingsaanslagen een bewuste en definitieve afwijking van het controlerapport vormden. Uit het enkele feit dat aanvankelijk lagere bedragen zijn nageheven, kan dan ook niet worden afgeleid dat de Inspecteur definitief heeft afgezien van het naheffen van het resterende bedrag. Dat met betrekking tot de eerste naheffingsaanslagen en boetes een traject van bezwaar en uitspraken is gevolgd maakt dat niet anders.
Van gerechtvaardigd vertrouwen is derhalve geen sprake.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door na het opleggen van de naheffingsaanslagen van 23 september 2024 alsnog nadere naheffingsaanslagen op te leggen.
Het Gerecht overweegt dat het geschil uitsluitend ziet op de nadere naheffingsaanslagen van 28 februari 2025. De vraag is derhalve of de handelwijze van de Inspecteur bij het opleggen van deze nadere naheffingsaanslagen in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Dat de eerdere naheffingsaanslagen niet aansloten bij de bevindingen van het controlerapport, kan als onzorgvuldig worden aangemerkt. Dit brengt echter niet zonder meer mee dat het opleggen van de nadere naheffingsaanslagen onzorgvuldig is of dat deze daarom niet in stand kunnen blijven.
Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel leidt slechts tot vernietiging van een aanslag indien de handelwijze van de Inspecteur zodanig is dat hij in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van zijn wettelijke naheffingsbevoegdheid.
Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is niet gebleken. De nadere naheffingsaanslagen strekken ertoe de wettelijk verschuldigde TH alsnog te heffen. Dat aanvankelijk een te laag bedrag is nageheven, maakt niet dat de Inspecteur het resterende verschuldigde bedrag niet alsnog mocht naheffen.
Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake.
Rechtszekerheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het opleggen van de nadere naheffingsaanslagen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, nu hij erop mocht vertrouwen dat met de naheffingsaanslagen van 23 september 2024 de belastingheffing over de betrokken tijdvakken definitief was afgewikkeld.
Het rechtszekerheidsbeginsel strekt ertoe de burger te beschermen tegen onvoorspelbaar en willekeurig overheidshandelen. Het staat echter niet eraan in de weg dat de Inspecteur gebruikmaakt van zijn wettelijke naheffingsbevoegdheid indien voor de belastingplichtige kenbaar is dat te weinig belasting is geheven.
Nu belanghebbende, gelet op het controlerapport en de bespreking daarvan, wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de naheffingsaanslagen van 23 september 2024 niet aansloten bij de bevindingen van het boekenonderzoek en tot een te laag bedrag waren vastgesteld, kon hij er niet op vertrouwen dat de belastingheffing over de betrokken tijdvakken definitief was afgewikkeld.
Ook het beroep op schending van het rechtszekerheidsbeginsel faalt.
Slotsom
De Inspecteur was bevoegd de nadere naheffingsaanslagen op te leggen. Van schending van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake. Voor zover sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, leidt deze in de gegeven omstandigheden niet tot vernietiging van de nadere naheffingsaanslagen. Het beroep is ongegrond.
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.
6. DE BESLISSING
Het Gerecht verklaart:
- het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.A. Brinkenberg, rechter, en is uitgesproken op 25 mei 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noel-van der Biezen BSc.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op 25 mei 2026 aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Afl. 75
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300