ECLI:NL:OGEAA:2026:134

ECLI:NL:OGEAA:2026:134

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer AUA202600980 KG
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding

Samenvatting

Twee partijen vorderen uitgifte van hetzelfde perceel in erfpacht van het Land; toewijzing aan de partij met oudste rechten; veroordeling tot medewerking; indeplaatstreding vonnis.

Uitspraak

Vonnis van 20 mei 2026

Behorend bij AUA202600980 KG

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

NOR-ANN N.V.,

te Aruba,

eiseres,

hierna te noemen: Nor-Ann,

gemachtigde: de advocaat mr. A.C.G. Bikker,

tegen:

HET LAND ARUBA,

te Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: het Land,

gemachtigden: de advocaten mrs. J.J. Steward en M. Bemer,

en in het incident tot tussenkomst in de zaak van:

MAINSTREAM PROPERTIES N.V.,

te Aruba,

eiseres in het incident tot tussenkomst,

voorwaardelijk verweerster in reconventie,

hierna te noemen: Mainstream,

gemachtigden: de advocaten mrs. R.A. Wix en R.A.M. van de Velde,

tegen:

HET LAND ARUBA,

te Aruba,

verweerder in het incident tot tussenkomst,

voorwaardelijk eiser in reconventie,

hierna te noemen: het Land,

gemachtigden: de advocaten mrs. J.J. Steward en M. Bemer,

en:

NOR-ANN N.V.,

te Aruba,

verweerster in het incident tot tussenkomst,

hierna te noemen: Nor-Ann,

gemachtigde: de advocaat mr. A.C.G. Bikker,

en in het incident tot voorwaardelijke voeging in de tussenkomst van:

NOR-ANN N.V.,

te Aruba,

eiseres in het incident tot voorwaardelijke voeging,

hierna te noemen: Nor-Ann,

gemachtigde: de advocaat mr. A.C.G. Bikker,

tegen:

HET LAND ARUBA,

te Aruba,

verweerder in het incident tot voorwaardelijke voeging,

hierna te noemen: het Land,

gemachtigden: de advocaten mrs. J.J. Steward en M. Bemer,

en:

MAINSTREAM PROPERTIES N.V.,

te Aruba,

verweerster in het incident tot voorwaardelijke voeging,

hierna te noemen: Mainstream,

gemachtigden: de advocaten mrs. R.A. Wix en R.A.M. van de Velde.

1. DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:

het verzoekschrift met producties van Nor-Ann van 30 maart 2026;

de nadere producties van Nor-Ann van 16 april 2026.

Het verloop van de procedure in het incident tot tussenkomst blijkt uit:

het verzoekschrift tot tussenkomst met producties van Mainstream van 9 april 2026;

de nadere producties van Mainstream van 16 april 2026;

de incidentele conclusie houdende voorwaardelijke eis in reconventie van het Land van 16 april 2026;

de producties van het Land van 16 april 2026.

Het verloop van de procedure in het incident tot voorwaardelijke voeging blijkt uit de incidentele conclusie tot tussenkomst en/of voorwaardelijke voeging van Nor-Ann van 21 april 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 24 april 2026. Hierbij waren aanwezig namens Nor-Ann haar bestuurder [bestuurder van Nora-Ann], vergezeld door bouwtechnisch adviseur mw. [bouwtechnisch adviseur] en [medewerker van Nora-Ann], namens Mainstream haar bestuurder [bestuurder van Mainstream], en de gemachtigden voornoemd. Partijen hebben in twee termijnen hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van pleitnota’s die zijn overgelegd, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. Aan de pleitnota namens Nor-Ann zijn negen aanvullende producties gehecht en namens Mainstream is één aanvullende productie overgelegd, waartegen de overige partijen geen bezwaar hebben gemaakt en die aan het dossier zijn toegevoegd. Partijen hebben voorts vragen van de rechter beantwoord.

Het Gerecht heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan in het door Mainstream opgeworpen incident tot tussenkomst in de hoofdzaak en in het door Nor-Ann opgeworpen voorwaardelijke incident tot voeging aan de zijde van het Land. Die uitspraken worden thans schriftelijk voorzien van motivering neergelegd in dit vonnis.

Vonnis in de hoofdzaak na tussenkomst en voeging is bepaald op vandaag.

2. DE FEITEN

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende (nader) bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende (nader) bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

Feiten ten aanzien van Nor-Ann

Nor-Ann heeft in 2014 een recht van erfpacht van het Land verkregen op het perceel, kadastraal bekend als Land Aruba, Tweede Afdeling, Sectie C, nummer [perceel nummer 1] met het daarop gebouwde gebouw (hierna: Nor-Anns perceel). In het gebouw, dat door Nor-Ann wordt verhuurd, zijn kantoren en een restaurant gevestigd.

Op 12 december 2022 heeft Nor-Ann een aanvraag ingediend voor uitbreiding van het erfpachtrecht met het naastgelegen perceel, kadastraal bekend als Land Aruba, Tweede Afdeling, Sectie C, nummer [perceel nummer 2] (hierna: het Perceel). Nor-Ann wil het Perceel gebruiken voor extra parkeervoorzieningen ten behoeve van haar huurders.

Nor-Ann ontving naar aanleiding van haar aanvraag op 8 januari 2024 een e-mail van de Directie Infrastructuur en Planning (hierna: de DIP), met als bijlage een brief van 14 december 2023. In de brief staat onder meer:

“Uw verzoek voor een uitbreiding a/d L.G.S. Boulevard is thans in behandeling. Indien u akkoord gaat met de grootte van ongeveer 754 m2 van de uitbreiding, dient u eerst het bedrag van AWG. 300,00 als administratiekosten conform artikel 1, lid 2 van het Retributie- en legesbesluit DIP en AWG. 3.565,00 als metingskosten ten behoeve de uitzetting en opmeting van voornoemde uitbreiding van uw perceel bij de DIP te betalen.”

De begeleidende e-mail bevat onder meer de volgende tekst:

Despues di haci e pago por mail mi e comprobante pa por laga traha e overeenkomst pa bay pasa e aco na un notario.”

Op 8 januari 2024 heeft Nor-Ann het bedrag van in totaal Afl. 3.865,- voldaan.

Bij brief van 27 februari 2026 heeft Nor-Ann de DIP verzocht om over te gaan tot formalisering van de uitgifte van het erfpachtrecht betreffende het Perceel. Bij brief van 17 maart 2026 heeft Nor-Ann het verzoek herhaald. Op de brieven is geen reactie gekomen.

Feiten ten aanzien van Mainstream

Mainstream heeft in 2018 een recht van erfpacht van het Land verkregen op het perceel, kadastraal bekend als Tweede afdeling, Sectie C, nummer [perceel nummer 3] (hierna: Mainstreams perceel).

In 2012 hebben Mainstream en het Land afspraken gemaakt over een grondruil. De aanleiding hiervoor was de wens van het Land om een ontsluitingsweg aan te leggen over een deel van Mainstreams perceel. De afspraken zijn nader uitgewerkt en vastgelegd in een overeenkomst van 1 november 2017 die is ondertekend door de bestuurder van Mainstream en de toenmalige minister. Volgens de overeenkomst wordt Mainstreams perceel gesplitst en een gedeelte daarvan (hierna: de Wegstrook) aan het Land prijsgegeven ten behoeve van de ontsluitingsweg. Als tegenprestatie is opgenomen dat het Land twee percelen domeingrond in erfpacht aan Mainstream uitgeeft: het Perceel en een perceel gelegen ten zuiden van Mainstreams perceel (hierna: het Zuidperceel). Voorts bepaalt de overeenkomst onder meer de hoogte van de canon en de duur van het recht van erfpacht. Met betrekking tot de geldigheid van de overeenkomst is opgenomen dat deze wordt geacht te zijn ontbonden als de notariële akte van erfpachtverlening niet binnen zes maanden na dagtekening is verleden.

Op de Wegstrook is een zandweg gerealiseerd die wordt gebruikt als openbare ontsluitingsweg.

In 2018, 2022 en 2023 heeft de bestuurder van Mainstream meermaals via Whatsapp bij de toenmalige minister en minister-president navraag gedaan over de stand van zaken met betrekking tot de uitgifte van het Perceel en het Zuidperceel in erfpacht. Daarop reageerden zij meermaals ermee bezig te zijn.

Bij brief van 23 februari 2024 heeft Mainstream het Land gesommeerd om uitvoering te geven aan de overeenkomst door de notaris opdracht te geven om de akte tot uitgifte van het Perceel en het Zuidperceel in erfpacht op te maken en te passeren.

Op of na 10 april 2026 heeft Mainstream, met verlof van dit Gerecht, conservatoir leveringsbeslag gelegd op het Perceel en het Zuidperceel.

3. HET GESCHIL

In de hoofdzaak

Nor-Ann vordert – samengevat – dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het Land veroordeelt om binnen 14 dagen volledige medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële akte tot (weder)uitgifte in erfpacht van Nor-Anns perceel en het Perceel en alle daartoe noodzakelijke handelingen te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Afl. 10.000,- per dag(deel) dat het Land hieraan niet voldoet, en bepaalt dat als de betreffende notariële akte niet binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis is verleden, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de notariële akte en kan worden ingeschreven in de openbare registers, met veroordeling van het Land in de proceskosten.

Nor-Ann legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan het Land jegens Nor-Ann is gehouden tot uitgifte van het erfpachtrecht ten aanzien van het Perceel. De brief van 14 december 2023, in samenhang met de e-mail van 8 januari 2024, kwalificeert namelijk als een onvoorwaardelijk aanbod en de betaling van de factuur door Nor-Ann als de aanvaarding daarvan. Nor-Ann mocht er dan ook op vertrouwen dat de formele schriftelijke vastlegging en de doorgeleiding naar de notaris louter administratieve uitvoeringshandelingen betreffen. Volgens beleid van het Land komt Nor-Ann in aanmerking voor uitgifte van het Perceel als uitbreiding van Nor-Anns perceel, dat in feite niet meer is dan een ‘restperceel’, met name nu Nor-Anns perceel een kleinere oppervlakte heeft dan de andere uitgegeven percelen in de omgeving. Nor-Ann heeft groot belang bij het Perceel vanwege de steeds urgentere parkeernood in het gebied.

Het Land voert verweer tegen de vordering van Nor-Ann en concludeert tot afwijzing daarvan.

Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan.

In het door Mainstream opgeworpen incident tot tussenkomst

Mainstream verzoekt in de hoofdzaak tussen te komen en, indien toegelaten, vordert zij – samengevat – dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het Land veroordeelt om binnen 14 dagen volledige medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële akte tot uitgifte in erfpacht van het Perceel en het Zuidperceel en alle daartoe noodzakelijke handelingen te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Afl. 10.000,- per dag(deel) dat het Land hieraan niet voldoet, en bepaalt dat als de betreffende notariële akte niet binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis is verleden, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de notariële akte en kan worden ingeschreven in de openbare registers, met veroordeling van het Land in de proceskosten. Mainstream concludeert verder - net als het Land - tot afwijzing van het door Nor-Ann gevorderde.

Mainstream legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Al in 2012 zijn er met het Land afspraken gemaakt voor een grondruil die vervolgens zijn vastgelegd in een overeenkomst van 1 november 2017. Mainstream heeft conform die overeenkomst de Wegstrook prijsgegeven aan het Land, dat deze sindsdien in gebruik heeft als ontsluitingsweg. Het Land weigert de overeengekomen tegenprestatie te leveren; ondanks herhaalde verzoeken heeft het Land tot op heden geen opdracht gegeven aan de notaris om de akte conform de overeenkomst op te maken en te passeren. Nu ook Nor-Ann aanspraak maakt op het Perceel, ziet Mainstream geen andere optie dan in deze procedure tussen te komen en onder meer eveneens uitgifte in erfpacht van het Perceel te vorderen.

Het Land voert verweer tegen de vordering van Mainstream en concludeert tot afwijzing daarvan. In voorwaardelijke reconventie, indien Mainstream wordt toegelaten tussen te komen, vordert het Land opheffing van het door Mainstream gelegde conservatoire leveringsbeslag op het Perceel en het Zuidperceel, met veroordeling van Mainstream in de proceskosten.

Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan.

In het door Nor-Ann opgeworpen incident tot voeging

Nor-Ann verzoekt “tussenkomst en/of voorwaardelijke voeging” in de tussenkomst. De daartoe ingediende conclusie eindigt met een vordering tot opheffing van het door Mainstream gelegde conservatoire leveringsbeslag op het Perceel. Het Gerecht begrijpt dat Nor-Ann bedoelt zich te voegen aan de zijde van het Land (in reconventie), dat immers in voorwaardelijke reconventie opheffing van het beslag vordert.

Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan.

4. DE BEOORDELING

In de incidenten

Nor-Ann en het Land hebben desgevraagd geuit geen bezwaar te hebben tegen de door Mainstream verzochte tussenkomst in de hoofdzaak. Het Gerecht overweegt dat Mainstream nadelige gevolgen kan ondervinden van de uitspraak in de hoofdzaak, die ziet op het Perceel waarop Mainstream aanspraak maakt, zodat zij belang heeft zoals bedoeld in artikel 214 Rv. Mainstream wordt daarom toegelaten om in de hoofdzaak tussen te komen en haar eigen vordering in te stellen. Omdat geen verweer is gevoerd, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

Gelet op de toegelaten tussenkomst door Mainstream, is de voorwaarde voor het verzoek tot voeging door Nor-Ann vervuld. Het Land en Mainstream hebben desgevraagd aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de door Nor-Ann verzochte voeging aan de zijde van het Land. Nor-Ann heeft voldoende belang bij de vordering tot opheffing van het beslag, gelegd op het Perceel waarop zij aanspraak maakt, zodat de voeging aan de zijde van het Land in reconventie zal worden toegestaan. De proceskosten zullen worden gecompenseerd. Hierbij wordt nog overwogen dat door de tussenkomst van Mainstream in de hoofdzaak de door het Land gestelde voorwaarde voor het instellen van zijn reconventionele vordering is vervuld.

In de hoofdzaak na tussenkomst en voeging - Mainstream

Het Gerecht ziet aanleiding om eerst de vordering van Mainstream te beoordelen.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen van Mainstream en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen. Van Mainstream kan in redelijkheid niet worden verwacht dat zij de afloop van een bodemprocedure afwacht.

Het Gerecht gaat voorbij aan het verweer van het Land dat de vorderingen van Mainstream zich wegens hun complexiteit niet lenen voor behandeling in kort geding. Gelet op de aard van het geschil en de overgelegde stukken is de zaak naar het oordeel van het Gerecht, ook als het Land zich ziet geconfronteerd met twee eiseressen, niet zodanig complex dat deze ongeschikt is voor behandeling in kort geding.

In dit kort geding dient, aan de hand van hetgeen partijen hebben gesteld en zonder nader onderzoek, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, te worden beoordeeld of de vorderingen van Mainstream in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorzieningen gerechtvaardigd is. De vorderingen van Mainstream strekken, kort gezegd, tot vestiging van een erfpachtrecht ten behoeve van haar ten aanzien van het Perceel en het Zuidperceel. Het Gerecht overweegt in dat kader het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst tussen Mainstream en het Land tot grondruil rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat daarin over en weer verplichtingen zijn opgenomen. Het Land stelt zich op het standpunt dat hij zijn verplichtingen niet hoeft te na te komen omdat de overeenkomst inmiddels van rechtswege is ontbonden. Het Land verwijst naar de daarin opgenomen bepaling dat als de notariële akte niet binnen zes maanden is verleden, de overeenkomst wordt geacht te zijn ontbonden. Voorts verwijst het Land in dit verband naar een brief van de DIP van 11 juli 2019, waarin zij aan de toenmalige minister voorstelt de overeenkomst met Mainstream, die “op 1 mei 2018 van rechtswege [is] verlopen”, met 18 maanden te verlengen.

Mainstream heeft gemotiveerd betoogd dat het beroep van het Land op de ontbindende voorwaarde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uit artikel 6:23 lid 2 BW volgt dat als de partij die bij de vervulling van een ontbindende voorwaarde belang had de vervulling teweeg heeft gebracht, de voorwaarde als niet vervuld geldt indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen. Naar voorlopig oordeel van het Gerecht is van die situatie sprake. Mainstream heeft onweersproken aangevoerd dat de Dienst Openbare Werken (DOW) de Wegstrook heeft schoongemaakt, waardoor een zandweg is gerealiseerd die dienstdoet als openbare weg, die sindsdien wordt onderhouden. Daarmee staat vast dat het Land de Wegstrook in gebruik heeft genomen, waarmee het Land feitelijke uitvoering aan de overeenkomst heeft gegeven. Uitvoering is evenwel alleen gegeven aan het deel van de overeenkomst waarbij het Land zelf baat heeft; zijn eigen tegenprestatie – het verlenen van de erfpachtrechten – heeft hij achtergehouden. De reden daarvoor volgt uit de door het Land aangehaalde brief van de DIP, waarin staat dat de vertraagde behandeling “heeft te maken met het feit dat de behandeling werd aangehouden vlak voor c.q. na de laatste Statenverkiezingen rekening houdend met de mogelijkheid dat een beslissing kon worden genomen als “afscheidsbeleid”.” Het Land heeft aldus welbewust de uitvoering van zijn deel van de overeenkomst stilgelegd in afwachting van de nieuw te vormen regering, terwijl overigens ook daarna geen enkele stap is gezet om over te gaan tot nakoming. Daarmee is het belang van het Land bij de door het Land teweeggebrachte vervulling van de ontbindende voorwaarde op voorhand gegeven. Onder deze omstandigheden is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de redelijkheid en billijkheid verlangen dat de voorwaarde geldt als niet vervuld.

Het Land verwijst nog naar een advies van de DOW van 9 november 2017, waarin wordt geadviseerd het Zuidperceel niet in erfpacht uit te geven. Dit doet niets af aan (de rechtsgeldigheid van) de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Indien het Land belang hecht aan de adviezen van de DOW, zou het voor de hand liggen om die af te wachten alvorens ter zake een overeenkomst aan te gaan.

Tot slot voert het Land aan dat de Didam-rechtspraak in de weg staat aan toewijzing van de vordering, omdat die de mogelijkheid van het Land om domeingrond exclusief aan één partij uit te geven begrenst. Daarmee miskent het Land dat een overeenkomst die in strijd met de Didam-regels is gesloten, niet leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid daarvan. De overeenkomst met Mainstream blijft dus ook in dat geval geldig. Dat het Land eventueel uit hoofde van onrechtmatige daad schadeplichtig is ten opzichte van een gegadigde die geen eerlijke kans heeft gekregen om mee te dingen naar het Perceel, maakt dat niet anders.

Het voorgaande leidt tot de voorlopige conclusie dat de overeenkomst tussen het Land en Mainstream niet is ontbonden en dus tot op heden onverkort voortduurt. Dat betekent dat het Land nog altijd in gebreke is met de nakoming van de uit hoofde daarvan op hem rustende verplichtingen. Deze zien op de erfpachtverlening aan Mainstream van zowel het Perceel als het Zuidperceel. Het Land zal worden veroordeeld tot medewerking aan het verlijden van de notariële akte daartoe, waarbij - gelet op de al jaren voortdurende weigerachtige houding van het Land - zal worden bepaald dat dit vonnis daarvan in de plaats zal treden voor alle vereiste door het Land te verrichten (rechts)handelingen voor zover die medewerking uitblijft. Deze vorderingen zijn in kort geding toewijsbaar omdat bij de hiervoor geschetste stand van zaken in een bodemprocedure een gelijk oordeel valt te verwachten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die een ander oordeel kunnen dragen. Ook afweging van de belangen van partijen maakt dit niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van het Land en van Nor-Ann bij afwijzing van het door Mainstream gevorderde ten opzichte van de belangen van Mainstream bij haar als na te melden toe te wijzen vorderingen.

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor oplegging van een dwangsom indien medewerking van het Land aan de notariële akte uitblijft, zoals door Mainstream verzocht. De aard en de strekking van de toe te wijzen vordering brengen met zich dat oplegging van dwangsommen aan het Land achterwege kan blijven.

Het Land zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van Mainstream, die tot aan deze uitspraak worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht en Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris.

Uit de toewijzing van de vordering tot uitgifte in erfpacht van beide percelen aan Mainstream volgt dat de in reconventie gevorderde opheffing van het door haar gelegde leveringsbeslag dient te worden afgewezen. Het Land en Nor-Ann, die zich aan de zijde van het Land in reconventie heeft gevoegd, zullen ieder voor zich worden veroordeeld in de proceskosten van Mainstream. Deze worden telkens begroot op Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.

In de hoofdzaak na tussenkomst - Nor-Ann

De toewijzing van de vordering tot erfpachtverlening van Mainstream heeft bovendien tot gevolg dat er geen ruimte bestaat voor toewijzing van de vorderingen van Nor-Ann, die strekken tot uitgifte in erfpacht van het Perceel aan haar. Nog daargelaten dat in het licht van het te dezen door het Land gemotiveerd gevoerde verweer voorshands niet kan worden aangenomen dat tussen Nor-Ann en het Land een overeenkomst tot erfpachtverlening tot stand is gekomen, geldt dat deze volgens de stellingen van Nor-Ann tot stand is gekomen in 2024 en daarmee dus ruim zes jaren nadat het Land de overeenkomst tot erfpachtverlening heeft gesloten met Mainstream. Artikel 3:298 BW bepaalt dat als meerdere partijen met elkaar botsende rechten tot levering ten aanzien van hetzelfde goed vervolgen, het oudste recht tot levering in beginsel voorrang heeft. Een eventuele aanspraak van Nor-Ann ten aanzien van levering van het Perceel stuit daarmee af op het oudere recht op levering van Mainstream, met als gevolg dat de vorderingen van Nor-Ann zullen worden afgewezen. Afweging van de belangen van partijen maakt dit niet anders omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van Nor-Ann bij toewijzing van het door haar verzochte ten opzichte van de belangen van het Land en van Mainstream bij afwijzing daarvan.

Nor-Ann zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van het Land en in die van Mainstream, die tot deze uitspraak met betrekking tot het Land worden begroot op Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris (te vermeerderen met wettelijke rente als na te melden) en met betrekking tot Mainstream worden begroot op nihil.

5. DE UITSPRAAK

Het Gerecht, recht doende in kort geding:

in het incident tot tussenkomst

staat Mainstream toe om in de hoofdzaak tussen te komen;

compenseert de proceskosten in dit incident tussen Mainstream, het Land en Nor-Ann, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

in het incident tot voeging

staat Nor-Ann toe om zich te voegen aan de zijde van het Land in de hoofdzaak in reconventie;

compenseert de proceskosten in dit incident tussen Nor-Ann, het Land en Mainstream, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak na tussenkomst en voeging

in conventie

wijst af het door Nor-Ann gevorderde;

veroordeelt Nor-Ann in de proceskosten gevallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na deze uitspraak;

veroordeelt Nor-Ann in de proceskosten gevallen aan de zijde van Mainstream, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

veroordeelt het Land om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis volledige medewerking te verlenen, waaronder het verrichten van alle noodzakelijke (rechts)handelingen en het ondertekenen van documenten zoals door de notaris bepaald, aan de notariële akte tot uitgifte in erfpacht van het perceel kadastraal bekend als Tweede afdeling, Sectie C, nummer [perceel nummer 2] en het perceel kadastraal bekend als Tweede afdeling, Sectie C, nummer [perceel nummer 4], ten overstaan van een door Mainstream aangewezen notaris in Aruba;

bepaalt, voor zover de notariële akte tot uitgifte in erfpacht 30 dagen na betekening van dit vonnis niet is verleden als gevolg van de niet-nakoming van het Land van de hiervoor onder 5.8 omschreven veroordeling, dat dit vonnis in de plaats treedt van alle vereiste door het Land te verrichten (rechts)handelingen voor de uitgifte in erfpacht aan Mainstream van het perceel kadastraal bekend als Tweede afdeling, Sectie C, nummer [perceel nummer 2] en het perceel kadastraal bekend als Tweede afdeling, Sectie C, nummer [perceel nummer 4];

veroordeelt het Land in de proceskosten gevallen aan de zijde van Mainstream, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.950,-;

in reconventie

wijst af het door het Land gevorderde;

veroordeelt het Land en Nor-Ann ieder voor zich in de proceskosten gevallen aan de zijde van Mainstream, tot aan deze uitspraak telkens begroot op Afl. 1.000,-;

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 20 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.H.M. van de Leur

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand