ECLI:NL:OGEAA:2026:14

ECLI:NL:OGEAA:2026:14, Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 06-01-2026, AUA202504028 KG

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 06-01-2026
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer AUA202504028 KG
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

KG, opheffing beslag vanwege strijd met artikel 430 lid 3 Rv door onjuiste betekening van de grosse van de beschikking. Geen restitutie van gelden, want er is niet onverschuldigd betaald.

Uitspraak

Vonnis van 7 januari 2026

Behorend bij AUA202504028 KG

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Eiser]

te Aruba,

eiser,

hierna te noemen: [eiser],

procederend in persoon,

tegen:

1. [Gedaagde 1],

hierna te noemen: [gedaagde 1], gemachtigde: de advocaat mr. S.M. Paesch,

en

2. [Gedaagde 2],

hierna te noemen: [gedaagde 2],

gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn,

beiden te Aruba,

gedaagden.

1. DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 3 december 2025;

- de incidentele vordering tot oproeping in de vrijwaring met producties, ingediend door [gedaagde 1] op 11 december 2025;

- de akte overlegging producties van [gedaagde 2], ingediend op 11 december 2025;

- de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 12 december 2025.

Ter zitting zijn verschenen [eiser] in persoon alsmede [gedaagde 1], bijgestaan door haar gemachtigde mr. Paesch, en [gedaagde 2], bijgestaan door mr. Gravenstijn.

eiser] heeft voorafgaand aan de zitting ter nadere onderbouwing van zijn vorderingen een akte genomen, maar deze niet aan de wederpartijen verstrekt. Zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] hebben hiertegen bezwaar gemaakt, waarna het Gerecht heeft beslist de akte buiten beschouwing te laten.

Vervolgens heeft het Gerecht ter terechtzitting mondeling beslist op de incidentele vordering van [gedaagde 1] tot oproeping van mr. Gravenstijn in de vrijwaring. Nu een vrijwaring in deze op snelheid gerichte procedure onredelijke vertraging zou veroorzaken, is dit verzoek afgewezen, met veroordeling van [gedaagde 1] in de incidentele proceskosten gevallen aan de zijde van [eiser] en aan de zijde van [gedaagde 2], telkens begroot op nihil.

Hierna hebben partijen het woord gevoerd (mede aan de hand van voorgedragen en overgelegde spreekaantekeningen) en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2. DE FEITEN

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

Bij beschikking van 18 november 2024 is onder meer bepaald dat [eiser] aan [gedaagde 2] een voorlopige uitkering tot levensonderhoud verschuldigd is van Afl. 1.500,- per maand. Deze beschikking is op 22 mei 2025 aan [eiser] betekend op het adres [adres 1].

Eiser] heeft na de beschikking van 18 november 2024 geen partneralimentatie aan [gedaagde 2] voldaan, waarna [gedaagde 2] op 20 juni 2025 is overgegaan tot het leggen van executoriaal derdenbeslag op het loon van [eiser] (hierna: het beslag). De overbetekening van het beslag heeft plaatsgevonden op 26 juni 2025, gericht aan [eiser] op het adres [adres 1].

Na de beslaglegging is in de maanden juli tot en met oktober 2025 steeds een bedrag van Afl. 1.416,70 op het salaris van [eiser] ingehouden. Op 19 november 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde 2] aan de werkgever van [eiser] per e-mail verzocht om bij de salarisbetaling over november 2025 het volledige salaris van [eiser] in te houden. De werkgever van [eiser] heeft aan dit verzoek gevolg gegeven, waardoor het volledige salaris van [eiser] over de maand november 2025 is ingehouden.

Op 27 december 2024 heeft [eiser] bij Censo aangifte gedaan van een adreswijziging, waarbij hij heeft opgegeven te zijn verhuisd van [adres 1] (hierna: het oude adres) naar [adres 2] (hierna: het nieuwe adres).

3. HET GESCHIL

Eiser] vordert, uitvoerbaar bij voorraad:

1. onmiddellijke opheffing of schorsing van het beslag;

2. nietigverklaring van het beslag wegens strijd met artikel 479i en 479h Rv;

3. [ Gedaagde 1] te bevelen de reeds ingehouden bedragen te restitueren;

4. [ Gedaagde 1] te verplichten een correcte, wettelijke herberekening van de eventuele betalingsachterstand van de door [eiser] aan [gedaagde 2] te betalen partneralimentatie op te maken;

5. te bepalen dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] aansprakelijk is/zijn voor de schade die is ontstaan door het niet kunnen voldoen aan de kinderalimentatieverplichting van [eiser] in de periode van het onrechtmatige beslag;

6. [ Gedaagde 1], althans [gedaagde 2], te veroordelen in de reeds door [eiser] geleden materiele schade voortvloeiende uit die onrechtmatige daad, waaronder de door de werkgever van [eiser] doorgevoerde vermindering van de wachttoelage van [eiser];

7. [ Gedaagde 1], althans [gedaagde 2], te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Gedaagde 1] voert verweer en verzoekt [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, subsidiair deze vorderingen ongegrond te verklaren en af te wijzen, alsmede [eiser] te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

Gedaagde 2] voert eveneens verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, zonder kostenveroordeling, aangezien partijen voormalige echtelieden zijn.

4. DE BEOORDELING

Ontvankelijkheid

Gedaagde 1] stelt dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen wegens het ontbreken van een juist rechtsmiddel en een spoedeisend belang. Ter onderbouwing voert zij aan dat [eiser] een wijzigingsverzoek ex artikel 824 Rv had kunnen indienen en dat de executie van de beschikking al geruime tijd aan de gang is, namelijk vanaf de aanvang van de daadwerkelijke uitvoering in juli 2025. [Gedaagde 2] voert – in aanvulling met betrekking tot het spoedeisend belang - aan dat geen sprake is van een financiële noodsituatie nu [eiser] meerdere kostbare reizen zou hebben gemaakt die wel door hem betaald konden worden.

Eiser] stelt daarentegen dat de aanleiding van dit kort geding de volledige inhouding (100%) van zijn salaris is. Door deze inhouding was hij genoodzaakt geld te lenen bij familie, vrienden en zijn vriendin om in zijn vaste lasten te kunnen voorzien, aldus [eiser].

Het Gerecht neemt het spoedeisend belang van [eiser] aan. De vordering ziet op de directe gevolgen van de volledige inhouding van zijn salaris. [Eiser] heeft gesteld dat hij hierdoor niet in staat is zijn vaste lasten te voldoen en tijdelijk afhankelijk is van leningen van derden. Het door [gedaagde 1] aangevoerde argument dat [eiser] een wijzigingsverzoek ex artikel 824 Rv had kunnen indienen, treft geen doel nu de oorzaak van dit kort geding juist ligt in de onmiddellijke 100% inhouding van het salaris. Gelet op deze (beweerdelijke) concrete financiële noodsituatie is het spoedeisend belang gegeven.

Nietigheid van het beslag?

Eiser] stelt allereerst dat het beslag nietig is vanwege strijd met artikelen 479i en 479h Rv. Het Gerecht stelt vast dat deze artikelen niet toepasselijk zijn op de huidige situatie waarin executoriaal beslag onder een derde is gelegd. De artikelen waarop [eiser] een beroep doet zijn alleen toepasselijk indien executoriaal beslag onder de schuldeiser zelf wordt gelegd. De vordering van [eiser] op dit onderdeel zal worden afgewezen.

Opheffing of schorsing van het beslag?

Daarnaast stelt [eiser] dat het beslag dient te worden opgeheven of geschorst, omdat het beslagexploot niet rechtsgeldig is betekend. Ter onderbouwing stelt [eiser] dat hij zijn adres op 27 december 2024 heeft gewijzigd bij Censo en dat de grosse van de beschikking van 14 november 2024 is betekend aan zijn oude adres net als de overbetekening van het loonbeslag.

Gedaagde 1] erkent dat bedoelde exploten zijn betekend aan het oude adres van [eiser], maar voert aan dat (1) zij hiertoe uitdrukkelijk opdracht heeft gekregen van de gemachtigde van [gedaagde 2], (2) het oude adres in meerdere procedures is gehanteerd, en (3) het nieuwe adres niet bekend was bij de werkgever van [eiser]. Volgens [gedaagde 1] beschikt zij niet over rechtstreekse toegang tot de registers van de Burgerlijke Stand om zelfstandig adresgegevens te verifiëren en rust de verantwoordelijkheid voor het aanleveren van het juiste adres bij de opdrachtgever; in dit geval (de gemachtigde van) [gedaagde 2]. Voorts heeft [gedaagde 1] gesteld dat van haar niet kan worden verlangd dat zij in alle gevallen een uittreksel uit de registers opvraagt, nu dit gepaard gaat met aanzienlijke extra kosten. [Gedaagde 2] heeft op dit onderdeel geen zelfstandig verweer gevoerd en zich aangesloten bij het standpunt van [gedaagde 1].

Ingevolge artikel 430 lid 3 Rv kan tenuitvoerlegging van een executoriale titel eerst plaatsvinden nadat deze op de wettelijk voorgeschreven wijze aan de geëxecuteerde is betekend. Dit vereiste strekt ertoe dat de geëxecuteerde daadwerkelijk kennis kan nemen van de inhoud van de titel en van de voorgenomen executiemaatregelen.

Vaststaat dat de grosse van de beschikking van 14 november 2024 niet aan [eiser] is betekend op zijn nieuwe adres. Daarmee is niet voldaan aan het in artikel 430 lid 3 Rv neergelegde betekeningvereiste, zodat de executiemaatregelen onrechtmatig zijn en het beslag niet in stand kan blijven. Het was aan (de gemachtigde van) [gedaagde 2] om, voorafgaand aan de betekening van de grosse, een actueel uittreksel uit het bevolkingsregister op te vragen. Het door [gedaagde 1] aangevoerde argument dat het steeds opnieuw opvragen van een dergelijk uittreksel aanzienlijke kosten met zich zou brengen, oordeelt het Gerecht niet aannemelijk, nu een uittreksel slechts Afl. 5,- kost. Indien [gedaagde 2] een actueel uittreksel had opgevraagd, zouden zowel de grosse van de beschikking als de overbetekening van het loonbeslag op het nieuwe adres hebben plaatsgevonden. De slotsom op dit onderdeel luidt dat de vordering van [eiser] tot opheffing van het beslag zal worden toegewezen, nu bij de hiervoor geschetste stand van zaken in een bodemprocedure een gelijk oordeel valt te verwachten.

Ten overvloede overweegt het Gerecht als volgt. Indien het Gerecht tot het oordeel zou zijn gekomen dat het beslag rechtmatig is gelegd, stelt het vast dat bij de tenuitvoerlegging daarvan een eenmalige inhouding op het volledige loon van [eiser] heeft plaatsgevonden. Het Gerecht acht een dergelijke volledige inhouding, gelet op de aard van loon als primaire bron van levensonderhoud, in beginsel onwenselijk. In deze zaak is echter (als onbestreden gesteld door [gedaagde 2]) komen vast te staan dat [eiser] naast zijn loon beschikt over aanvullende inkomsten ad Afl.4.000,-- maandelijks uit hoofde van verhuur van onroerend goed. Tegen deze achtergrond kan niet voorshands worden geoordeeld dat de eenmalige inhouding heeft geleid tot een situatie van broodnood aan de zijde van [eiser]. Dit zou anders zijn indien [eiser] uitsluitend zijn loon had als bron van inkomsten. In dat geval zou het volledig treffen van dat loon door beslag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn geweest. Deze maatstaven brengen mee dat executiemaatregelen niet verder mogen strekken dan noodzakelijk en dat de geëxecuteerde dient te kunnen blijven beschikken over een inkomen ter hoogte van ten minste het bestaansminimum, dat in beginsel kan worden gesteld op (ongeveer) het niveau van het minimumloon.

Restitutie ingehouden betalingen?

Eiser] vordert tevens restitutie van de op grond van het beslag op zijn loon ingehouden bedragen. [Gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dit en voeren daarbij aan dat het beslag is gelegd op basis van een geldige titel. In dit verband wordt het volgende overwogen.

Zoals hiervoor reeds overwogen is sprake van een onrechtmatig beslag dat daarom zal worden opgeheven. Dat laat echter onverlet dat de door [eiser] aan [gedaagde 2] betaalde (krachtens het beslag op zijn loon ingehouden) bedragen niet onverschuldigd door hem zijn betaald aan [gedaagde 2] nu zij beschikt over een rechtsgeldige titel krachtens welke [eiser] die bedragen (en meer dan dat) verschuldigd was aan [gedaagde 2] aan onbetaald gelaten partneralimentatie. In het licht daarvan brengt afweging van de belangen van [gedaagde 2] ten opzichte van die van [eiser] met zich dat het verzoek van [eiser] tot restitutie van de op zijn loon ingehouden en aan [gedaagde 2] niet onverschuldigd afgedragen bedragen zal worden afgewezen. Zie in dit verband ook hetgeen hierna onder 4.14 en 4.15 is overwogen.

Schadevergoeding?

Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding verzoekt [eiser] vast te stellen dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] aansprakelijk is/zijn voor de schade die volgens hem is ontstaan doordat hij als gevolg van het gelegde loonbeslag niet aan zijn verplichting tot betaling van kinderalimentatie heeft kunnen voldoen. Daarnaast vordert [eiser] schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, waarbij de gestelde schade onder meer zou bestaan uit een door zijn werkgever als gevolg van het beslag ingetrokken wachttoelage.

Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding in kort geding is slechts plaats indien het bestaan en de omvang van die vordering in hoge mate aannemelijk zijn. Daarbij is vereist dat de schade voldoende concreet is gesteld en eenvoudig kan worden vastgesteld, terwijl tevens aannemelijk moet zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Van dit één en ander is in dit geval geen sprake. Het Gerecht overweegt dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en nagelaten heeft te concretiseren welke schade hij daadwerkelijk heeft geleden. De vordering bevat geen concrete specificatie van schadeposten, noch enig bewijs van daadwerkelijk geleden schade. Nu de schade onvoldoende is onderbouwd, kan – vooruitlopend op een bodemprocedure – niet worden vastgesteld dat [eiser] schade heeft geleden. De vordering tot schadevergoeding wordt derhalve afgewezen.

Bevel tot herberekening?

Met betrekking tot het gevorderde bevel aan [gedaagde 1] om een juiste herberekening te maken van de eventuele achterstand in de betaling van alimentatie voert [eiser] aan dat onjuiste berekeningen van die achterstand zijn gemaakt. [Gedaagde 1] heeft in reactie daarop aangevoerd dat eventuele onjuistheden in de berekening niet bij haar aan de orde gesteld dienen te worden, maar bij de opdrachtgever, [gedaagde 2]. [Gedaagde 2] betwist dat sprake is van een onjuiste berekening en heeft ter onderbouwing van haar standpunt een overzicht overgelegd van hetgeen openstaat aan partneralimentatie en van de reeds verrichte inhoudingen.

Het Gerecht overweegt dat noch uit het verzoekschrift noch uit hetgeen tijdens de zitting is gebleken volgt dat de door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] gehanteerde berekeningen onjuist zouden zijn. [eiser] heeft geen dragende aanwijzingen aangevoerd waaruit een fout in de berekening blijkt. Nu onvoldoende is gebleken van onjuistheden, bestaat in dit kort geding geen grond om [gedaagde 1] te bevelen tot het maken van een nieuwe berekening. De vordering van [eiser] wordt derhalve afgewezen.

Afweging van de belangen van partijen maakt al het vorenstaande niet anders, omdat het Gerecht (1) geen zwaarwegender belangen ziet van [eiser] bij toewijzing van zijn af te wijzen vorderingen ten opzichte van de belangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij afwijzing daarvan en (2) omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij afwijzing van de toe te wijzen vordering van [eiser] ten opzichte van de belangen van [eiser] bij toewijzing daarvan.

Proceskosten

Gelet op de uitkomst van deze procedure, waarbij zowel vorderingen van [eiser] worden afgewezen als toegewezen, en gelet op het feit dat [eiser] en [gedaagde 2] voormalig echtgenoten zijn, oordeelt het Gerecht dat de proceskosten worden gecompenseerd tussen partijen aldus dat ieder van hen de eigen proceskosten draagt.

5. DE UITSPRAAK

Het Gerecht, recht doende in kort geding:

heft op het ten laste van [eiser] door [gedaagde 2] op 20 juni 2025 gelegde executoriale derdenbeslag;

compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders door [eiser] gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 7 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.H.M. van de Leur

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?