Beschikking van 22 april 2026
Behorend bij AUA202503961 EJ
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[Appellante],
te Aruba,
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
procederend in persoon,
tegen:
[Geïntimeerde],
te Aruba,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
procederend in persoon.
1. DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
het beroepschrift, ingediend op 27 november 2025;
de behandeling van de zaak ter zitting van 3 maart 2026.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen [appellante] en [geïntimeerde] in persoon, bijgestaan door de heer [schoonzoon van geïntimeerde] (schoonzoon van [geïntimeerde]).
Beschikking is bepaald op vandaag.
2. DE FEITEN
Appellante] is eigenaar van de woning gelegen te [adres] te Aruba (hierna: het gehuurde).
Geïntimeerde] huurt het gehuurde van [appellante] sinds 1 oktober 2023 tegen een maandelijkse huurprijs van Afl. 1.400,-.
Appellante] heeft op 2 oktober 2025 bij de Huurcommissie van Aruba (hierna: de Huurcommissie) een verzoek ingediend tot het verlenen van toestemming voor de opzegging van de huurovereenkomst.
Bij beschikking van 7 november 2025 heeft de Huurcommissie, met zaaknummer HOP/2025/196, het verzoek van [appellante] afgewezen.
3. HET BEROEP
Appellante] verzoekt – zo het Gerecht begrijpt – de beschikking te vernietigen en toestemming om de huurovereenkomst te mogen opzeggen.
Appellante] legt aan haar beroep ten grondslag dat [geïntimeerde] de huur structureel te laat betaalt en dat zij het gehuurde vervuilt en dat zij bovendien nodig heeft voor renovatie.
Geïntimeerde] heeft ter zitting verweer gevoerd.
Voorzover van belang voor de uitspraak worden de argumenten van partijen hierna besproken.
4. DE BEOORDELING
Het Gerecht stelt vast dat [appellante] binnen de daartoe gestelde wettelijke termijn beroep tegen de beschikking heeft ingesteld. [Appellante] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Appellante] legt twee tekortkomingen aan haar beroep tot het opzeggen van de huurovereenkomst ten grondslag, te weten huurachterstand en slecht huurderschap. Daarnaast voert zij aan dat zij het gehuurde nodig heeft om het te kunnen renoveren. Het Gerecht zal hierna afzonderlijk bespreken.
Ter zitting is gebleken dat geen sprake is van een huurachterstand, maar dat [geïntimeerde] de huur pas laat in de avond betaalt waaraan [appellante] zich ergert. Het Gerecht is daarom van oordeel dat hierin geen tekortkoming kan worden gezien die de opzegging van de huurovereenkomst rechtvaardigt. [Geïntimeerde] wordt er wel op gewezen dat het correct is de huur gedurende kantooruren te betalen.
Wat betreft het slecht huurderschap overweegt het Gerecht overweegt dat uit de overgelegde afbeeldingen blijkt dat het gehuurde inderdaad enige vervuiling vertoont, maar dat dit alleen onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van slecht huurderschap.
Ten slotte heeft [appellante] renovatie van het gehuurde aangevoerd als grond voor opzegging van de huurovereenkomst. Het Gerecht laat deze grond echter buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. In de eerste plaats omdat [appellante] deze niet eerder bij de Huurcommissie heeft aangevoerd. Bovendien heeft [appellante] dit op de mondelinge behandeling bij het Gerecht voor het eerst aangevoerd zodat [geïntimeerde] zich daarop niet heeft kunnen voorbereiden.
Nu geen sprake is van een huurachterstand en evenmin van strijd met goed huurderschap, zal het beroep van [appellante] worden afgewezen.
Appellante] zal zij, als de in het ongelijk gestelde partij, warden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [geïntimeerde], tot aan deze uitspraak begroot op nihil, omdat zij geen gemachtigde heeft ingeschakeld.
5. DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart het beroep van [appellante] tegen de beschikking van de Huurcommissie van 7 november 2025, met zaaknummer HOP/2025/196, ongegrond en bevestigt die beschikking
veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.